Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Ging Ambrosius te ver? (3)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Ging Ambrosius te ver? (3)

12 minuten leestijd

We zagen vorige keer dat het onze schuldige plicht is de middelen tot zaligheid te gebruiken, zoals het komen onder Gods Woord, maar ook het belijden van onze zonde in het gebed voor de Heere.

Tegelijkertijd schuilt er een groot gevaar in het eenzijdig aandringen op het gebruik van de middelen. Dan kan het schijnen alsof het gebruik van de middelen onze enige plicht is. Wanneer daarbij benadrukt wordt dat de Heere wel zal horen op ons gebed, en wel zal meekomen in de prediking van Gods Woord, wordt de zaligheid in feite een beloning voor het ijverig gebruik van de middelen. ’Bidt maar veel tot de Heere en Hij zal u wel bekeren.’ Dan is genade geen genade meer, maar een beloning voor ons werken.

Laten we er daarentegen aan vasthouden dat onze schuldige plicht veel méér omvat dan het gebruiken van de middelen. Want God eist niet alleen dat wij Zijn Woord lezen, Zijn Woord horen en tot Hem bidden. Nee, Hij eist Zijn beeld van ons terug. Hij eist volkomen gehoorzaamheid aan de wet Gods en volkomen betaling van de openstaande schuld. Díe eis ligt op ons.

Hij eist van ons geloof en bekering. Wanneer de Heere door Zijn Geest die last op uw ziel gaat binden, dan zult u wel gaan verstaan dat het gebruik van middelen geen grond is voor de eeuwigheid. Dan leert u ook dat u niet kunt geloven en zich niet kunt bekeren. Maar u wordt wel van harte verbonden aan die middelen. Want de droefheid naar God wekt ook een begeerte naar de verkondiging van Gods Woord en verwekt een aandrang in de ziel om God te zoeken op de plaats waar Hij werkt, ook door middel van het gebed.

Ook Wilhelmus à Brakel schrijft in de Redelijke Godsdienst, in het verband van de wedergeboorte, over het gebruik van de middelen. Merk daarbij op dat hij onderscheid maakt tussen onbekeerden en overtuigden. Brakel dringt er bij de onbekeerden op aan te overwegen hoe ernstig hun staat is:

’God en alle schepselen zijn tegen u. De belofte Ik zal u tot een God zijn raakt u niet, God is uw God niet, u bent zonder God. Christus is uw Zaligmaker niet, u bent zonder geloof, vervloekt, voor eeuwig verdoemd.

’Blijf bij deze dingen staan, en pas het op uzelf toe, en zeg: dat zal eeuwig mijn deel zijn, indien ik zo voortga en niet bekeerd word; opdat de schrik van de Heere u zal bewegen tot het geloof, want God gebruikt de overtuigingen en verschrikkingen als een middel tot bekering’.

Maar hij wendt zich ook in het bijzonder tot de overtuigden:

’Vraagt u dan: Wat moet ik doen opdat ik zalig word? Ik antwoord: Meent u het? Is het waarheid, is het ernst? Zou u alles wat in de wereld vermakelijk is wel willen missen en afstand doen van uw beminde, fatsoenlijke, voordelige, vermakelijke zonde? Is de verzoening met God, God lief te hebben, te vrezen en te dienen in alle godzaligheid, u meer waard dan alles wat er is? Wilt u dat u dat kennen en boven alles beminnen mocht? Zegt u: Ja, ik meen het, het is mij ernst, dan antwoord ik: bekeer u en geloof het Evangelie. Zegt u: dat weet men wel dat men dan zalig zal worden. Weet dan goed dat het een onuitsprekelijke genade en voorrecht is dat men op geloof en bekering zalig kan worden. God was niet verplicht u daarop zalig te maken, maar het is Zijn vrije goedheid, daarop de zaligheid te beloven en te geven. Nu dan, bekeer u!

Vraagt u: Kan ik wel? Is het in mijn macht? Ik antwoord: (a) Wees er zeker van, omdat u het goedkeurt, dat het uw plicht is. (b) Probeer het eens, als u het begint, dan zult u ten eerste bevinden dat u blind bent, dat u God, Christus, de weg om tot Christus te komen, de wedergeboren staat van de ziel en de ware heiligheid in haar aard niet kent. En wat u niet kent, hoe zult u dat doen? Maar behalve dat, u zult ondervinden als het op een doen aankomt, dat u niet wilt. Ik wil niet, zal het eerste begin zijn van het nalaten. Daarbij is uw boosheid van nature zo groot en de zonde zo sterk, en de zaak zo zwaar, dat u niet kunt. Zink dan in uw ellende en onmacht en wees hope loos en radeloos bij uzelf.

Vraagt u verder: Wat dan? Is er dan helemaal geen hoop voor mij? Ik antwoord: Niet in uzelf, maar wel bij God, en daar is hoop voor u omdat u onder de bediening van het Evangelie leeft, het middel, ja, het enige middel, waardoor God zielen bekeert. Verblijd u dan dat u onder de middelen leeft, en dat God u overtuiging geeft en begeerte tot bekering en zaligheid. Neem de middelen ijverig waar, wees actief de predikingen en de catechisaties te benutten, lees met aandacht veel in Gods Woord, of laat het u voorlezen. Voeg u bij de godzaligen en verzoek in hun bijeenkomsten toegelaten te worden. Volg de opwekkingen tot bidden en tot godzaligheid op.

Zal ik dan bekeerd en zalig worden? lk antwoord: Uw werk zal God niet bewegen om u de bekering te geven. Maar ook zal God u niet uitsluiten als u zichzelf niet uitsluit. U hebt reden te hopen, omdat God u tot dusver onder overtuiging gebracht heeft. Wacht dan verder op de minste opwekking van de Geest, volg die op en zie toe dat u ze niet tegenstaat. Blijf zo in volharding onder de middelen, en geef het niet op als u door uw begeerlijkheden telkens afgetrokken wordt.’

Zo is het de plicht van eenieder om Gods Woord te lezen, de onderlinge bijeenkomst niet na te laten en tot God te bidden. In dat gebed mag de belijdenis van schuld en zonde en het vragen om genade om Christus’ wil niet ontbreken. Dat zijn de middelen tot zaligheid, of zoals Ambrosius het noemt: ’middelen om in de wedergeboorte te geraken’. Hoezeer die uitdrukking lijkt te strijden met het uitgangspunt dat de geestelijk dode mens geheel lijdelijk is in de wedergeboorte, toch bedoelt Ambrosius niets anders dan dat de onwedergeborene ernaar moet staan om de door God gegeven middelen tot zaligheid te gebruiken. Daarbij blijft staan dat God niet verschuldigd is de mens die de middelen gebruikt ook daadwerkelijk de zaligheid te schenken. Want het is en blijft vrije genade!

Maar een waarlijk bedroefde en schuldverslagen ziel zal de middelen niet tevergeefs gebruiken. Hij zal daarin evenwel niet kunnen rusten voordat hij de ware rust gevonden heeft. Die ligt niet in zijn schuldbelijdenis, niet in zijn tranen, niet in het voelen smelten van zijn hart, niet in zijn gebruik van de middelen. Maar alleen in Jezus Christus en Dien gekruisigd. Die zegen schenke de Heere in het gebruik van de middelen tot zaligheid!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 oktober 2020

De Wachter Sions | 16 Pagina's

Ging Ambrosius te ver? (3)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 oktober 2020

De Wachter Sions | 16 Pagina's

PDF Bekijken