Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Gehandicapten: Ze Horen er bij!

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Gehandicapten: Ze Horen er bij!

15 minuten leestijd

Lezen: Handelingen 3:1-16

Zingen: Ps. 84:3 en 6

Ps. 27:7

Ps. 25:4 en 8

Ps. 146:3,4 en 6

Ps . 145:3

Ps. 100

Ps. 130:1

Kerntekst: Hand. 3:6: "En Petrus zeide: Zilver en goud heb ik niet, maar hetgeen ik heb, dat geve ik u; in de Naam van Jezus, de Nazarener, sta op en wandel!"

Vertelschets

Er loopt een groepje mensen door de straten van Jeruzalem.

Samen dragen ze een al wat oudere man. Dat groepje is,zoals iedere dag, op weg naar de tempel. Als ze bij de tempel zijn gekomen,zetten ze de man neer bij de Schone Poort. Aan de naam Schone Poort hóór je het al: het is' een prachtige, met schitterend koperwerk versierde poort (A2). Ze brengen de man daar omdat hij zelf niet lopen kan. Hij is namelijk kreupel aan zijn voeten, al vanaf zijn geboorte (Al). Al sinds jaren wordt hij elke dag daar bij de Schone Poort gebracht en neergezet. Hij, een bedelaar, in lompen gehuld, vlak bij zo'n mooie poort?Ja, want door de poort komen juist veel mensen die op weg zijn naar de tempel, om daar te bidden en te offeren. Het zijn al die mensen van wie de kreupele man hét hebben moet. Wanneer ze voorbij hem lopen, op weg naar de tempel, dan roept hij ze aan voor een aalmoes, een geldstuk. Hij kan immers niet lopen en dus ook niet werken. Toen hij klein was heeft zijn moeder hem geen lopen kunnen leren; zijn beentjes waren slap en krachteloos. Toen hij groter werd, zag hij andere jongens stoeien en draven in de straat, maar hij zat aan de kant en niemand keek naar hem om. Nu is hij volwassen en die anderen zijn sterke, gezonde mannen, die door zelf te werken hun eigen brood verdienen. Het lijkt wel of de kreupele man niets anders heeft dan zijn verlamde benen. Hij is een bedelaar geworden, een verachte nietsnut, een overbodig schepsel. Wat kan hij anders doen dan bedelen? 's Morgens wordt hij hier heen gedragen en 's avonds weer weggebracht naar huis. De bedelpenningen zijn zijn hele rijkdom. Het lijkt een heel verdrietig leven. Tot nu toe heeft de Heere zijn gebeden om genezing niet verhoord. Zijn toekomst is zonder verwachting Dat moet voor hem, iedere dag weer heel verdrietig zijn.

Het is drie uur in de middag. De kreupele man is zojuist door zijn helpers bij de poort gezet.

Het is de tijd van het avondoffer dat in de tempel zal gebracht gaan worden (A3).

Straks zal de priester reukwerk offeren op het gouden reukofferaltaar. Dan zullen er veel mensen door de Schone Poort langskomen en in de voorhof gaan staan. Daar zullen ze hun gebeden opzenden tot God. Maar dat niet alleen. In de tempel horen ze ook voorlezen uit de wetten van Mozes, uit de Thora en uit de profetenboeken.

Daar staat een heleboel in. Maar weet je wat er ook in staat? In het boek Deuteronomium?"Omdat er geen bedelaar onder u zijn zal." In Israël mocht dus van de Heere geen bedelaar zijn. Voor arme, behoeftige mensen die zelf de kosten niet konden verdienen, moest zonder meer gezorgd worden. Dat weet de kreupele man, dat weet ook het volk Israël. Zij kennen de wetten van God. Ze gaan wel trouw naar de tempel, maar ze zorgen niet voor hun gehandicapte naaste zoals de Heere dat van hen vraagt. Iedere dag wordt zo de Heere verdriet gedaan.

En dèèr, bij de Schone Poort, waar de kreupele man elke dag zit en waarlangs zoveel mensen voorbijlopen, op weg naar de tempel, dêièir gebe urt het.

Uit de rij voorb ijgaande mensen lopen er twee naa r opzij en komen op de kreupele man af. Recht voor hem blijven ze staan. Wie zijn die twee? Het zijn twee discipelen van de Heere Jezus, Petrus en Johanne s. Ook zij zijn op weg naar de t empel. Niet om te offeren, maar om er de mensen de boodschap van het evangelie te verkondigen. He n te vertellen van de Heere Jezus, D ie gekruisigd was, gestorven en begraven en ook opgestaan. En dat voor zondaren

Daar staan Petrus en Johannes voor de kreupele man en kijken hem recht aan . De bedelaar steekt verwachtingsvol zijn hand uit. Maar Petrus legt er geen geldstuk in! Hij zegt: "Zie op ons". De bedelende kreupele verwacht geld, maar Petrus en Joahnnes dwingen hem nu zijn aandacht ergens anders op te te richten, namelijk op wat gebeuren gaat. Hóór wat Petrus zegt terwijl ze elkaar aankijken: Zilver en goud heb ik niet; maar hetgeen ik heb dat geef ik u: in de Naam van Jezus Christus, de Nazarener, sta op en wandel". Als Petrus dit gezegd heeft, pakt hij de kreupele man bij de rechterhand en trekt hem overeind. En wat gebeurt er? De kreuepele man staat op zijn eigen voeten! Een wonderlijke kracht gaat door de onmachtige spieren. De verlamde voeten en enkels worden stevig en sterk. Hij springt op. Hij staat niet langzaam op, maar springt op. Weet je hoe dat komt? Wel, hij doet precies wat Petrus zegt. Hij gehoorzaamt het woord van Petrus. Direkt ook jubelt hij het uit over het tempelplein en loopt met Petrus en Johannes naar de tempel. En terwijl hij daar loopt geeft hij de Heere eer. Hij looft God onophoudelijk. Hij schaamt zich voor niemand. Iedereen kan en mag het horen, ja moet het horen, zo luidt zingt hij. Niet alleen omdat hij Petrus en Johannes heeft ontmoet. Maar hij mag geloven dat het de Heere is Die hem de gezondheid heeft geschonken.

Die dag, dat moment, is voor hem onvergetelijk geworden, want toen heeft de Heere hem wèl gedaan. Het eerste wat de man die nu weer lopen kan doet, is naar de tempel gaan. Nu mag ook hij, temidden van de schare mensen, naar de tempel. Voor het eerst in zijn leven. Om hen heen zie je verbaasde gezichten. De mensen weten niet wat ze zien. Jarenlang hebben ze deze man zien bedelen bij de Schone Poort. Ze kunnen er niet over uit dat hij nu zo maar tussen hen in loopt. Ze verbazen en ontzetten zich. Het is ook nauwelijks te geloven. Zodra het volk ervan hoort dat Petrus en Johannes dit grote wonder verricht hebben, omringen ze hen en staren hen vol bewondering aan. Petrus merkt dat en vindt het helemaal niet prettig om zo bewonderd te worden. Petrus neemt het woord en gaat heenwijzen naar de Heere Jezus en gaat van Hem getuigen. Want de Heere moet alle eer krijgen en niet Petrus of Johannes. Op dezelfde plaats waar Johannes de Heere Jezus zo dikwijls gepredikt heeft en waar Hij eens Zelf bijna gestenigd is, daar staan nu Zijn discipelen te prediken in Zijn Naam. Even kunnen ze hun gang gaan. Maar dan komen de priesters, de schriftgeleerden en de tempeloverste in opstand. Ze willen niet dat Petrus en Johannes verkondigen dat de Heere Jezus gestorven is en na drie dagen weer opgestaan. Dat geloven ze niet en daarom mogen anderen het ook niet verkondigen. Petrus en Johannes worden vastgegrepen en in de gevangenis gezet. De volgende dag al worden ze voor strenge rechters gebracht. Kortaf wordt hen gevraagd: "Hoe komt het dat deze kreupele man weer lopen kan? Door welke kracht en door welke Naam hebt gij dit gedaan?"

Petrus neemt moedig het woord en en weer getuigt hij van de Heere Hij verteit dat het de Heere is, door Wiens kracht dit wonder is geschied. Als die strenge rechters Petrus zo vrijmoedig horen spreken over de Heere Jezus en de man zien staan die eerst kreupel was en nu weer lopen kan, weten zij niets meer te zeggen. Het is de waarheid die Petrus spreekt. Zij hebben geen enkele straf verdiend en moeten vrijgesproken worden.

Het enige wat de rechters doen is Petrus en Johannea verbieden om in het vervolg over de Heere Jezus te spreken. In Zijn Naam mogen ze ook geen wonderen meer doen.

Maar... Petrus en Johannes zeggen eerlijk dat ze het niet zulten kunnen laten om over de Heere Jezus te spreken. De Heere Zelf heeft hen geroepen om Zijn Naam bekend te maken. Ze zijn vol van de liefde tot de Heere Zouden ze dan kunnen zwijgen?

Nee, dat ken geen rechter ze verb Leden.

De man die veertig jaar kreupel is geweest, is genezen van zijn verlamming. Maar het belangrijkste is dat hij ook is genezen van zijn zieke ziel. De Heere heeft hem uit genade het geloof geschonken. Wat is dat een onuitsprekekelijk wonder.

Wat is het fijn als jij en ik tegen elkaar kunnen zeggen dat we gezond zijn. Maar wat zou het groot zijn als we net als deze man uit de geschiedenis de Heere Zelf mogen leren kennen. Ook tot ons klinkt Gods stem: in de kerk, op school, op de vereniging en thuis.

Wat doe jij met die roepstem?

Ik zal met vreugd in 't

huis des HEEREN gaan.

Om daar met lof Uw grote

Naam te danken.

Jeruzalem, gij hoort die

blijde klanken:

Elk heff' met mij de

lof des HEEREN aan!

(Ps. 116:11)

Dit artikel werd u aangeboden door: Jeugdbond Gereformeerde Gemeenten

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1988

Mivo -12 | 28 Pagina's

Gehandicapten: Ze Horen er bij!

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1988

Mivo -12 | 28 Pagina's

PDF Bekijken