Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

2. De inhoud van de brief

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

2. De inhoud van de brief

16 minuten leestijd

Inleiding (1:1-4) Paulus zet de brief aan Titus direct in met zijn Goddelijke roeping. Hij noemt zichzelf 'een dienstknecht Gods' wat letterlijk 'slaaf van God' betekent. Paulus zet zich volledig in voor wat een Ander wil. Dat is het doel van zijn leven. Daartoe is hij geroepen en vanuit die roeping schrijft hij deze brief.

Paulus noemt zich vervolgens een 'apostel van Jezus Christus', ofwel een afgevaardigde, een koerier van Christus. Met deze beide benamingen laat Paulus weer zien dat hij niet op eigen gezag werkzaam is. Hij heeft zijn gezag, als afgezant van Christus, direct van God ontvangen. Paulus is afgezonderd om het evangelie bekend te maken. In het kort getuigt hij in de eerste verzen van de hoop die in hem is. Deze 'hope des eeuwigen levens' is zeker, benadrukt Paulus. God, Die onmogelijk liegen kan, heeft het eeuwige leven beloofd voor de tijden der eeuwen en geopenbaard te Zijner tijd.

Eigenlijk staat hier dat er vanaf het begin van de wereld een belofte van God ligt. God heeft een Verlosser beloofd. Dit lezen we al in Gen. 3:15.

In de volheid des tijds (zie Gal. 4:4) krijgt de verwachting van de vergeving van zonden en het eeuwig leven in Jezus Christus vervulling.

Na deze inleiding (het 'prescript') volgen het doel van het schrijven en een groet.

Vervolgens zet Paulus in met de eigenlijke boodschap van de brief.

Onberispelijk (1:5-8)

Titus is op Kreta achtergebleven om in iedere stad ambtsdragers, ouderlingen aan te stellen. Deze mannen uit de gemeente kunnen niet naar willekeur gekozen en aangesteld worden.

Tot twee keer toe zegt Paulus dat een ambtsdrager 'onberispelijk' moet zijn (1:6 en 7). Tegen de ouderlingen of opzieners moet geen beschuldiging zijn in te brengen, van welke zonde of misstap dan ook.

Bij Joden en Grieken kwam maar al te vaak de heidense praktijk voor dat een man meerdere vrouwen tegelijk had of enkele malen gescheiden was.

Hiervan zegt Paulus dat, als een opziener gehuwd is, hij maar één vrouw mag hebben (éner vrouwe man). Er staat niet dat een ambtsdrager gehuwd moet zijn, Paulus was zelf ook ongehuwd. Paulus brengt hier nadrukkelijk naar voren dat bij het aanstellen van leidinggevenden in de gemeente gerekend moet worden met de heiligheid van het huwelijk.

Paulus scherpt de eis nog iets aan als hij zegt dat niet alleen de ouderlingen onberispelijk moeten zijn, maar dat ook op hun kinderen niets aan te merken moet zijn. Het moeten gelovige kinderen zijn 'die niet te beschuldigen zijn van overdadigheid, of ongehoorzaam zijn.'

In vers 7 wordt verklaard waarom deze eigenschappen nodig zijn en vervolgens somt Paulus enkele eigenschappen op die niet bij een opziener passen.

Het opziener-zijn vraagt allereerst een houding van ootmoed en dienstbaarheid; een ambtsdrager mag niet eigenzinnig zijn. De kanttekening bij dit vers verklaart dit dat een ambtsdrager niet zichzelf moet behagen; ofwel z'n eigen zin moet doordrijven en de mening van anderen verwerpt. Een opziener is niet voor eigen genoegen of eer aangesteld, maar is een huisverzorger Gods. Hij doet datgene wat de eer van God en het heil van de gemeente dient. Hij verrijkt zichzelf niet door middel van zijn positie. Hij mag ook niet geneigd zijn tot toorn en overmatig drankgebruik. Een ambtsdrager moet zichzelf in de hand kunnen houden en zich niet mee laten slepen in onbesuisd gedrag of kwaadheid.

De keerzijde van deze negatieve eigenschappen is dat een opziener klaar staat voor (de opvang van) anderen; 'gaarne herbergt', voorzichtig is en bekend staat om zijn rechtvaardigheid, heiligheid en kuisheid. Er wordt dus een zuivere levenswandel van hem gevraagd.

Machtig (1:9)

In vers 9 werkt Paulus toe naar het hoogtepunt van de voorwaarden die aan ouderlingen en opzieners gesteld worden. Het is iemand 'die vasthoudt aan het getrouwe woord dat naar de leer is, opdat hij machtig zij, beide om te vermanen door de gezonde leer en om de wedersprekers te weerleggen.'

Omdat er in de diverse gemeenten, inclusief Kreta, allerlei dwalingen de kop opsteken, is één ding van groot belang. Namelijk dat een ambtsdrager vasthoudt aan de leer naar het Evangelie van Jezus Christus: 'het getrouwe woord'. Deze uitdrukking wil eigenlijk zeggen: het woord dat én geloofwaardig is én met geloof wordt aangenomen. Een opziener moet door een persoonlijk geloof het Evangelie doorleven in de gemeenschap met Christus. Als dat gekend wordt is er een uitstraling naar buiten toe. Paulus gebruikt hierbij het woord 'machtig'. Een opziener met dit geloofsleven is

Een opziener met dit geloofsleven is machtig om aan de ene kant in de gemeente te vermanen en te onderwijzen naar de gezonde leer, de leer van het evangelie van jezus Christus. Aan de andere kant is hij machtig om de tegensprekers vanuit de Schrift te weerleggen en de dwalingen uit de gemeente te weren.

IJdelheidsprekers (1:10-16)

Als Paulus aangegeven heeft waaraan een opziener moet voldoen, eindigt hij in vers 9 met de gave om te vermanen en te weerleggen. Paulus gaat dan in vers 10 en 11 direct op zijn doel af. Want, zegt hij, er zijn vele 'ongeregelden' op Kreta. Hij spreekt dan over personen die zich aan geen orde willen onderwerpen. Deze mensen willen hun eigen opvattingen aan anderen opleggen. Het zijn ijdelheidsprekers en verleiders van zinnen. Met ijdelheid bedoelt Paulus dat de inhoud van hun leer onbijbels is en geen inhoud heeft.

Deze 'ongeregelden' willen de ceremoniële wetten gedeeltelik handhaven. Het gaat hier dus niet om heidenen die met allerlei vreemde godsdienstige opvattingen aankomen. Het zijn Joden die het houden en volbrengen van de wet op de spits drijven.

Van deze dwaalleraars zegt Paulus dat 'beide hun verstand en consciëntie zijn bevlekt (1:1 5)'.

In het laatste vers van Titus 1 stelt hij duidelijk dat ze met de mond weliswaar belijden dat zij God kennen en dienen, maar dat hun levenspraktijk het tegendeel bewijst. Ze bedrijven gruwelijke zonden en willen zich niet laten bewegen om de waarheid te geloven en aan te nemen (kantt. bij 1:16).

Dat het met name christenen van joodse afkomst zijn die onrust brengen in de gemeente blijkt daaruit dat Paulus er op wijst dat de ijdelheidsprekers op Kreta 'inzonderheid uit de besnijdenis zijn'. Uit Handelingen kan opgemaakt worden dat er veel joden op Kreta geweest zijn. Een bewijs daarvan is dat er op het joodse Pinksterfeest Kretenzen in Jeruzalem zijn. Deze Joden uit Kreta horen op de Pinksterdag in hun landstaal over de grote werken van God spreken en waren getuige van de uitstorting van de Heilige Geest (Hand. 2:11).

De Kretenzen (1:12-16)

De boodschap van Paulus is duidelijk: de dwaalleraren moet de mond gestopt worden. Eigenlijk kan dat maar op één manier: door hun valse leer en lasteringen te weerleggen. Het wapen daartoe heeft Paulus al eerder in vers 9 gegeven, namelijk het vasthouden aan het getrouwe woord van het Evangelie van Jezus Christus.

Alleen door een krachtige weerlegging door het licht van de Heilige Geest kan het verwoestend werk van deze dwaalleraars weerstaan worden.

Dat dit geen gemakkelijke taak is blijkt wel als Paulus zegt dat de dwaalleraars hele gezinnen van het rechte geloof hebben afgekeerd. Toch is Paulus in zijn brief aan Titus optimistisch gestemd over de mogelijkheid tot weerlegging. Met name in de laatste verzen van Titus 2, dat een geloofsbelijdenis bevat, komt dit naar voren. Hij roept daar op om het Evangelie uit te dragen met vermaning en ernst.

Als Paulus over de dwaalleraars gesproken heeft, schrijft hij over de Kretenzen in algemene zin. Hij haalt daarbij een uitspraak van één van hun dichters aan. Dichters stonden in hoog aanzien op Kreta. Zij werden aangesproken als profeeten ontvingen daadwerkelijk dezelfde eer als een profeet in Israël. Paulus sluit daarbij aan door te spreken over 'hun eigen profeet'. Het oordeel van deze profeet over de Kretenzen is scherp: ze zijn altijd leugenachtig, niet te vertrouwen, 'kwade beesten' en luie buiken. Matthew Henry zegt bij deze tekst: 'Hun valsheid en leugenachtigheid waren spreekwoordelijk. 'De Kretenser spelen' betekende liegen.'

Paulus deelt het negatieve oordeel over de Kretenzen, maar wijst in vers 1 3 direct op een geneesmiddel: 'bestraf hen scherpelijk, opdat zij gezond mogen zijn in het geloof'.

Paulus zegt eigenlijk dat Titus niet te zacht met ze moet omgaan, maar moet zeggen waar het op staat. Een aanpak die het meeste effect zal hebben bij dit woeste en onbehouwen volk.

De bestraffing heeft een doel.

Namelijk om de gemeenteleden op Kreta af te houden van dwalingen in de vorm van Joodse fabels en menselijke wetten en regels. Paulus wijst hier terug naar de leringen van de ijdelheidsprekers en verleiders van zinnen die hij in vers 10 noemt. Titus moet de gemeenteleden onderwijzen in de waarheid. Zo kunnen ze staande blijven in de verleidingen die er op hen afkomen. Ook bij een leven vanuit het geloof is onderwijs vanuit het Woord blijvend nodig!


Kreta en de Kretenzen

In het Oude Testament wordt Kreta al genoemd (Deut. 2:23, Jer. 47:4, Amos 9:7). Het draagt daar de naam Kafthor. De in de Bijbel genoemde Filistijnen (Psalm 87) kwamen van dit eiland. Het eiland werd bewoond door een onafhankelijke bevolking. Iedere stad streefde naar zelfstandigheid. Samenwerking was er vooral bij een aanval van een gezamenlijke vijand.

De havenplaats Kreta lag op het kruispunt van Azië, Afrika en Europa. Allerlei godsdiensten, filosofiën en geestesstromingen kwamen op dit eiland samen. De vermenging en wederzijdse invloed tussen deze stromingen werd later syncretisme genoemd.

Een term die nog steeds gebruikt wordt voor het samengaan van godsdiensten.

Dit artikel werd u aangeboden door: Jeugdbond Gereformeerde Gemeenten

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 november 1997

Mivo +16 | 24 Pagina's

2. De inhoud van de brief

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 november 1997

Mivo +16 | 24 Pagina's

PDF Bekijken