Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

2. Regels en hun betekenis

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

2. Regels en hun betekenis

19 minuten leestijd

Verschillende offersDe Joden ten tijde van het Oude Testament hadden in de offers voorbeelden van het offer van de Heere Jezus. Dat was de kern waar het in heel de offerdienst ; om ging. De Heere wilde Zijn volk daar steeds bij bepalen. De offerdienst was verweven met het dagelijks leven van de joden. Dat blijkt duidelijk uit de vele regels voor het brengen van offers.

Brandofferaltaar

Alleen al uit de namen blijkt dat er verschillende offers waren. Zo waren er het brandoffer, slachtoffer, spijsoffer, drankoffer, vuuroffer, vuloffer, zondoffer, schuldoffer, dankoffer, lofoffer en het gedenkoffer. Al deze offers moesten, geheel ol gedeeltelijk, op het brand-offeraltaar verbrand worden. Het vuur waarmee deze offers werden aangestoken, was bij het begin van de offerdienst door de Heere gegeven. Het mocht nooit uit- gaan en moest dus door de priesters onderhouden worden. Zij mochten alleen met dit vuur de offers aansteken.

Er zijn nog andere aanduidingen voor offers te vinden. Die kunnen betrekking hebben op onderdelen van offers, of ze geven bijvoorbeeld de aanleiding voor een bepaald offer weer. Te denken valt aan hefoffer, beweegoffer en gelofteoffer. Deze drie namen komen bij de bespreking van het dankoffer aan de orde.

Verflichte offers

De aanleiding voor het brengen van een offer kon heel verschillend zijn. In de eerste plaats waren er verplichte offers die door de Heere voorgeschreven waren. De priesters brachten deze in de tabernakel en vertegenwoordigden daarbij het hele volk. Deze offers moesten op vaste tijden en bij bepaalde gelegenheden gebracht worden. Zo was er het morgen- en avondoffer, er waren de offers op de sabbat, de nieuwe maan en de feestdagen. Een offer dat jaarlijks terugkeerde was het offer op de Grote Verzoendag.

Daarnaast waren er offers die door de enkeling gebracht moesten worden. Dat was bijvoorbeeld het geval wanneer een Israëliet onrein geworden was. Onrein werd iemand bijvoorbeeld door het aanraken van een dood dier. Hij moest dan een offer brengen om weer rein te worden. Het kon ook zijn dat iemand een bepaalde zonde gedaan had. Het ging dan om zonden die gedaan waren uit onkunde of dwaling. De zonde was dus niet opzettelijk gedaan. Wanneer men een zonde had gedaan zonder het te weten en men kwam daar achter, dan moest er een zond- of schuldoffer gebracht worden. Deze offers worden apart besproken in hoofdstuk 4.

Vrijwillig

Er waren ook offers die vrijwillig gebracht werden Zij werden gebracht door de enkeling. Voorbeelden van vrijwillige offers zijn het brandoffer en het daarbij behorende spijsoffer.

Eventueel kon daar ook een dankoffer aan toegevoegd worden. Een dankoffer kwam ook als een zelfstandig offer voor. Brandoffers kwamen, zoals gezien in het eerste hoofdstuk, ook al voor bij Abet en Kaïn, job en anderen. Het brand-, spijs- en dankoffer zoals ze zijn ingesteld bij de Sinaï komen in hoofdstuk 3 aan de orde.

Offers van dienen

Als een Israeliet een offer bracht, was hij daarbij gebonden aan bepaalde regels. De Heere had precies aangegeven welke offers voor Hem aangenaam waren en welke niet. Als iemand dus dacht op zijn eigen manier God te kunnen dienen, had hij het mis.

Eigenwillige godsdienst is ook nu niet aangenaam voor de Heere. Hij wil dat mensen Hem gehoorzaam zijn en Hem dienen naar Zijn wil.

Voor offers van dieren golden de volgende regels. Het dier moest rein zijn, en van de kudde (Lev.1:2; Deut.14). Dat wil zeggen dat het iemands eigendom moest zijn. Men kon ook een offerdier kopen; dan was het zijn eigendom geworden. Dieren die geofferd mochten worden, waren koeien, schapen, geiten en duiven. De duiven moesten jonge gewone duiven of volwassen tortelduiven zijn. Een offerdier mocht niet voor verkeer

Een offerdier mocht niet voor verkeerde doeleinden gebruikt zijn, bijvoorbeeld voor afgoderij. Het moest ook onschuldig zijn. Dat wil zeggen dat het geen mens gedood mocht hebben. Verder moest het dier een bepaalde leeftijd hebben (Lev.22:27).

In de praktijk kwam het er op neer dat offerdieren ouder dan een maand en jonger dan drie jaar (stier) of twee jaar waren (schaap of geit). Tenslotte moesten de offerdieren zonder gebrek zijn, volkomen gaaf (Lev.22; Deut.1 7).

Onbloedige offers

Als mensen te arm waren om een dier te kunnen offeren, konden zij volstaan met het offeren van meelbloem of groene aren. Dat was dan een zelfstandig offer. Meelbloem kon ook deel uitmaken van het spijsoffer. Dan moest er olie en wierook bij gedaan worden. Bovendien moest het spijsoffer altijd gezouten zijn. Zout heeft de eigenschap dat het bederfwerend is. Het zout bij het spijsoffer werd door de Heere het 'zout van het verbond' genoemd (Lev.2:1 3). In Numeri 18 vers 19 komt de aanduiding 'eeuwig zoutverbond' voor, evenals in 2 Kronieken 13 vers 5. Het zout bij het offer is dus een herinnering aan het verbond der genade, dat de Heere voor eeuwig gesloten heeft met Zijn volk.

Het kwam ook voor dat er wijn geofferd werd. Dat was dan geen zelfstandig offer, maar een plengoffer, behorend bij een offer van dieren Wat niet op het altaar mocht komen was zuurdeeg en honing. Het zuurdeeg van toen is de gist van nu. Het was een beetje deeg wat door bederf was gaan gisten en nieuw deeg kon laten rijzen. Bij het lofoffer (een dankoffer) hoorden weliswaar ook gezuurde broden, maar deze waren voor de priester en de offeraar om te eten. Zij mochten niet op het altaar komen.

2.2 Betekenis van het offeren

Als een Israeliet een offer bracht, dan moest hij dus rekening houden met allerlei voorschriften. Zoals gezien hadden de offers echter alle hetzelfde doel, namelijk heenwijzen naar het offer van de Heere Jezus. Op welke manier waren de offers nu een afbeelding van Hem? Voor het beantwoorden van deze vraag zijn aanknopingspunten te vinden in het Oude en Nieuwe Testament.

Een dien zonder gebrek

De Israëliet die bij de deur van de voorhof van de tabernakel kwam om te offeren had zich (als het goed was) ervan verzekerd dat het dier volkomen gaaf was. Er mocht immers geen gebrek aan zijn. In 1 Petrus 1:19 wordt de Heere jezus vergeleken met een lam waar geen lelijke plek of misvorming aan te zien was. De volkomenheid van het offerdier wees heen naar de volkomenheid van de Heere Jezus als Offerlam. Hij had nooit zonde gedaan; er was ook niets zondigs in Hem. Hij was volmaakt in heel Zijn doen en laten.

Plaatsvervanging

Als de offeraar bij de priester kwam die bij het altaar dienst deed, moest hij zijn hand op de kop van het dier leggen en er zwaar op leunen. Dat bete kende dat het offerdier de plaats innam van de offeraar. Bij het zondoffer bijvoorbeeld ging het om vergeving van de zonde. Het offerdier kreeg de straf die de offeraar verdiend had. Het moest sterven in plaats van de zondaar zelf. Dit is ook duidelijk te zien bij het offer op de Grote Verzoendag. Daar hoorden twee bokken bij. De ene kreeg door handoplegging symbolisch de zonden van het hele volk op zich geladen. Hij werd daarna weggestuurd in de woestijn. Deze bok was daarin een voorbeeld van de Heere Jezus, van Wie Johannes zei: "Zie het Lam Gods, dat de zonden der wereld wegneemt" (Joh. 1:29). De andere bok moest buiten de legerplaats gedood worden. Hij nam de plaats in van het volk, dat eigenlijk zelf de doodstraf verdiend had. Nu ging het volk echter vrijuit. In Jesaja 53 wordt al voorzegd dat zo de Messias de plaatsvervanger zal zijn van allen die echt in Hem geloven: "De straf, die ons de vrede aanbrengt was op Hem en door Zijn striemen is ons genezing geworden". In 2 Korinthe 5 vers 21 staat dit duidelijk van de Heere Jezus vermeld. God heeft Zijn Zoon de zonden van Zijn kinderen toegerekend, en Zijn kinderen de gerechtigheid van de Heere Jezus.

Het bloed als voorbeeld

Het was de Israëlieten altijd en overal verboden om bloed te eten. Het bloed symboliseerde het leven. De Heere had tegen het volk gezegd dat het bloed diende om verzoening te doen over de zonde (Lev. 17:11). Zonder bloedstorting kon er geen vergeving geschonken worden (Hebr.9:22). Het was echter niet zo dat het bloed van stieren en bokken werkelijk vergeving van de zonde kon bewerken (Hebr.10:4). Het was een voorbeeld van het bloed van de Heere Jezus. Zijn offer zou werkelijk voldoende zijn om vergeving van de zonden aan te brengen (Rom.3:25; Ef.1:7; Hebr.9:12,14). Bij Zijn hemelvaart is Jezus teruggekeerd tot Zijn Vader in de hemel. Dat was mogelijk doordat Hij Zijn bloed gegeven had (Hebr.9:11,12). Daarom is het nu ook mogelijk voor de gelovigen om bij hun sterven de hemel binnen te gaan. Onder het Oude Testament hield het voorhangsel van de tabernakel de mensen als het ware tegen: zij mochten het heilige niet binnengaan. Dat mocht alleen de priester. Het Heilige der heiligen mocht zelfs maar een keer per jaar betreden worden, en dan slechts door de Hogepriester. Hij mocht alleen met bloed naar binnen gaan (Hebr.9:25). Maar nu mogen alle ware gelovigen op grond van het bloed van de Heere Jezus met vrijmoedigheid toegaan (Hebr.10:19-22). Dat wil zeggen dat zij tijdens hun leven door het gebed tot God mogen naderen en bij hun sterven bij Hem in de hemel mogen komen. Er is echter ook een keerzijde. In Hebreeën 10 vers 29 volgt een waarschuwing voor allen die geen gebruik maken van het bloed van Jezus, door het geloof. Zij achten het bloed van Jezus onrein en zullen daarom zelf hun straf moeten dragen.

Een liefelijke reuk

Van het brand-, spijs- en dankoffer staat dat zij geofferd werden tot een liefelijke reuk voor de Heere (o.a. Lev.1:1 3). De uitdrukking 'liefelijke reuk' had niets te maken met een aangename geur die van het offer zou opstijgen. Er werd immers een dier verbrand. Dat zal eerder een typische brandlucht veroorzaakt hebben. Het betekende dat God een welgevallen in het offer had. De Heere was verblijd als Hij zag dat mensen Hem gehoorzaam waren op Zijn bevel. Hij had immers bevel gegeven tot de offerdienst. Zie Ezechiël 20 vers 40 en 41. Ook had Hij behagen in de verzoening die door middel van de offers afgebeeld werd. Door het offer van Zijn Zoon kon de relatie tussen Hem en Zijn volk hersteld worden.

Bij het spijsoffer hoorde niet alleen meel en olie, maar ook wierook. De wierook werd, samen met een gedeelte van het meel en de olie, verbrand op het brandofferaltaar. Het was een symbool voor het gebed van Gods kinderen. David bidt in Psalm 141 vers 2: "Mijn gebed worde gesteld als reukwerk voor Uw aangezicht, de opheffing mijner handen als het avondoffer". Ook in Openbaring 8 vers 4 wordt de rook van reukwerk in één adem genoemd met de gebeden van Gods kinderen. Maar het reukwerk was ook een voorbeeld van het bidden dat Christus doet in de hemel, namelijk voor Zijn volk. Hij is de grote Hogepriester (Ps.110:14, Hebr. 5:5,6; Hebr.2:7; Hebr.9:11,12). Zoals de (hoge)priester offerde, zo heeft Christus als Hogepriester Zichzelf geofferd (Hebr.10:10,14). En zöals de priesters voor het volk baden en het zegenden, zo bidt Christus voor Zijn volk (1 Joh.2:1).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 december 1997

Mivo +16 | 24 Pagina's

2. Regels en hun betekenis

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 december 1997

Mivo +16 | 24 Pagina's

PDF Bekijken