Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

4. Offers tot verzoening

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

4. Offers tot verzoening

15 minuten leestijd

De twee offers die in dit hoofdstuk aan de orde komen, zijn het zondoffer en het schuldoffer, Deze offers zijn niet tot een liefelijke reuk voor de Heere, zoals de offers, besproken in hoofdstuk 3. Deze twee offers dienen tot verzoening, als er sprake is van bedreven zonden.

Herhaaldelijk is dat te lezen in Leviticus 4, o.a. in vers 35: "en de priester zal voor hem verzoening doen over zijn zonde, die hij gezondigd heeft, en het zal hem vergeven worden". Het gaat hier dus over offers van de individuele Israëliet. Deze Moesten, behalve na bepaalde zonden, ook gebracht worden bij onreinheid. Daarnaast werden er zondoffers gebracht op de grote leesten. Deze vallen hier buiten beschouwing.

4.1 Het zondoffer

Het zondoffer moest gebracht worden als Iemand was 'afgedwaald van Gods geboden' (Lev. 4. 1). Het ging om zonden die bedreven waren uit onbedachtzaamheld of onwetendheid. Iemand was er zich dus niet van bewust, dat hij zondigde. Het kon zijn dat iemand anders hem er op wees, of dat hij er zelf achter kwam. Het kon bijvoorbeeld gebelilpen dat een Israëliet per ongeluk iemand doodde. Ook al was dat onopzettelijk gebeurd, er was verzoening nodig. Ook als iemand niet wist dat hij iels verkeerds deed, en erachier kwam, moest hij een zondoffer brengen, Er was dus geen verontschuldiging mogelijk. Het zondoffer bestond in het offeren van een dier. Het blond van het dier moest verzoening bewerken tussen God en de zondaar (Lev.17:11).

Het offer

Welk offer er gebracht moest worden als zondoffer, was afhankelijk van de positie van de offeraar. Het was dus geen offer naar vermogen, zoals bij het brandoffer. Hel offer werd bepaald door de plaats die iemand in het volk innam. Er waren vier mogelijkheden: de hogepriester, het volk als geheel, een overste uil het volk of een gewoon lid van het volk. Als de hogepriester gezondigd had, of het hele volk, dan moest er een stier geofferd worden. Van een overste werd een geitebok gevraagd, en van een gewone man een geit of een lam.

Gang van zaken

De hogepriester die gezondigd had, moest met de jonge slier in de voorhol komen, vlakbij de tabernakel. Hij leunde met zijn hand op de kop van het dier, en beleed zijn zonde. Daarna doodde hij hel dier en ving het bloed op in een s( haal. Daarmee ging hij het heilige binnen en sprenkelde daarvan zevenmaal voor het gordijn lussen liet heilige en het heilige der heiligen. Hij slroek ook bloed aan de hoornen van het reukaltaar, en de rest van het bloed goot hij uit pp de grond bij het brandofferaltaar.

Het vet en de nieren werden op hetzelfde altaar verbrand. De rest van het dier werd vervolgens buiten de legerplaats, op een speciale 'heilige' plaats, verbrand (Lev.4: 1-12).

Het hele ritueel was hetzelfde als het volk gezondigd had. Alleen moesten dan de oudsten van het volk hun handen op de kop van het dier leggen en de zonde belijden.

Als er een overste gezondigd had en er dus een geitebok geofferd werd, moest de priester het bloed strijken aan de hoornen van het brandofferaltaar. De rest van het bloed werd weer uitgestort aan de voet van dit altaar. Het vlees van de bok mocht door de priesters gegeten worden in de voorhof.

Een gewone Israëliet moest een geit of een lam offeren. Hier mocht dus een vrouwelijk dier het offer zijn. Verder ging alles hetzelfde als bij het offer van een overste.

Betekenis

Het zondoffer is een offer om verzoening te doen over onopzettelijke zonden. Elke zonde moet voor de Heere beleden worden en het bloed van het offerdier dient tot vergeving van de zonde. Het wijst heen naar de Heere Jezus, Die tot zonde gemaakt is, terwijl Hij Zelf geen zonde gekend heeft, noch gedaan (2Kor.5:21). Hij neemt de plaats in van schuldige zondaars en draagt voor hen de straf op hun zonde. Hij maakt ook dat zij weer in een verzoende verhouding met God kunnen leven.

4.2 Het zondoffér

Evenals het zondoffér heeft het schuldoffer met zonde te maken, maar op een andere manier Het zondoffer werpt met name licht op de zondige natuur van mensen, op de zonde als macht in hun leven. Bij het schuldoffer ligt de nadruk meer op het doen van boete en herstellen van gemaakte schuld tegenover God en mensen.

Het offer

Het schuldoffer bestond altijd in een ram. Als het ging om een overtreding tegen de Heere (men had bijvoorbeeld vergeten de tienden van een deel van zijn inkomen aan de Heere te geven), dan moest er eerst een ram geofferd worden. Daarna moest men de waarde in geld van wat men aan God verschuldigd was, betalen. Daar kwam nog een boete bij van een vijfde deel van iemands schuld.

Had men echter een zonde tegen de naaste bedreven, dan was het precies andersom. (Vanzelfsprekend was dat ook zonde tegenover God, maar met een ander accent.) Men moest dan eerst belijdenis doen, daarna de gemaakte schuld vergoeden en een boete betalen, en dan offeren.

De offeraar moest de ram zelf doden Het bloed van de ram werd rondom op het altaar gesprengd. Op het altaar werden verbrand: het vet van het ingewand en van de staart, de beide nieren en hun vet, en het vlies over de lever. Het overige van het dier mocht door de priesters gegeten worden in de voorhof.

Betekenis

Bij het zond- en schuidoffer staat de gedachte centraal dat de offeraar zijn zonde zelf moet belijden. Het gaat om aanwijsbare zonden, die daadwerkelijk bedreven zijn. De offers wijzen, zoals alle offers, heen naar het offer van de Heere Jezus. Door Zijn offer is het mogelijk geworden dat God zonden vergeeft. Het refrein in Leviticus 4 luidde dat de beleden zonde vergeven zou zijn na het brengen van een offer. Zo geldt in het Nieuwe Testament: "Indien wij onze zonden belijden, God is getrouw en rechtvaardig, dat Hij ons de zonden vergeve, en ons reinige van alle ongerechligheid" (1 Joh. 1:9). Op het belijden van de zonde volgt voor Gods kinderen vergeving van de zonde, op grond van het offer van Christus. Uiteraard is dit niet anders mogelijk dan door het geloof. Het zond- en schuldoffer symboliseren dat de breuk met God, die door de zonde ontstaan was, weer geheeld kan worden. Zo is nu door het geloof in de Heere jezus vergeving van de zonde mogelijk en herstel van de verhouding met Hem.

Daarnaast laat de gang van zaken bij het schuldoffer zien dat de schuld tegenover God en de naaste, waar mogelijk, betaald moet worden. Voor het Nieuwe Testament gelden de regels van het schuldoffer niet meer. Daar staat tegenover dat God vraagt om Hem lief te hebben boven alles en de naaste als zichzelf (Matth.22:37-39). Die eis geldt nog steeds. Dat betekent dat men zijn naaste moet behandelen zoals men zelf graag behandeld zou willen worden. De volgorde: eerst belijden en dan offeren komt ook voor in de Bergrede. Daar zegt de Heere jezus: "Zo gij dan uw gave zult op het altaar offeren, en aldaar gedachtig wordt, dat uw broe der iels tegen u heeft; laat daar uw gave voor het altaar, en gaat heen, verzoent u eerst met uw broeder, en komt dan en olfert uw gave" (Matth.5:23,24). Er moet dus herstel plaatsvinden van het kwaad. Met andere woorden: er is behalve belijdenis ook bekering nodig. Daaruit valt de oprechtheid van de belijdenis af te lelden Zie het voorbeeld van Zacheus. Hij gal vierdubbel terug wat hij ten onrechte verkregen had (Luk. 19:8).

Tot slot

De ceremoniële wet is vervuld door Christus. Er hoeven geen (bloedige) offers meer gebracht te worden. Zijn offer was voldoende. Hij verwierf alles wat nodig was tot Gods eer en de zaligheid van allen die werkelijk in Hem geloven.

Ten tijde van het Oude Testament herinnerden de offers in de tabernakel en later de tempel voortdurend aan het offer van Christus dat gebracht zou worden. Nu, in de Nieuwtestamentische tijd, worden Gods kinderen op een andere manier gewezen op het offer van Christus, namelijk door middel van de sacramenten. De Heilige Doop en het Heilig Avondmaal vormen beide een zichtbare verkondiging van het Evangelie. In tegenstelling tot de offers gebeurt dat op een onbloedige manier. Het zijn waartekenen en zegels, door God ingesteld. Hij wilde dat Zijn kinderen door het gebruik ervan de belofte van het Evangelie des te beter zouden begrijpen. Die belofte luidt dat God allen die in Christus en Zijn offer geloven, vergeving van hun zonden en het eeuwige leven uit genade schenkt (HC antw.66).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 december 1997

Mivo +16 | 24 Pagina's

4. Offers tot verzoening

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 december 1997

Mivo +16 | 24 Pagina's

PDF Bekijken