Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Kant, de emancipatie en de wrange vruchten van de Verlichting

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Kant, de emancipatie en de wrange vruchten van de Verlichting

22 minuten leestijd

De Duitse filosoof Immanuel Kant (1724-1804) sprak de befaamde zinnen: “Verlichting is het uittreden van de mens uit de onmondigheid die hij aan zichzelf te wijten heeft” en “Onmondigheid is het onvermogen zich van zijn verstand te bedienen zonder de leiding van een ander.” Als er ergens een grondslag voor het moderne emancipatie-denken gelegd is, dan wel in deze gevleugelde woorden.

Het werk van Kant is geen gemakkelijke kost, maar wel van belang om inzicht te krijgen in de achtergronden van de moderne cultuur waarvan we, of we het nu willen of niet, deel uit maken. Zijn ideaal van de autonome mens de mens die zichzelf tot wet is is van fundamentele invloed geweest tot op de dag van vandaag.

Worsteling met dogmatisme

Kants befaamde Kritiek van de zuivere rede, gepubliceerd in 1781, vormde de neerslag van een filosofische ontdekkingstocht naar de aard en de grenzen van menselijke kennis. Kant wilde met zijn kritiek een antwoord bieden op de situatie dat in het tijdperk van de Verlichting de mens steeds meer het besef gevoelt dat hij vrij is om voor zichzelf te beslissen wat waar en nastrevenswaardig is. Kant zag hoe de wetenschap, de cultuur en de maatschappij van zijn tijd zich probeerden te ontworstelen aan ieder theoretisch, moreel en religieus dogmatisme. Er was in de tweede helft van de achttiende eeuw een strijd van het moderne denken tegen traditionele wereldbeelden. De belangrijkste discussie betrof de relatie tussen geloof, rede en wetenschap.

Hierbij waren er drie kampen. Het eerste werd vertegenwoordigd door de filosoof Christian Wolff, aanhanger van de traditionele metafysica (wetenschap die zich bezint op de oorsprong van de zintuiglijke werkelijkheid). Het tweede kamp bestond uit piëtistische theologen. Zij benadrukten dat geloof aan het gevoelsleven ontspringt, beschuldigden Wolff ervan de vrije wil te ontkennen en zagen zijn rationalisme als opmaat naar atheïsme. De derde groep bestond uit filosofen die beïnvloed waren door empiristen zoals John Locke en David Hume. Zij legden het accent op de ervaring en stonden sceptisch tegenover de speculaties van de bestaande metafysica.

Kant wilde een einde maken aan de botsing tussen deze groepen. Hij wees natuurwetenschap en metafysica elk hun eigen terrein toe. Tegelijkertijd maakte hij ruimte voor een moreel en religieus wereldbeeld dat niet langer hoefde te concurreren met wetenschap of metafysica. Kant stelde dat de natuur zich richt naar ons kenvermogen, in plaats van omgekeerd. Hij noemde dat een copernicaanse wending. Zoals Copernicus de waargenomen bewegingen in het heelal niet zocht in de voorwerpen van de hemel maar in de toeschouwers, zo zocht Kant de basisvoorwaarden voor het kennen van de natuur niet in de dingen buiten ons, maar in onszelf.

Grondeloze optimist

Kant betoogde dat kennis beperkt blijft tot het domein van de ervaring, en dat we geen kennis in eigenlijke zin kunnen hebben over de ziel, de wereld als geheel en God, Die de ervaring te boven gaat. Maar de realiteit van die begrippen kunnen we ook niet weerleggen. Zo maakte hij ruimte vrij voor ethiek en religie. Kant verwierp de metafysica niet, het nadenken over God, ziel en onsterfelijkheid, maar probeerde inzicht te verschaffen in haar onvermijdelijke grenzen. In de Kritiek van de praktische rede betoogde Kant dat we als moreel handelende wezens boven de zintuiglijke ervaring uitstijgen en deel hebben aan de wereld van de bovenzintuiglijke ideeën: de ziel, de wereld en God.

Van Kant is de bekende uitspraak dat hij het weten wilde opheffen om voor het geloof plaats te maken. Maar Kant bleef een grondeloze optimist als het gaat om de kracht van de rede en het bestaan van de goede wil. Hij zegt dat er nergens ter wereld, en zelfs niet daarbuiten, iets denkbaar is wat zonder enige beperking voor goed kan doorgaan dan een goede wil.

Toch is volgens hem de mens van nature slecht. Niet zomaar door gebrek aan het goede, maar door een radicale kwaadaardigheid (radikal Böse), een fundamenteel menselijk tekort. Desalniettemin verwerpt Kant de erfzonde, omdat hij ervan uitgaat dat het kwaad niet in staat is de kern van de goedheid aan te tasten die de mens van nature is meegegeven. De verdorvenheid van de mens bestaat alleen in de willekeurige neiging naar stelregels te handelen waarin zedelijke motieven ondergeschikt worden gemaakt aan andere, niet-zedelijke motieven. Bij Kant blijft religie een rationele, morele religie die uitsluitend de morele bestemming van de mens dient. Als moreel wezen heeft de mens besef van zijn onaantastbare waardigheid, die volgens Kant gelegen is in de zedenwet. Deze moet de mens onvoorwaardelijk gehoorzamen, zonder dwang van buitenaf. Kant spreekt wel over Christus, maar Deze is voor hem geen goddelijk Persoon, maar de personificatie van de zuiver morele gezindheid en volkomenheid van de mens.

Invloed

Wie het werk van Kant leest, maakt kennis met een denkwijze die tot op de dag van vandaag niet alleen de cultuur en de samenleving maar ook de kerk en de theologie stempelt. De gedachte van de autonomie (contra heteronomie: het zich normeren door wetten van een ánder), de rede als gezaghebbende instantie ten aanzien van de openbaring, de nadruk op het kennend subject (tegenover de werkelijkheid), zijn voor een belangrijk deel aan het gedachtegoed van Kant ontleend. Een discutabele zaak is dat filosofen als Kant en later Hegel zich beroepen hebben op de Reformatie als de periode waarin de vrijheid en mondigheid van het subject ten volle aan het licht werden gebracht. De Duitse cultuurfilosoof Ernst Troeltsch heeft gewezen op de betekenis van het protestantisme voor het individualisme en de autonomie, de bevrijding en emancipatie van het seculiere leven op tal van terreinen (beroep, economie, wetenschap, mensenrechten, gewetensvrijheid), mede vanwege de losmaking van de alles overkoepelende kerkelijke cultuur. Terecht is veel kritiek op deze these gekomen. De Reformatie heeft het aardse leven wel bevrijd van de oppermacht van kerk en paus, maar dit tegelijkertijd onderworpen aan de normen van Gods Woord. Er is een bepaalde lijn door te trekken van de Reformatie naar de Verlichting als een proces van toegenomen vrijheid en mondigheid, maar men kan met meer recht de Verlichting zien als een secularisatie van de intentie van de Reformatie. De wetenschap en de cultuur hebben zich in deze periode niet alleen van de kerk geëmancipeerd, maar ook van God en geloof. Daarom kan de Verlichting gezien geworden als de bron of voorloper van de Franse Revolutie. De vrijheid die de Reformatie heeft ontdekt en openlijk heeft beleden, is tot uitwerking gekomen in de gebeurtenissen van 1789, met alle gevolgen van dien. De filosofische achtergronden en de maatschappelijke gevolgen van deze ontwrichtende maatschappelijke en culturele emancipatiebeweging zijn scherp bekritiseerd door christen-denkers als Groen van Prinsterer en W. Aalders waar we hier verder niet op in kunnen gaan.

Antigodsdienstig

In onze tijd is het vooral de Britse historicus Jonathan Israel geweest die in tal van standaardwerken een relatie heeft gelegd tussen de Verlichting en de emancipatie van mens en burger op tal van terreinen. Fundamentele mensenrechten, in de zin van individuele vrijheid, gelijkheid, vrijheid van denken en meningsuiting en democratie, waren volgens hem gedurende het tijdperk van de Verlichting onlosmakelijk verbonden met radicaal filosofische standpunten die elk ingrijpen van God in het leven ontkenden. Hij juicht deze ontwikkelingen alleen maar toe. Een filosofie die de goddelijke voorzienigheid uitsluit, is volgens hem per definitie beter uitgerust om beweringen dat onze wereld in de greep wordt gehouden door zelfzuchtige en onderdrukkende elites en dat ze fundamenteel wanordelijk is, te onderschrijven, dan een filosofie die van mening is dat de morele, maatschappelijke, politieke en fysieke orde ontworpen is aan een hogere intelligentie. Een veelzeggend citaat: “Een filosofie die ontkent dat de bestaande orde is geschapen en ontworpen en geleid wordt, en die tegelijkertijd volhoudt dat de rede een betere maatschappelijke en morele orde kan bedenken, zal daarom altijd meer aantrekkingskracht uitoefenen op regelrechte tegenstanders van priesterlijke machtsuitoefening, intolerantie, achterhaalde wetten, economische ongelijkheid, slavernij, monarchie, godsdienstige, seksuele en raciale discriminatie en aristocratie dan welk theologisch of gematigd verlicht systeem ook.” Israel laat zien hoe “de revolutie van het denken” de westerse wereld tussen 1760 en 1789 fundamenteel veranderde. Zij is een van de meest beslissende wendingen geweest in de geschiedenis van de mensheid. Israels optie is een onverbloemde verheerlijking van de Verlichting die hij verdedigt tegenover het postmodernisme, dat kritisch is naar de Verlichting en verwantschap toont met hen die in de tachtiger jaren van de vorige eeuw al spraken van “de dialectiek van de Verlichting” (de onderdrukkende gevolgen van de rede, onder meer in de politieke ideologieën).

Israel heeft geen oog voor de gedachte dat de mensenrechten ook vruchten zijn die opbloeiden op de akker van het christelijk denken. Daarin schemert immers iets van de uniciteit van de mens als beelddrager van God, die niet aangetast kan worden door welke menselijke autoriteit of macht. Zelfs Groen van Prinsterer, dé strijder tegen het ongeloof van de Franse Revolutie, heeft gewezen op het feit dat grondwettelijke vrijheden vruchten van de christelijke openbaring zijn, Bijbels verankerd en gelegitimeerd. Alleen ontwikkelen deze zich desastreus wanneer ze losgemaakt worden van de openbaring. Dat geldt ook voor de gedachte van emancipatie, die in onze tijd antigodsdienstig is geworden en zich tegen God keert.

Reactie op verlichting

Zijn wij als moderne westerlingen werkelijk geëmancipeerd? Vanaf de jaren zestig van de vorige eeuw is er een wijdverbreide emancipatiebeweging gaande op tal van terreinen. Iedereen wilde ‘vrij’ zijn, van alle vormen van gezag, van kerk, staat, God en moraal. Maar wat heeft dit alles de samenleving gebracht? We zien steeds meer de gevolgen van een negatief vrijheidsbegrip. Er is immers niet alleen een vrijheid van maar ook een vrijheid tot, zoals de Joodse denker Isaah Berlin meesterlijk uiteen heeft gezet in zijn boek Two Concepts of Liberty (1969).

De Verlichting heeft geleid tot de gedachte van de algehele maakbaarheid en beheersbaarheid van mens en wereld. Het gevolg is een eenzijdig rationele benadering van het leven, ten koste van zinvolle relaties, wijsheid, de diepe zin van de emoties, de immateriële wereld van zingeving, kortom, van alles wat echt belangrijk en waardevol in het leven kan zijn. We komen deze kritiek tegen in twee recente boeken van Govert Buijs over arbeid en het goede leven. In het kielzog van de Verlichting is het kapitalisme en het neoliberalisme gekomen dat alles zette op de kaart van hebzucht en welvaart. De Westerse samenleving zucht onder de drievoudige druk van consumentisme, genotzucht en egoïsme. Mensen zijn individuele, rationele, calculerende consumenten geworden in plaats van waardegedreven en medeverantwoordelijke burgers.

De Verlichting heeft geleid tot een westers wereldbeeld van controlezucht, verstandelijkheid en superioriteit. Alles is gefocust op meer groei, ten diepste gestuurd door de mythe van de vooruitgang, het steeds beter en volmaakter worden. God heeft afgedaan, waardoor de mens alles uit deze wereld en uit dit leven moet halen. Deze neveneffecten hebben geleid tot existentiële angst en geestelijke armoede. We hebben alles, de techniek is tot alles in staat, tegelijkertijd worden we steeds ongelukkiger, zo blijkt uit de toename van depressiviteit en suïcide, gevallen van borderline en zingevingsproblemen. De mens is geobsedeerd door beheersing en zekerheid, maar weet niet meer om te gaan met tegenslag, de tragiek van het leven. Het moderne individu wordt geacht vrij te zijn en zijn eigen lot en leven in handen te nemen, maar het paradoxale beeld is juist het beeld van het uiterst kwetsbare individu dat op allerlei manieren beschermd en gesteund moeten worden. Is dit al les de vrucht van onze veelgeprezen mondigheid en emancipatie?

God dienen is vrijheid

In tal van studies zien we naar voren komen dat de Verlichting – met al het goede dat ze bracht, zoals verhoging van de levensstandaard, meer politieke vrijheid, democratie en waardering van mensenrechten – tegen haar grenzen aanloopt. De Verlichting heeft ten diepste geen vrijheid en geluk gebracht. Wie denkt meester en geëmancipeerd te zijn, is snel gedoemd slaaf te zijn. Er is echter ook een goede vorm van emancipatie, een bevrijding van verkeerde banden die de mens knechten. Zo mogen we de bevrijding van slavernij en van dictaturen zien als een geslaagde en wettige vorm van emancipatie. Vrijheid is een eigenschap dat fundamenteel is voor de mens als schepsel, geschapen naar het beeld van God. Met emancipatie als zodanig is niets mis, wel met een losgeslagen emancipatie, die alleen in het teken staan van dienst aan zichzelf, in plaats van aan de ander en aan God. Wie als schepsel zich in dienst stelt van de Schepper, is werkelijk geëmancipeerd, wetend dat de ware vrijheid alleen gelegen is in het leven overeenkomstig de Wet van God, die in Jezus Christus zijn nieuwtestamentische uitdrukking heeft gevonden. Dat fundamentele inzicht ben ik helaas niet bij Kant tegengekomen.

Dit artikel werd u aangeboden door: Wetenschappelijk Instituut voor de Staatkundig Gereformeerde Partij

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 mei 2019

Zicht | 112 Pagina's

Kant, de emancipatie en de wrange vruchten van de Verlichting

Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 mei 2019

Zicht | 112 Pagina's

PDF Bekijken