+ Meer informatie

Koeien met groene zeep in hun bek

Ex-smokkelaar: „Douane liet jeneverkruikje onder bijenkorf zetten"

7 minuten leestijd

VASSE — Smokkelen is bijna zo oud als de grens. Varkens, machines, koeien (met stro en groene zeep in hun bek om ze stil te houden), joden, Tamils, drugs en wapens. Alles wat de grens over moest en niet ongestraft over mocht, was geschikt om langs clandestiene sluipweggetjes toch die grens overgebracht te worden. Restauranthouder H. J. Masselink groeide op tussen de Twentse smokkelaars en smokkelde tientallen jaren lang driftig mee. „Oplichting van de Nederlandse staat? Nee, zo hebben we het nooit gezien".

„Je groeide er bij op, dus van spanning en angst had je niet zo veel last. Het begon al op jonge leeftijd. We moesten bij de grens zogenaamd op het land gaan werken. Als er onraad was, moest je gaan fluiten of zingen. Later mocht je meehelpen inet het over de grens sjouwen van de smokkelwaar.

Gesmokkeld werd er van alles. Goederen, machines. En vee, als er een prijsverschil was. Soms werden koeien of varkens het ene jaar ons 3and uitgesmokkeld omdat ze in jDuitsIand duurder waren, terwijl ze ahet volgende jaar ons land ingesmok^keld werden omdat de prijzen bij ons «weer hoger lagen. ' Betaalmiddel was kort na de oor'log altijd koffie. Daar hadden de •'Duitsers groot gebrek aan. Wij had•'den machines nodig, die zij weer vol,op hadden, omdat hun industrie na de oorlog nog lang niet stuk was. Een .«waterpomp kochten we toen voor 40 'Jpond koffie. Met mijn vader en mijn «broer ging ik dat ding halen. Met ^paard en wagen gingen we het wei«land in, zogenaamd om hooi te halen. Met de pomp moesten we eerst nog '200 meter door het bos lopen. Maar ,,wat was dat ding zwaar. Met veel •"moeite kregen we hem op de wagen.

Ploegen haalden we ook over de •grens. Met paard en eg gingen we naar het land, de eg lieten we staan en met het paard gingen we de grens over als we dachten dat de kust veilig was. De ploeg was door de Duitsers aan de rand van het bos klaargezet. Dus het paard ervoor en al ploegend weer terug de grens over. En als je daar eenmaal overheen was, konden ze je niets meer maken. We gingen ook wel met paard en wagen naar de grens, zetten bij de grens een tweede (Duits) paard voor de wagen, en zo ging het weer van de grens vandaan.

Bij ons thuis stonden eens vijf wasteilen vol honing op de deel. De volgende morgen waren ze weg. Je begrijpt wel dat die niet leeggegeten waren".

Groene zeep

„De beste tijden om te smokkelen waren het begin van de middag, als de douanepatrouilles afgelost werden, en de „uilenschemer", als het donker begon te worden. Vooral 's zomers viel het minder op, omdat er veel boeren op het land aan het werk waren. Een smoesje was gauw verzonnen.

De dieren die over de grens gesmokkeld werden, moesten stilgehouden worden. Je bond ze dan een halster om de kop en goed strak om de snuit. Voor de oorlog werden er hele koppels over de grens gedreven. Die loeien altijd als ze op een vreemde plek lopen, dus kregen ze een strozeel van lange roggearen door de bek. Die zeel was ingesmeerd met groene zeep. Die beesten hadden het dan zo druk met kauwen, dat ze het blèren wel lieten.

Altijd moest je op je hoede zijn en eerst kijken of er geen douaniers in de buurt waren. Kort na de oorlog waren er veel patrouilles. Achternagezeten ben ik nooit. Het is wel eens op het nippertje geweest. Een keer hadden we een stier aan een touw. Ik liet dat beest vlak voor een heuvel staan en ging even over het randje kijken of de kust veilig was. Daar zag ik echter een licht dat bewoog. Er bleek een auto te staan waarin net douaniers stapten die op patrouille waren geweest. Ik heb tien minuten gewacht en ben toen met de stier de grens overgegaan".

Te slim af

„Na de Eerste Wereldoorlog werd de douane vervangen door grenssoldaten, maar die smokkelden zelf zo veel, dat er al gauw weer douane kwam. En die deed alle moeite om de smokkelaars op heterdaad te betrappen. Maar dat viel niet mee. Sommigen werden gepakt, maar de meesten ontsprongen de dans. Knechts of boerenzoons (bij huisvaders gebeurde het zelden) moesten soms in staat van beleg. Dan moesten ze een bepaald aantal kilometers van de grens afblijven. „Achter het spoor blijven" noemden we dat, en dat spoor was de lijn Bentheim-Oldenzaal-Hengelo-Almelo-HardenbergDuitsland. Alleen voor bijzondere familieaangelegenheden kon je een dagvergunning krijgen. zag douaniers aankomen en zei tegen zijn broer: „Heb jij niets te verbergen?" Geen van beiden bleek clandestien spul in huis te hebben. De douaniers kwamen, een van hen liep naar een bijenkorf (alle boeren hielden hier bijen), tilde die op en haalde er een kruikje jenever onder vandaan. De broers kregen een boete, terwijl ze niet eens wisten waar die jenever vandaan kwam. Jaren later werden ze eens bij een boertje geroepen dat op sterven lag. Die vroeg vergeving, want hij had voor de douane dat kruikje onder die korf gezet. Als beloning had hij 10 gulden gekregen.

De douane kon ook op vermoeden straffen. En als het hun niet lukte, namen ze soms de toevlucht tot minder nette methoden. Er waren eens twee broers van wie ze zeker wisten dat die smokkelden. Maar ze konden hen nooit te pakken krijgen. Op een keer lag een van hen ziek te bed. Hij

Het ging hier trouwens nooit zo gewelddadig toe als bij de botersmokkel bij de Belgische grens. Daar werd geschoten, met kraaiepoten gesmeten en met gepantserde wagens gereden. Zo deden wij het hier nooit. We probeerden de douaniers na

Jodensmokkel

Een apart verhaal vormde de Jodensmokkel, waarbij heel andere drijfveren dan winstlwjag een rol speelden. Tientallen joden gingen clandestien de grens over. Een aantal van hen vluchtte later verder naar Engeland of Amerika, omdat het oorlogszwaard ook in Nederland dreigde toe te slaan.

Masselink: „We zaten tot 1937 op een boerderij in Duitsland, die maar enkele tientallen meters van de grens stond. De douane was daar inmiddels vervangen door de "bruinhemden". Eind 1936 werden de nazi's zo fel, zo gek, dat mijn vader dacht: Ze zijn hier niet meer wijs. Het was één grote hetze. Daarom wilde hij naar Holland".

In de voorafgaande jaren waren het geen koeien en varkens, maar joden die (vanaf eind 1934) over de grens gesmokkeld werden. „Een notaris in Tubbergen was getrouwd met een Duitse jodin. Hij vroeg mijn vader haar familie over de grens te heipen. Vader haaide ze op in zijn Adier, een grote auto met houten spaken in de wielen. Ze moesten in de hal van een station of hotel een krant lezen of opzichtig dragen. Mijn vader bracht ze dan voor 25 mark de grens over. Sommigen waren bijna platzak, anderen hadden zware koffers vol goudgeld bij zich.

Het was hier toen nog een echt pettenland. Mijn vader en de twee Duitsers die hem hielpen liepen eens in de stad toen een van die Duitsers zei: ..Hé. ze dragen hier allemaal hoeden. Zo vallen we veel te veel op. Ze zijn toen de eerste de beste hoedenzaak ingedoken en hebben daar hoeden gekocht. Daarna hebben ze eerst vijf minuten om zichzelf gelachen.

Op een keer kwamen mijn vader en een Duitse helper terug in zijn AdIer toen er vlakbij zijn boerderij een paar bruinhemden op de weg sprongen. Vader had drie joden achterin, dus hij wilde niet stoppen. Hij deed zijn raampje open. schreeuwde: ..Heil Hitler" en vloog erlangs. De weg boog om het huis heen. Aan de achterkant laadde vader snel de joden uit, die naar de grens holden. Het duurde maar even en daar kwamen de bruinhemden aandraven. Hijgend vroegen ze waarom vader niet gestopt was. ..O", zei die. „ik dacht dat jullie de Hitlergroet brachten..."

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.