+ Meer informatie

Valerius is weer vergeten

Alva grootste boosdoener in "Nederlandtsche Gedenck-clanck"

8 minuten leestijd

Adriaen Valerius werd vooral bekend door liederen als "Merck toch hoe sterck" en "Com nu met sang van soete tonen". De Veerse notaris schreef de "Nederlandtsche Gedenck-clanck", een bundel met 76 liederen. Opvallend is dat niet de Spaanse koning Filips II, maar de hertog van Alva de schurk is. "Gods goetheyt wesen moet vertelt, Die haest wel van Ons keren kan Duc d' Alve den Tyran."

In het vestigingstadje Veere herinnert niet veel aan Valerius. De Veerse buitenwijk Zanddijk is een Valeriusstraat rijk. Vanuit de klokketoren klinkt ieder halfuur het oude carillon dat statig melodieën uit de "Nederlandtsche Gedenck-clanck" zingt. En verscholen in een van de straatjes achter de oude kern van het stadje staat een standbeeld, met op de sokkel alleen de naam van de dichter. Of hij er in werkelijkheid ook zo uit heeft gezien, is de vraag, want voor zover bekend bestaat er geen portret van hem.

Niet alleen rond de dichter, ook rond zijn "Gedenck-clanck" is het stil. In het interbellum wordt nog een deel van de liederen opgenomen in de bundel "Evangelische gezangen der Hervormde kerk". Tijdens de Tweede Wereldoorlog en even daarna wordt de "Gedenck-clanck" nog een keer uitgegeven. Na die tijd volgt slechts een enkel artikel over de Veerse dichter. Valerius is weer vergeten

Belastingontvanger

Het is niet de eerste keer dat hij in de vergetelheid raakte. Precies 380 jaar geleden verschijnt de "Gedenck-clanck". De bundel geniet de eerste twee eeuwen na verschijning nauwelijks bekendheid. Aan het eind van de negentiende eeuw wordt Valerius opnieuw ontdekt door de Amsterdamse hoogleraar A. D. Loman, die een deel van de liederen opnieuw uitgeeft. Pas in 1914 -bijna drie eeuwen na verschijning- volgt een tweede druk van het volledige werk.

Misschien heeft het gebrek aan aandacht te maken met het feit dat over Valerius niet veel bekend is. Waarschijnlijk is hij in 1575 geboren in Middelburg, waar zijn vader "clerck vanden colonellen ende cappeteijnen" was. De latere notaris bekleedt een soortgelijke functie als zijn vader, tot hij in 1598 wordt bevorderd tot belastingontvanger in Veere. Eind 1606 verzoekt hij toelating tot "het Officie van Notarissen". Bij zijn dood op 27 januari 1625 wordt hij aangeduid als "rentmeester en tollenaer der stede Vere". Op zijn grafsteen komt te staan: "Den 27 januari 1625 overleet den eersamen Adriaen Valerius scheepen ende raed en fortificatiemeester der stede Veere ontfanger van de generale middelen van 't convoy."

Wilhelmus

Had Valerius zich alleen met de financiën van Veere bemoeid, dan had hij hoogstens een plaatsje gekregen in een stadsgeschiedenis. Maar, zoals zo veel notabelen, hield de notaris zich bezig met de letterkunde. In 1598 wordt hij lid van de Veerse rederijkerskamer Missus Scholieren. Uit de eerste jaren van zijn lidmaatschap zijn geen werken van hem in de archieven van de kamer te vinden. In 1617 wordt hij echter gekozen tot "overdeken" van het gilde, wat er in ieder geval op duidt dat hij onder de rederijkers gezien was. Hij levert ook een bijdrage aan de "Zeeusen Nachtegael", een bundel poëzie die in 1623 verschijnt na het bezoek van Anna Roemers Visscher aan het Zeeuwse land.

Rond die tijd moet Valerius bezig zijn geweest met de "Nederlandtsche Gedenck-clanck". Hoogst waarschijnlijk dicht de notaris zijn liederen kort na het einde van het Twaalfjarig Bestand (1609-1621). Veel van de melodieën die Valerius gebruikt zijn namelijk afkomstig uit een bundel die in 1621 verschijnt.

Vaak is aangenomen dat Valerius de gedichten slechts verzamelde. Erg aannemelijk is dat niet. Volgens de titelpagina van de "Gedenck-clanck" zijn de "Liedekens meest alle nieu." Inderdaad zijn er van de 76 gedichten slechts 3 bekende geuzenliederen, waaronder het Wilhelmus. Bij die drie liederen geeft Valerius uitdrukkelijk aan dat het oudere liederen zijn: "In dese tydt heeft men gesongen dit volgende Liedeken", waarna het Wilhelmus volgt.

Datheen

De liederen staan verspreid door het geschiedverhaal. Meestal sluiten de gedichten aan op bepaalde bijzondere gebeurtenissen, zoals de Slag bij Nieuwpoort. De Nederlandse overwinning brengt Valerius ertoe te zingen: "De Heere geeft ons groote stof/ Om hem te geven danck en lof." Uit alles blijkt dat Valerius als rederijker een geschoold dichter is, die zijn taal beheerst. Hij speelt met alliteratie en binnenrijm, zoals in het bekende lied op het ontzet van Bergen op Zoom. "Merck toch hoe sterck nu int werck sich al steld,/ Die t' allen ty Soo ons vryheyt heeft bestreden./ Siet hoe hy slaeft, graeft en draeft met geweld!/ Onse goet en ons bloet en onse steden." Bij de eerste Geuzenliederen was dat wel anders.

Voor sommige gezangen heeft de calvinistische Valerius gebruikgemaakt van de psalmberijming van Datheen. In het plechtige "O, Heer die daer des hemels tente spreyt" klinkt Psalm 124 van Datheen vrijwel letterlijk door: "Hadd' ons de Heer (Hem sy de eer), Alsoo niet bijgestaen, Wy waren lang (Ons was soo bang), Al inden druck vergaen."

Valerius maakt de verschijning van zijn boek niet meer mee: de "Gedenck-clank" verschijnt bijna twee jaar na zijn dood. In de "Courante uyt Italien en Duytsch-landt" valt op 28 november 1626 te lezen dat het boek te koop is "bij Jacob Dircksz. op de hoek van de Ramskoy. Ende ter Veer in Zeeland, bij de Erfgenamen van den Auteur."

Veel exemplaren zal Jacob Dircksz. niet hebben verkocht. De "Gedenck-clank" is als geschiedverhaal niet erg boeiend. De vele gedichten en spreuken, afkomstig van onder anderen Augustinus, Hooft en Du Bartas, waren voor de gemiddelde burger wellicht te hoog gegrepen.

Honde-rekel

Valerius heeft een uitgesproken mening over de verschillende hoofdpersonen in de Nederlandse Opstand. De prinsen Willem en Maurits, bijvoorbeeld. Valerius duidt de twee steevast aan als "de Prins". Bijna vijftig jaar na de inname van het havenstadje Den Briel op 1 april 1572 dicht de notaris: "Ghy Princen, Heeren van ons Land, Maeckt ons de Spanjaert quijt."

Behalve in het door Valerius aangepaste Wilhelmus komt Willem van Oranje verder alleen voor in het lied dat geschreven is naar aanleiding van de moord op de prins in 1584: "Stort tranen uyt, schreyt luyde." Maurits komt veel vaker aan bod, al dan niet in combinatie met zijn vader, "wiens leven is gebleven voor het lieve Vaderland." Valerius noemt Maurits onder meer de "stercktste van het Christenryck".

Opvallend is dat de notaris van Veere vooral de Spaanse aanvoerders er in zijn liederen flink van langs geeft. Niet de Spaanse koning Fillips II, maar de hertog van Alva is de grote boosdoener. De dichter vergelijkt de hertog met een vogelvanger die probeert een vogeltje te lokken: "Duc d'Alf dien ouden snooden gast,/ fluyt mede nu seer soet al vast."

Pogingen van de Spaanse legeraanvoerder om de verschillende provincies tegen elkaar uit te spelen brachten Valerius ertoe spottend te zingen: "Comt, nestelt hem de broeck eens op,/ En smyt hem oock vry op de kop,/ Slae dat hy pypt, en kirt, en jangt,/ Syn steert als een honde-rekel hangt." Die pittige oproep wordt zonder meer gevolgd door een heel wat stichtelijker zinsnede: "Stryt vroom voor uwe goede saeck,/ Maeckt dat hy uyt het Landt geraeckt."

Requensens, de opvolger van Alva, wordt geschetst als een "monster van een valsch gelaet", een "snooden Speck" en "booswicht". Don Juan, de halfbroer van de Spaanse koning, brengt het er met zijn "Spaensche loose streken" niet veel beter van af.

Ook de Spaanse militairen -"'t Spaensch rot"- bestaat slechts uit bloeddorstige rovers. "Hy slaet en moort, verdruckt, benout,/ Plaegt en druckt, Ruct en pluct en maeckt het land/ Vol moort en brand. Hy grypt en grabt int goed/ En int bloet." Daar is geen woord Spaans bij.

Koning Achab

Tegenover al dat het schrijversgeweld, steekt de aandacht die Valerius aan de Spaanse koningen besteedt wat mager af. In de liederen wordt Filips II slechts twee keer genoemd. De keren dat de koning wordt genoemd, komt hij er overigens bepaald niet positief van af: "Des Conings hert gantsch rotsig,/ End'hard als Marbel-steen'/ Bloet-dorstig, loos en vals, is seer verkeert en trotsig."

Filips III komt, evenals zijn vader, tweemaal voor in de "Gedenck-clank". Eén keer wordt de Spaanse koning vergeleken met koning Achab. Maar zoals het met Achab verkeerd afliep, zal dat ook met Filips III het geval zijn: "End'hoe ghy varen sult op 't lest,/ Dat sult ghy selfs gevoelen best."

Valerius wijkt met zijn liederen niet af van het patroon dat zichtbaar is in het "Geuzenliedboek". Ook daar zijn het met name de Spaanse legeraanvoerders die de wind van voren krijgen. "Men zag Ducdalf vetrekken/ Met zijn geroofden schat/ Maar alle zijn Spaanse Spekken/ Liet hij in elke stad." Of: "Ras, zeventien provincen,/ Doet helpen verlogieren Ducdalve den tiran."

Toch is er een belangrijk verschil tussen de eerste geuzenliederen en die van Valerius. Toen de Veerse dichter zijn levenswerk begon, stond de Nederlandse zaak er anders voor dan aan het begin van de oorlog. Valerius twijfelt niet meer aan de uiteindelijke overwinning. Dat is niet te danken aan het Nederlandse volk, integendeel: "Als God syn volck besoeckt met harde straf,/ So is haer sonde daer de oorsaeck af."

Toch kunnen de Nederlandse opstandelingen zich veilig weten in de hand van God, want "geluckig is het land/ Dat God den heer beschermt/ Als daer met moort en brand/ De Vyand rondom swermt." De bevlogen dichter ziet de strijd van Spanje tegen Nederland niet alleen als een strijd tussen twee landen, maar vooral als opstand tegen God. "Maraen, hoe moogt gy Spies en Lans verheffen tegen God?" Het lijdt dan ook geen twijfel of de "Roomsche Spaensche groote macht/ Sal werden haest tot niet gebracht."

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.