+ Meer informatie

In het kielzog van de kerkvaders

Dr. E. P. Meijering: Ik heb geprobeerd de neiging tot dikdoenerij wat te onderdrukken

9 minuten leestijd

Soms denk je: Dát is gereformeerd. Dan weer: Wat modern. De boeken van dr. E. P. Meijering roepen zo'n dubbel gevoel op. Hij liet zich vormen door de kerkvaders, door de Reformatie, voelt zich thuis binnen de Remonstrantse Broederschap en riep reformatorische studenten ertoe op vast te houden aan hun overtuiging. Vanmiddag kreeg dr. Meijering (60) een symposium aangeboden, ter gelegenheid van zijn afscheid als lector Vroege Kerk aan de Leidse universiteit, per 1 februari. Ze zullen de kleurrijke docent daar nog gaan missen.

De boekenkast in de woonkamer van Eginhard Peter Meijering, op de vierde etage van een eenvoudige flat in Oegstgeest, is een kijkje waard. Hoewel, je bent er snel uitgekeken. Ruim 200 uniforme banden staan er, op A4-formaat, in gebroken witte, papieren omslagen, als een verstilde herinnering aan de eerste vier eeuwen van de kerkgeschiedenis. Het is de wetenschappelijke uitgave van de werken van de Griekse en Latijnse kerkvaders in de editie van J. P. Migne.

De boeken staan er niet te pronk. "Als je de Vroege Kerk wilt onderzoeken, moet je de bronnen kennen", zegt Meijering nuchter.

Romantisch idee

Eginhard Meijering schreef zich in 1959 in voor de studies klassieke talen en theologie aan de Leidse universiteit. De werken van de kerkvaders boeiden hem al spoedig. "Misschien was het", zegt hij achteraf, "een onbestemde hang naar het verleden, een romantisch idee dat hoe langer iets gezegd is, het des te vaster staat."

Al snel ontdekte de student dat de kerkvaders goed aansloten bij zijn eigen karakter. "Ze probeerden al denkend verantwoording af te leggen van het christelijk geloof. Natuurlijk, ze waren ook nogal polemisch ingesteld. Dat kun je erg vinden, maar ik vond het wel amusant hoe Tertullianus -tegen Marcion- en Athanasius -tegen de arianen- tekeergingen. Dan gingen alle registers open."

Athanasius was de kerkvader op wie Meijering in 1968 in Leiden promoveerde. Neem geen tweederangsfiguur, had prof. dr. J. N. Bakhuizen van den Brink hem eens gewaarschuwd. "Ik zie", zegt Meijering, "Athanasius inderdaad als een van de grootste figuren uit de Vroege Kerk."

Erkenning

In 1975 schreef prof. dr. H. Berkhof al dat Meijering, "zo jong als hij is, onder zijn vakgenoten reeds internationaal bekend is." De bekendheid van de jonge onderzoeker steeg naarmate hij meer publiceerde.

Een niet onbelangrijke erkenning van Meijerings deskundigheid volgde in 1979. Als 39-jarige onderzoeker werd hij uitgenodigd om een hoofdlezing over Augustinus te houden tijdens een internationaal congres over de Vroege Kerk in Oxford. Het recentste eerbetoon is een eredoctoraat van de universiteit van Heidelberg.

Meijering, het typeert hem, relativeert. "De dag na mijn lezing in

Oxford kreeg ik het advies van een Vlaming om je niet door succes te laten bederven. Wat je wetenschappelijk waard bent, hangt niet af van de eerbewijzen die je ten deel vallen of die je tot je ergernis ontgaan. De neiging tot dikdoenerij zit in elk mens, denk ik. Ik heb geprobeerd dat wat te onderdrukken." Of je werkelijk iets aan het onderzoek hebt toegevoegd, vervolgt de veelschrijver, valt pas vijftig jaar na je dood te beoordelen. "Dan zal blijken of er nog iemand naar je boeken verwijst. Daar ben je zelf niet meer bij en dus kun je je er beter niet druk over maken. Enkele van mijn boeken zou je nu al gerust kunnen weggooien. Bovendien worden studies, naarmate ze ouder worden, vaak vergeten en vindt het nageslacht opnieuw het wiel uit. Elke generatie begint nu eenmaal opnieuw. Dat heeft iets onbevredigends, ja. Maar zo gaat dat."

Schrikken

De bekendheid van Meijering nam toe met het verschijnen van nieuwe studies over en commentaren op werken van vooral Athanasius en Augustinus.

Met zijn manier van werken liet hij op college de Leidse theologiestudenten schrikken. Om een werk van een kerkvader grondig te kennen, moet je het ten minste honderd keer bestudeerd hebben, hield hij hun voor. "Zo heb ik het boek over "De vleeswording van het Woord" van Athanasius inderdaad bestudeerd; alle 57 hoofdstukken stuk voor stuk gelezen, tientallen malen achter elkaar, net zo lang totdat het in mijn hoofd zat. Vervolgens loop je na elk hoofdstuk alle andere werken van Athananius door om te zien of er overeenkomstige of juist tegenstrijdige gedachten staan. Het is inderdaad vrij monotoon werk."

Welke kerkvader heeft u daarbij het meest gevormd?

"Augustinus. Athanasius ook wel, maar vooral Augustinus heeft de zaken doordacht in hun verhouding tot God. Ik herkende me in zijn vragen en doorgaans ook in zijn antwoorden. Ook ik denk dat het geloof door Gods genade in je gewekt moet worden. We zullen als gereformeerden en remonstranten beiden erkennen dat we verantwoordelijk zijn voor onze houding tegenover God. Alleen zal een remonstrant eerder zeggen dat het door je vrije wil is als je de genade aanvaardt."

Doorwerking

Later ging Meijering zich richten op de doorwerking van kerkvaders bij onder anderen de 17e-eeuwse dogmaticus Turrettini en bij Karl Barth, wel de invloedrijkste theoloog van de 20e eeuw genoemd. "Dan zie je dat veel dogmatici niet toekomen aan zelfstandige studie van de kerkvaders. W. Pannenberg en in ons land A. van de Beek doen daar wel aan."

Het verhaal gaat dat u lange tijd ernaar streefde elk jaar een nieuw boek te schrijven.

"Dat had ik mezelf opgelegd, ja. Maar ik had nu eenmaal volop gelegenheid om te studeren."

Dat hangt samen met de benoeming die Meijering in 1976 kreeg aan de faculteit letteren van de Leidse universiteit. Hij kreeg het vak Latijn van de late Oudheid toebedeeld en werd als lector uitgeleend aan de theologische faculteit om Vroege Kerk te doceren. Later kwamen daar, namens de Hervormde Kerk, de vakken dogmageschiedenis en moderne theologie bij.

Dat is toch heel wat. "Je moet de banen niet tellen, maar wegen. Mijn vakken stonden meestal in de marge van het onderwijsprogramma. Daar kon ik goed mee leven, ik heb er op mijn manier goed gebruik van gemaakt door stevig te studeren. Verder had ik de naam niet goed te zijn in bestuursfuncties. Daar ben ik dan ook niet voor gevraagd."

Predikant

Mede daarom bedankte hij ook voor de eer toen twee buitenlandse universiteiten hem een hoogleraarschap aanboden. "Ik wilde dat mijn kinderen ook niet aandoen."

Naast zijn docentschap was Meijering parttime predikant binnen de Remonstrantse Broederschap, een van de vooruitstrevendste kerkgenootschappen in ons land. Met zijn predikantschap liep Meijering in het spoor van zijn overgrootvader Lambertus en zijn grootvader Meertinus. "Alleen waren zij orthodox en ben ik modern."

"De Remonstrantse Broederschap spreekt me aan omdat je alles ter discussie mag stellen. Volgens mij ga je dan juist serieus nadenken over de innerlijke zin van wat je voor wilt staan. Niets is immers vanzelfsprekend. Reformatorischen houden zich vaak afzijdig van moderne opvattingen. Ik begrijp dat bij het handhaven van een identiteit een zekere geslotenheid hoort. Maar reformatorischen hoeven geen angst te hebben dat hun overtuiging het niet houdt. Overal brokkelt de vrijzinnigheid af, terwijl de Gereformeerde Bond in de Hervormde Kerk zich juist redelijk weet te handhaven."

Ook uw eigen kerk brokkelt af.

"Dat houdt me best bezig. De oplossing is volgens mij niet dat remonstranten opeens orthodox worden. Dan haakt iedereen af. Ik denk maar zo: de vrijzinnigheid zal altijd wel een minderheid blijven, want tweedegeneratievrijzinnigen zijn er niet veel. Die hebben de kerk vaak allang vaarwel gezegd. Ik zie de vrijzinnigheid als een vangnet voor mensen die het in de orthodoxie niet uithouden."

Schriftgezag

Eginhard Meijering groeide op met de onfeilbaarheid van de Schrift, maar die overtuiging liet hij tijdens zijn studietijd los. "Op het punt van de schriftbeschouwing ben ik beslist niet orthodox. Ik accepteer de resultaten van het schriftkritisch onderzoek."

Wat dat concreet betekent, wordt duidelijk uit Meijerings laatste boek "Wie zeggen de mensen dat ik ben". Daaruit blijkt dat de auteur "als historicus" denkt dat Jezus wellicht niet begraven werd. Toch wil Meijering de "verhalen" over het lege graf niet missen, "want die zeggen mij: de opstanding is niet alleen een geestelijk gebeuren, maar heeft ook een lichamelijke kant."

Hoe kun je zeggen in Christus' opstanding te geloven en tegelijkertijd toestaan dat de schriftkritiek de bijbelse getuigenissen over de opstanding uit elkaar rafelt en als niet historisch betrouwbaar wegzet?

"Over de historische waarschijnlijkheid van de verhalen mag de kritische bijbelwetenschap oordelen. Die wetenschap kan echter niet oordelen over het geloof dat God Jezus door de dood heen heeft vastgehouden."

Dat geloof houdt toch geen stand als de waarheid van de Bijbel, de bron waarop het mag terugvallen, in twijfel wordt getrokken?

"Het geloof in de opstanding is een subjectieve overtuiging, die buiten de wetenschap staat. De wetenschap mag van mij het feit in twijfel trekken, ik doe dat ik mijn geloof niet. In mijn geloof weet ik me bovendien gesteund door de gemeenschap van de kerk die sinds 2000 jaar gelooft dat God Jezus heeft opgewekt. De Geest doet me dat beamen. Ik geef toe dat een rechtstreeks beroep op de Bijbel als onderbouwing van de geloofsleer met mijn visie op de Schrift problematisch wordt. Maar voor mij komt daarmee het dogma nog niet te vervallen.

Punt

In mijn binnenste kan ik de stem van de twijfel niet onderdrukken. Dat is een tegenstem tegen mijn geloofsovertuiging. Is het sowieso wel aannemelijk dat God op dit kruimeltje van het heelal, dat we aarde noemen, een geschiedenis schrijft en daden stelt? Is dat niet een illusie? Als je alleen op de studeerkamer zit, gaat de ene na de andere geloofsovertuiging voor de bijl. Maar daarmee kun je de kerkmensen niet voeden. Daarom vind ik het belangrijk te blijven preken."

Achter zijn wetenschappelijke studie van de Vroege Kerk staat, na zo'n veertig jaar, nu een punt. "Ik zet hiermee geen geestelijk roer om", benadrukt Meijering. Het is meer een ander pad dat hij inslaat. Geen publicaties meer die voor een beperkt publiek van specialisten nuttig zijn -"ik was bang dat het meer van hetzelfde zou worden"-, maar breder toegankelijke werken op het terrein van de theologie. Daarvan verschenen er al een handvol. "Ik maak me", verklaart Meijering zijn nieuwe koers, "er zorgen over dat liberale theologen als Den Heyer en Kuitert zo veel mensen boeien, terwijl het doorgaans niet nieuw is wat ze zeggen. Ze voelen wel goed aan met welke vragen moderne mensen zitten, maar helaas blijkt uit hun boeken nogal eens onvoldoende kennis van zaken."

Na veertig jaar studie zult u ook wel eens nadenken wat het u persoonlijk heeft gebaat.

"Natuurlijk ben ik daarmee bezig. Maar ik kan de balans van mijn leven niet zelf opmaken. Nu niet. Als ik 80 mag worden ook niet. Ik hoop dat God me kent en me door de dood heen wil vasthouden, zodat ik niet in het niets verdwijn. Heb ik daar zekerheid over? Als ik ja zou zeggen, zou ik ook antwoord moeten kunnen geven op vragen hoe het na de dood zijn zal. En daar weet mijn verstand niets van."

Hebt u nu nooit eens last van die rationele inslag?

"Ach, het is wel leuk om je met allerlei vragen bezig te houden. Maar uiteindelijk blijft toch vaststaan dat ons kennen zeer ten dele is en dat God alles te boven gaat."

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.