+ Meer informatie

ENKELE GEDACHTEN OVER HET PASTORAAT AAN OUDERS VAN KINDEREN DIE VAN DE KERK VERVREEMD ZIJN

8 minuten leestijd

Dat kinderen van de kerk vervreemd zijn, is géén uitgesproken verschijnsel van déze tijd. Dan zou het alleen de ouders aangaan van ong. 40 – 45 jaar, die kinderen hebben in de leeftijd van 20 – 25 jaar. Wanneer je op bezoek bent bij bejaarden, komt het gesprek ook vaak op onkerkelijke kinderen, die inmiddels de leeftijd van 40 – 50 jaar bereikt hebben. En praat je met hen door over het gezin waarin zij zelf groot geworden zijn, dan merk je de droefheid over broers en zusters, die nergens meer van willen weten, hoewel ze zo’n goede opvoeding gehad hebben! „Ze weten het zo goed……”

Trouwens, wie de Bijbel ernaast legt komt deze verdrietige zaak vaak tegen; namen van „onkerkelijke kinderen” kun je zo noemen: Kain, Ismael, Ezau, de zonen van Eli èn de zonen van Samuel (wie had dat gedacht?), kinderen van David (wat een verdriet rondom de dood van Absalom), Manasse (zoon van een zeer vrome vader)………

Wel wordt dit probleem áángescherpt door de ontkerkelijking van deze tijd. Op een pijnlijke wijze ervaren (veel?) ouders dat hun kinderen geen enkel belang meer stellen in het kerkelijk leven. Ik formuleer het met opzet zó, omdat de kinderen nogal eens tegen je zeggen, dat ze best gelovig zijn, maar niets zien in de kerk! Geloven kun je ook zonder aan een kerkelijke gemeenschap verbonden te zijn. Voor ouders beslist geen geruststelling: wie een levend geloof heeft, ontvangt een plaats in het lichaam van Christus, en dan kun je niet om de kerk heen - er is een geméénschap van gelovigen!

Soms hebben ouders zich erbij neergelegd: het is nu eenmaal niet anders. En…… „genade is geen erfgoed!” Er is verkiezing èn verwerping…….

Ik dacht dat dit niet juist is. Genade mag dan geen erfgoed zijn, Gods verbond en Zijn beloften zijn er óók: onze (onkerkelijke) kinderen zijn Zijn verbondskinderen, al zijn zij (nòg niet!) tot inwilliging van het verbond gekomen. „Als de kinderen klein zijn praat je veel met je kinderen over God; als ze groot zijn, spreek je veel met God over je kinderen.” En die God is de HERE, de Vader van de Here Jezus Christus, die in Christus heerlijke dingen zegt over Zijn bewogenheid met wat verloren dreigt te gaan en over de vreugde die er bij Hem in de hemel is over ieder verbondskind dat tot Hem terugkeert. Daarom is er in de pastorale zorg veel meer te zeggen dan. genade is geen erfgoed!

Een andere kant van de zaak is: hoe bewogen zijn de ouders er zelf onder. En……hoe was hun houding tegen over hun opgroeiende kinderen.

Wat dat eerste betreft: twee voorbeelden uit de pastorale praktijk.

Het gesprek liep uit op de wederkomst van de Here Jezus Christus. Over het verlangend uitzien naar Zijn komst. De vader zei: Ik ben niet zo verlangend naar Zijn komst, morgenochtend al. U weet: (…naam…) is nog zo ver van Hem vandaan……… Dan wordt het even stil in het gesprek…..

Een ander gesprek ging ook over de wederkomst van onze Here en Heiland. ,Liever vandaag dan morgen! En wat (…naam…) betreft, hij is genoeg (?) gewaarschuwd.” Ook toen werd het heel stil in het gesprek. En je hebt als pastor de grootste moeite om niet verontwaardigd te reageren. Of moet je in zo’n geval juist wel heftig reageren? Deze moeder kennende, wist ik dat zij een kil karakter had…….. In zulke geval len heb je wel de gave van de Geest nodig, die je leert aanvoelen - geestelijk - waar het op aan komt!

Wat het tweede betreft: Volwassen kinderen hebben een groeiproces naar volwassenheid doorgemaakt. Hoe was de begeleiding van de ouders in dat proces? Daarmee komen we bij een zeer brandende vraag, die leeft in de harten van veel ouders: „Wat hebben wij bij de opvoeding verkeerd gedaan…..?” Een vraag die de pastor niet uit de weg mag gaan, noch met een „stichtelijke” opmerking afdoen. Het gaat - pastoraal - gezien om een schuld-vraag! Als er werkelijk sprake is van schuld, moet schuld beleden worden. Niet alleen tegenover God, maar ook tegenover mensen. Als ik mijn kinderen inderdaad te kort gedaan heb, dan moet dat worden uitgesproken. Anders blijft dit zitten, met alle frustraties van dien.

Om over dit onderwerp door te spreken is het wel nodig dat de pastor iets van de situatie weet. Hoe zijn de ouders geestelijk georiënteerd? Wat is in het leven van de kinderen het werkelijke knelpunt?

Om een paar dingen te noemen:

1. Volwassen kinderen verdedigen hun niet-meer-naar-de-kerk-gaan met: het doet mij niets. Je kunt dan, met de ouders, bidden om een nieuw hart voor deze kinderen. Je kunt óók vragen: Hebben uw kinderen kunnen merken, aanvoelen, dat de kerkgang voor u vrucht is van een levend geloof in de Here Jezus Christus? Een stille verwondering over Gods machtige genade, dat u Hem in Christus ontmoeten màg? Dat is heel iets anders dan naar de kerk móeten!

Daarbij genomen de manier waarop over de kerkdienst gesproken wordt: Over het met elkaar zingen, luisteren, bidden, belijden. Hoe kwam de preek - in dat geheel - ter sprake? Ouders moeten kinderen voorgaan, voorleven, leder ouder kent daarin zijn beperktheden: het niet (kunnen) doen, zoals het tegenover de Here zou moeten. Maar als je er voor je zelf psalm 100 niet bij lezen kunt, hoe wil je dan dat de kinderen Zijn trouw ervaren zullen, zelfs tot in het laatste nageslacht!

In een pastoraal gesprek mag dit eerlijk aan de orde komen. En als hier schuld ligt: schuld màg beleden worden. Ook een ouder is nooit te oud om zich te bekeren! En……die verandering in de beleving van de ouders mocht eens tot heil zijn voor de kinderen…..Daar mag je over spreken in het gebed………..

2. Volwassen kinderen willen een eigen mening hebben over de dingen. „Ik denk er nu eenmaal anders over……” Dat was een groeiproces. Het beleven van het geloof is ook een groeiproces. Over geestelijke volwassenheid is de laatste jaren heel veel geschreven en gesproken. Wanneer je als ouders in dat proces bent blijven steken (geestelijke luiheid?), hoe kun je dan je kinderen begeleiden? Zeker in deze tijd.

Er wordt veel kritiek geuit op het onderwijs. „Het probleem is niet het gebrek aan goede leraren, maar aan goede ouders.” „Schooleducatie is niet meer dan een supplement.” „U komt nergens in de Bijbel het gebod tegen om goede leraren aan te stellen.” „Wat is opvoeding? Het ontwikkelen van de persoonlijkheid; het kind de kunst leren om te leven.” „Hoe leeft u zelf? Hoe gaat u om met uw Portemonnaie (materialisme), met de drank!, hoe vaak wordt u boos om kleine dingen, hoe gaat u om met uw tijd?” Kinderen mogen de kunst van het een-eigen-mening-vormen leren en afkijken van de ouders.

In een pastoraal gesprek màg dit eerlijk aan de orde komen. En als hier werkelijke schuld ligt: schuld màg beleden worden. Daar mag over gesproken worden in het gebed. En………… met de kinderen. In een vertrouwelijk gesprek. „Ik heb mijn vader nog nooit zó eerlijk en bewogen meegemaakt. Onvergetelijk…….”

3. Volwassen kinderen struikelen vaak over wat er in het kerkelijk leven gebeurt. Vaak denk je als ouders: hadden ze dat maar niet gehoord! Wanneer we als ambtsdragers met deze categorie ouders meeleven, meeworstelen en meebidden, wanneer dit ook aan onze eigen kinderen niet voorbijgaat, dan weten we hoe stimulerend dit op de onkerkelijkheid inwerkt. Ons (pastoraal) met elkander bezig zijn op het terrein van het brede kerkelijke leven, mag ons pastoraal bezig zijn met de enkeling nooit doorkruisen. Een pastor mag zich wat dat betreft niet in stukjes opdelen. Dat er gewaakt moet worden voor zuiverheid in het doorgeven van het evangelie, dat is buiten kijf - maar de manier waarop dit gebeurt……… het doel heiligt niet alle middelen! Als ouders - terecht - verzuchten: „Ik weet niet hoe ik dit aan mijn onkerkelijke kinderen moet verkopen, dan kan de pastor dit slechts beamen. Deze tijd vraagt ingetogenheid, voorzichtigheid en behoedzaamheid. Na een verdrietig verslag in de pers gaan we op weg om pastor te zijn………

Als hier werkelijk (kerkelijke) schuld ligt: schuld màg beleden worden. En bekering is ook voor het kerkelijk leven een dagelijkse opdracht. Mede met het oog op onkerkelijk geworden kinderen en hun worstelende ouders. Maak het hen niet moeilijker, dan het al is………

Ook dat is pastoraat!

Het waren enkele gedachten.

Tenslotte: Een moeder (buiten haar schuld gescheiden; haar man was kerkeraadslid), met opgroeiende jongens, die hun eigen weg gaan, zeker in het weekend: „de zondag is een marteling. Het zou de fijnste dag van de week kunnen zijn! Kuntu zich indenken hoe ik ’s zondags in de kerk zit?” Zién we haar zitten? Toch heeft ze een dochter, een opgroeiende teener, met wie ze een heel fijn geestelijk contact heeft. Ondanks alles! Het is fijn dit meisje op catechisatie te hebben en in de kerk te zien luisteren………….. Ook dat krijgt een plaats in het pastoraat! Een dankzegging waard!

P.S. van de redactie:

Het is niet de gewoonte de naam van de schrijver niet te vermelden. Gezien de inhoud van dit artikel hebben we het verzoek daartoe van de schrijver gerespecteerd.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.