+ Meer informatie

De Pelgrimsreis is voor Oud en Jong

7 minuten leestijd

1.

De Pelgrimsreis is een reis van deze wereld naar het land der eeuwige heerlijkheid, die door John Bunyan is beschreven. En daar dit vermaarde boek al eeuwen lang tot zegen van de kerk des Heeren is geweest, wensen wij deze wonderlijke reis vol heerlijke ontmoetingen met elkaar te bespreken tot onderwijzing in de weg der zaligheid.

Het is een reis die gemaakt moet worden om eenmaal in te gaan in de vreugde des Heeren. Wie tegen alle roepstemmen en vermaningen in blijft wonen in de stad van zijn geboorte, kan de eeuwige heerlijkheid niet beërven en zal eenmaal met al de burgers van deze plaats vergaan.

En al zijn wij geboren op de erve des verbonds en al zijn wij in het bezit van het teken en zegel des verbonds tot een pleitgrond des gebeds, dan nog leven wij van nature in de staat der ellende. Als burgers van de Stad des Verderfs hebben wij de vernieuwing des harten nodig om te komen tot de staat der genade.

Hierom wijst het Woord ons op de noodzakelijkheid van de wedergeboorte tot verkrijging van het eeuwige leven. Als kinderen des koninkrijks is dat niet mogelijk, zal men uitgeworpen worden.

Daar zijn in de loop der eeuwen al heel wat burgers op reis gegaan om in te gaan in de stad, die fundamenten heeft, zonder de vernieuwing des harten te zoeken, zonder te komen tot de staat der genade. Daarom is het voor deze mensen op een bittere teleurstelling uitgelopen.

Het nieuwe leven der genade wordt niet gezocht als men opgaat in een rechtzinnige belijdenis. Dan doet men nieuwe wijn in oude lederen zakken.

Kom, laten wij de Heere bidden om de verheerlijking van Zijn ontfermende liefde in ons hart en leven. Want dat alleen verbindt ons aan Hem, doet ons komen tot de keus Hem te vrezen en leert ons in Zijn wegen te gaan. Maar zou de Pelgrim dan met de wetenschap van wedergeboren te zijn de stad zijner geboorte verlaten hebben?

Een pasgeboren kind schreeuwt en dat verblijdt de moeder. Maar al zegt het kind daarmee een levend kind te zijn, toch weet het kind niet dat het geboren is. En zo weet een levende niet, al schreeuwt het hart naar God, een wedergeborene te zijn. Wel gaat hij steeds inniger om hartvernieuwende genade smeken. Zulke mensen zijn niet meer thuis in de Stad des Verderfs, hebben een afkeer verkregen van de dienst der zonde. Het hart is vervuld met een zoete droefheid naar God en met een innige smart over de zonden. De overtuiging dat de Heere het waardig is gediend en gevreesd te worden verkrijgt steeds meer diepgang. Waardig is Hij het, al was er geen hemel tot beloning, noch hel tot straf.

Maar wat, zo vraagt het bedroefde hart, mag van dat alles toch wel de werkende oorzaak zijn? Consciëntiewerk is het zeker, want ik word er dag en nacht door veroordeeld, bij de Rechter verklaagd op grond van Zijn Wet, die heilig is, en dat moet ik billijken, dat is recht. Maar mijn droefheid, als dat nu maar niet over gaat, niet slechts een morgenwolk is. Mijn hart bidt om de bijblijvende en zaligmakende bearbeiding van de Heilige Geest. Want dat moet toch wel de werkende oorzaak zijn van dat alles zal het ooit met mij terecht komen.

Wat het middel betreft, waardoor een keerpunt is gekomen in het denken en leven van de Pelgrim, daartoe heeft de Heere het vermanende woord van een vrouw willen gebruiken, die hem aansprak en veroordeelde in de uitleving van zijn ongerechtigheid.

Een vermanend woord, een roepstem tot bekering is zo profijtelijk. Dat moest veel meer gehoord worden. Daar moest geen stilzwijgen bij ons gevonden worden. Laat ons van de Heere getuigen. Door aandachtig te lezen in het Woord des Heeren is het de Pelgrim duidelijk geworden dat de wereld, de Stad zijner geboorte, zou vergaan in de grote dag des gerichts. En wat dan? Ja, dan zal ik geworpen worden in de poel, die brandt van vuur en sulfer. Wat zal dat ontzettend zijn, zo dacht hij, de eeuwige zaligheid te moeten derven. Gewisselijk, dat zijn dan ook zaken die elk mens persoonlijk raken. Daar krijgen wij mee te maken.

Maar wie heeft het deze man gezegd dat het boek door hem ter hand genomen, het Boek der boeken was?

Inderdaad, daar bestond in de grond der zaak voor hem maar één boek, en dat was het Woord van God. Maar dat behoefde hem van buiten af niet gezegd te worden. Op elke bladzijde heeft hij amen gezegd. Hij is door het Woord tot de overtuiging gekomen dat het Gods Woord is. Het zonk in zijn hart; het bond hem aan de troon der genade. Uit het Woord heeft hij het geloof verkregen in Gods ontfermende liefde. En dat deed hem smeken om genade.

Zodra de gelegenheid het toeliet, las de arme man in het Woord en dat wekte zijn hart op tot droefheid over de zonden, deed hem beven voor het oordeel dat hij zich had waardig gemaakt. En dan begon hij te zuchten vanwege zijn ellende en te smeken om ontferming.

Zeker, in dat wenen was zoetigheid. Het vloeide voort uit de liefde, die uitgestort was in zijn hart. De Pelgrim had de Heere lief, innig lief, en daarom heeft hij het zondigen tegen Hem zo bitterlijk beweend. Naar zijn innerlijke overtuiging kon het kwaad der zonde, de boosheid der ongerechtigheid, nooit genoeg beweend worden.

Dikwijls bad deze man heel lang en toch waren zijn gebeden kort. Hij wist niet wat te doen, en toch moest er wat gedaan worden om bevrijd te worden van het verderf. En daar de Heere niet met hem deed naar zijn ongerechtigheden, verkreeg hij goederlieren gedachten van God tot bekering. En dat gaf hem steeds meer vrijmoedigheid in het gebed. Hij kon het niet nalaten, al werd hij nog zo fel bestreden, zijn Rechter om genade te bidden. Kinderlijk bad hij: „Heere, wat wilt Gij, dat ik doen zal?” En dat deed hij van ganser harte.

Zijn keus, zijn bede om te doen wat de Heere wilde, was niet het doen der wet, maar het doen des geloofs. De aanklevende daad van het dierbare geloof was in zijn hart.

En daar het in de Pelgrimsreis gaat om de beleving van het geloof, en de oefeningen en beproevingen van dat dierbare geloof er in uitblinken, behoort het ook tot het pand ons toebetrouwd.

Wie opgaat in een godsdienstige beschouwing, heeft het pand, ons toebetrouwd, verloren. En het wordt niet beseft dat dierbare pand kwijt te zijn.

Men komt het kostelijke pand van de bevinding der heiligen weg te werken. Het moet de mensen gemakkelijk gemaakt worden. En eindelijk weet men van het bestaan van het heerlijke pand der innerlijke beleving niet eens meer af.

Wat men dan doet is dit. Men vertelt dat een historisch geloof waardeloos is. Het gaat alleen maar om het zaligmakend geloof. En het is volkomen waar dat alleen het geloof dat door de liefde werkende is, het zaligmakend geloof is. Maar daar gaat hot bij deze mensen niet om. Zij schrappen het woord historisch en dan houdt men het woord geloof over. En dat noemt men dan het zaligmakend geloof. Van geloofs-beproeving willen deze mensen dan ook niet weten, want het is niet nodig. Geloof is geloof, dat kan niet verkeerd zijn. En zo werpt men overboord het pand der bevinding dat ons is toebetrouwd. Een historisch geloof is noodzakelijk, zegt Hellenbroek, maar niet genoeg. Agrippa geloofde de profeten, maar daarmee was hij nog geen christen. Het stelde hem wel verantwoordelijk voor het worden van christen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.