+ Meer informatie

Waarom een nieuwe sociale academie?

10 minuten leestijd

Toen ongeveer twee jaar geleden minister van Veen dreigde de subsidiekraan voor de sociale academie De Horst te Driebergen dicht te draaien, kwam het sociaal onderwijs plotseling in brede publieke belangstelling. De minister baseerde zijn waarschuwing op berichten aangaande een zogenaamde alternatieve stroming op de Horst, die het onderwijs gegeven wenste te zien in neo-marxistische zin. De sociale academie diende een functie te hebben bij de omvorming van de maatschappij en die omvorming moest plaats vinden — zo werd in een beginselverklaring van genoemde stroming opgemerkt — niet alleen met wettelijke middelen maar desnoods ook met subversieve, ondermijnende middelen. In de vele discussies, die rondom deze zaak aan de Horst zelf werden gevoerd, werd krachtig gepleit voor een besloten toelatingsbeleid. Dat wil zeggen: alleen die studenten zouden welkom zijn op de academie, die bereid waren het conflict-model mede te aanvaarden, die bereid waren mee de barricaden op te gaan.

Nu vertegenwoordigde de alternatieve stroming op de Horst niet de héle Horst en nu staat de Horst niet model voor alle sociale academies in ons land. Maar een feit is dat het sociaal pedagogisch onderwijs een duidelijke trend vertoont, waarin de elementen, die in de Horstdiscussies speelden, voluit aanwezig zijn; laat staan dat nog gesproken kan worden van gereformeerd sociaal pedagogisch onderwijs. Voorzover er nog een gereformeerde sociale academie was, namelijk de Nijenburgh te Baarn, uitgaande van de Stichting Gereformeerde Opleidingen, moet daarvan worden gezegd dat deze academie bewust gekozen heeft voor de deconfessionalisering van het sociaal onderwijs. Ook deze ”gereformeerde” academie heeft z’n uitgangspunt vaarwel gezegd.

Gewetensnood

Het is duidelijk dat door deze ontwikkelingen aan de christelijke sociale academies tal van jongeren, die op het terrein van het maatschappelijk werk of het vormingswerk (bijvoorbeeld in de vorming van de werkende jeugd) hun roeping zagen, in gewetensnood zijn gekomen. In een discussie tussen enkele Horst-docenten met prof. dr. C. Graafland en ondergetekende, stelde eerstgenoemde, die toen nog predikant van Amsterdam was, dat hij jongeren uit zijn gemeente, die een studie in de sociale sector wilden beginnen, niet meer durfde adviseren om naar de Horst te gaan. Hij was niet de enige die dit zo duidelijk stelde. Predikanten, die op de hoogte zijn van de ontwikkelingen aan de sociale academies en zich mede verantwoordelijk weten voor het geestelijk welzijn van hun jonge gemeenteleden, waarschuwden terecht voor een studie aan bepaalde sociale academies. Velen gingen al onder in de ideologieën, waarmee het sociaal onderwijs vaak is doordrenkt. Een moeder schreef: mijn dochter ging als een geestelijk ”gaaf” kïnd naar een bepaalde sociale academie, maar kwam er als een geestelijk verminkte vandaan. Een ander schreef: je gaat door de knieën of je gaat er kapot aan. Overdreven gezegd ? De vele reacties die op het initiatief voor de oprichting van een nieuwe sociale academie kwamen, brachten maar al te duidelijk aan het licht hoe er op dit terrein sprake is van een acute nood. Wat ervan te denken als als enige handleiding bij de bijbelstudie op het lesprogramma van een christelijke sociale academie staat een publikatie van de theoloog Richard Shaull over de theologie van de revolutie ? Wat ervan te denken als openlijk geschreven wordt dat diegenen, die met het revolutie-model niet mee willen, ”gladjanussen” zijn die ”in hun schijnheiligheid en domheid schone handen willen houden” en ”behagen hebben in kwasi-democratische zelfbevrediging” en dat zulken getypeerd worden als ”onkruid dat moet worden uitgeroeid” ? Dan is het te begrijpen dat velen uit gereformeerd kerkelijke kringen het hebben laten afweten om een studie aan een sociale academie te gaan beginnen.

De nieuwe academie

Het initiatief om te komen tot een nieuwe gereformeerde sociale academie was dan ook bepaald geen slag in de lucht. Het initiatief ontstond in de kring van de Gereformeerde Bond maar van meet af aan zat de bedoeling voor hier te komen tot een gezamenlijke aanpak vanuit andere kerken en groeperingen, die leven willen uit de gereformeerde confessie. De vonk sloeg dan ook duidelijk over en in grote eenparigheid is sindsdien gewerkt aan de realisering van de plannen. We kunnen zeggen dat een brede kring van de gereformeerde gezindte mee ging doen, waarbij het helaas zo is dat de Gereformeerde Kerken in hun totaliteit behoefte hadden aan een duidelijk exclusieve opstelling, door op het hoogtepunt van de activiteiten rondom de nieuwe academie zelf een plan te lanceren voor een eigen gereformeerde academie (in Kampen) als dependance van de inmiddels gedeconfessionaliseerde Nijenburgh. Wat dit laatste betreft is temeer duidelijk geworden, dat de Gereformeerde Kerken meer en meer hun centrale positie — èn theologisch èn wat betreft de aanpak van de vragen in het maatschappelijk leven — zijn gaan verliezen. Men heeft meer affiniteit tot de midden-orthodoxie in de Ned. Herv. Kerk dan tot kerken en groeperingen — ook binnen de Ned. Herv. Kerk — die uit de gereformeerde confessie willen leven. Vandaar dat uit de Gereformeerde Kerken alleen de Vereniging van verontrusten ”Schrift en Getuigenis” mee doet. Maar overigens kan gezegd worden dat het initiatief gedragen wordt door een brede kring van de gereformeerde gezindte in en buiten de Ned. Herv. Kerk. De vonk sloeg ook duidelijk over naar buiten in die zin, dat tal van jongeren, uit de kringen van de gereformeerde gezindte die aan dit initiatief deelnemen, zich hebben gemeld om hun studie aan de nieuwe academie te beginnen. Daarbij werd overigens temeer duidelijk hoe er voor velen inderdaad geen alternatief is. Het is òf een sociale academie van gereformeerde snit òf géén sociale academie. Vandaar ook dat besloten is om de nieuwe academie voorlopig, zo lang de subsidie van overheidswege op zich laat wachten, te gaan financieren met gelden die uit de gemeenten worden verkregen. Vandaar een groot opgezette financiële actie om de start mogelijk te maken. Toen aanvankelijk eigenlijk besloten was om maar enkele jaren te wachten, tot van overheidswege gunstig bericht zou zijn ontvangen op de aanvrage voor subsidie en toen deze beslissing meegedeeld was aan die jongeren, die zich in het voorbereidend stadium al hadden gemeld als leerlingen, zei een moeder: hebt u wel voldoende geloof gehad ? Het was opnieuw een vonk die oversprong. Zijn we zover gekomen dat we alleen iets ondernemen kunnen als de staat ons de geldmiddelen geeft ? Of zijn we toch nog in staat om zelf offers te brengen voor de zaak van het onderwijs, in dit geval van het zo broodnodige sociale onderwijs in de bijbelse, de gereformeerde zin van het woord ? In Lucas 14 staat intussen dat wie een toren gaat bouwen eerst de kosten moet overrekenen. Een tekst om het nog maar eens goed te overwegen voor we beginnen ? Inderdaad ! Maar aan het slot van dezelfde bijbelperikoop lezen we dat als het zout smakeloos is geworden het nergens meer toe deugt dan om weggeworpen te worden. Zijn we als gereformeerde kerken en groeperingen nog zoutend zout of is het — om een woord van prof. van Ruler te gebruiken — een zouteloos zaakje geworden ?

Een diaconale zaak

Zo ging een financiëel appèl in zee, in eerste instantie gericht aan de diaconieën. Waarom de diaconieën ? Omdat het hier gaat om een diaconale zaak bij uitstek. Sinds de invoering van de Algemene Bijstands Wet, sinds de verschuiving die er is opgetreden van de hulpverlening aan particulieren door de kerken naar hulpverlening door de staat — een ontwikkeling die zijn bedenkelijke kanten heeft maar intussen realiteit is — is door de diaconieën gezocht naar nieuwe wegen voor dienstbetoon. Zo participeerden de diaconieën in de instellingen voor maatschappelijk werk of riepen zelf dergelijke stichtingen in het leven. Er kwam hier een respectabel stuk werk op gang. Maar de wèrkers moesten geleverd worden door de sociale academies. En daarbij werd dan pijnlijk ervaren dat het steeds moeilijker werd om werkers aan te trekken, die ook in het maatschappelijk werk zich gebonden weten aan de Schrift. De participatie van de diaconieën in het maatschappelijk werk is dan ook bepaald een spanningsvolle geworden. Daarom temeer ligt er juist voor de diaconieën een taak om mee te helpen aan het tot stand komen van deze nieuwe academie, die niets anders beoogt dan de werkers te leveren, die ook in het maatschappelijk werk de bijbel als richtsnoer willen nemen.

Hoe ?

De vraag is nu echter wèl: als we de negatieve ontwikkelingen aan de sociale academies signaleren welk antwoord geven we dan zelf ? Hoe wil de nieuwe academie het dan gaan doen ? Voorop gesteld moet dan worden, dat een ootmoedige houding het eerst-nodige zal moeten zijn. Hier past geen triumfalisme in de zin van: nu gaat het pas eens beginnen. Eerder past het ootmoedige besef dat de kringen van wat dan de gereformeerde gezindte heet eerder achterààn gekomen zijn als het gaat om het doordenken van de sociale vragen en het bezig zijn in de nood van het sociale leven.

Maar een ootmoedige houding is nog iets anders dan een houding, die gekenmerkt wordt door twijfel of halfslachtigheid. Over het uitgangspunt en de doelstelling mag geen onzekerheid bestaan. Als uitgangspunt neemt de stichting de Bijbel als gezaghebbende openbaring van Godswege, zoals de Reformatie, met name de gereformeerde Reformatie, die heeft beleden in de Drie Formulieren van Enigheid. Dat uitgangspunt heeft consequenties voor de visie op de mens en op de samenleving. Dat betekent onder meer, dat beseft wordt dat het bij het dienstbetoon aan mensen in nood gaat om de totale nood van die mens, dat wil zeggen om zijn lichamelijke nood, de nood van zijn sociale omstandigheden, maar niet in de laatste plaats ook om zijn geestelijke nood. De maatschappelijk werker moet ook pastor zijn, die over de diepste levensvragen, over de vragen van leven en dood, over de verhouding van de mens tot God op de reche wijze — zij het ook op het juiste moment — kan spreken.

De tendens is aanwezig om de maatschappelijk werker louter als vakman te zien. Voor het lichaam heb je een arts nodig, voor maatschappelijke nood een maatschappelijk werker en voor het pastoraat een dominee. Maar moet ook de maatschappelijk werker niet duidelijk zicht hebben op de concrete mens, ook in zijn nood en schuld voor God en op de barmhartigheid, die vanuit Christus, de Barmhartige Hogepriester, strikt in dividueel gericht is ? Het besef dient verder aanwezig te zijn dat vernieuwing van maatschappelijke structuren — hoe nodig soms ook — niet de oplossing van de problemen brengt als de mens in die structuren niet verandert. Het gaat ook in het sociale werk om bekering, bekering van mensen; en dan daarin òòk van structuren, van leef- en werkverbanden, maar dan zo dat de dienst aan de levende God gestalte krijgt en vandaaruit ook de dienst aan de mens.

Nog maar aan het begin

Met het initiatief voor de nieuwe sociale academie staan we nog maar aan een begin. Maar de nood is opgelegd en daarom is de koers uitgezet. We vatten dit werk aan in het besef dat het schip, dat nu varen gaat, alleen goede koers zal houden als het onder goede vlag en met goed kompas vaart en als het ook een stevig anker heeft, waarop het schip kan vastliggen in stormachtige perioden. De God van de hemel doe het ons gelukken, tot eer van Zijn Naam en tot heil van mens en samenleving.

***

We hopen intussen op veler steun. Gebleken is al dat de gemeenten ons niet beschamen maar dat ze er achter staan. Voor de komende jaren is al meer dan de helft van het bedrag (f 700.000,— per jaar) binnen of toegezegd. Ook hier staan we echter aan het begin zodat we hopen op blijvende steun. Alleen met gezamenlijke offerbereidheid zal het lukken.

Tenslotte nog een tweetal gegevens. Het adres van de secretaris is de heer W. Huizer, postbus 9019, Dordrecht. Van de penningmeester: drs. R. van Bochoven, President Kennedylaan 50, Vleuten. Zijn gironummer is 2906330.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.