+ Meer informatie

UIT DE PRAKTIJK

6 minuten leestijd

27

Op één onzer huisbezoeken ontmoetten wij eens een man, die reeds enkele malen was aangekomen aan het Heilig Avondmaal, dus het lag op onze weg om daar ook een weinig aandacht aan te schenken tijdens dit bezoek. Een paar woorden waren voldoende om hem uit te lokken tot spreken. Het werd wel een lang verhaal, maar het bevredigde ons niet. Wij hoorden wijlen Ds. Riekel eens zeggen van de preekstoel: „Er zijn mensen, die vlak bij de grens wonen, één stapje verder en ze zijn over de grens”. En inderdaad ontmoet men zulke mensen, die heel wat weten te spreken uit kracht van overtuigingen, en toch als het er op aan komt voor de grens blijven staan. Zo ongeveer bevonden wij het ook bij deze man. Gevoelig aangedaan vertelde hij ons van de vele bekommernissen, waaronder hij al vele jaren verkeerde. Onder indrukken van dood en eeuwigheid levende was het lang niet makkelijk voor hem. Soms drukte het hem zwaar als hij bedacht, dat hij voor God niet zou kunnen bestaan in de grote dag.

Met veel gemoedsbewegingen vertelde deze man verschillende dingen, waarvan wij haast zouden denken: hier kon wel eens iets van de Heere bij zijn, en toch over het algemeen meenden wij een gemis waar te nemen, dat wij zo direkt niet onder woorden konden brengen. Het werd ons gaande onduidelijker waaruit hij opkwam en waar het hem onder dit alles om te doen was, zodatwe in onszelf zuchtten om enig licht en vrijmoedigheid.

Na hem lang te hebben gehoord wisten wij niet anders te doen dan hem te vragen of hij met al hetgeen hij ons verteld had, ooit een verloren zondaar onder God geweest was, want daar komt het toch op aan; om met zijn zonden door de nood gedreven onder God terecht te komen is zo noodzakelijk, om het daar te beleven, dat de Heere recht is als Hij mij voor eeuwig wegdoet; daar is het nood, maar daar laat de Heere zo’n ziel niet in omkomen. Aan ’s mensen zijde is het dan afgesneden, want hij valt toe, dat de Heere niet anders kan handelen dan het eeuwige vonnis over hem voltrekken; maar hier vindt dat grote wonder plaats, dat er van ’s Heeren wege een mogelijkheid wordt geopenbaard, waarin de verloren zondaar genade kan bewezen worden, vriend, dat is een eenzijdig Godswerk, voor u en mij ten hoogste noodzakelijk om dat te ondervinden, want in die weg komt er plaats voor een Borg en Middelaar. Hoe zit dat nu, vriend, want deze dingen hebben wij zo gemist in hetgeen u ons vertelde. Ik moet eerlijk bekennen, dat ik aan die zaken, zoals u die voorstelde, geen kennis heb, het was mij menigmaal bang, en dan bad ik, en dan gevoelde ik wel eens verlichting, en werd ik weer rustiger totdat het me weer aangreep, dat het zo toch niet goed gaat, want ik weet het van huis uit wegens opvoeding en onderwijs, dat een mens zoals hij geboren is voor God niet kan bestaan, daar moet een wonder aan een mens gebeuren.

Ja vriend, dat is een wonder als de Heere een zondaar van dood levend maakt, en dat blijft voor zo’n mens een wonder; als dat ook bij de voortduur voor zijn aandacht komt, zucht hij het wel eens uit voor de Heere: Wat heeft U toch bewogen orn naar zo’n vloekwaardig zondaar om te zien? Want bij nadere ontdekking aan zijn inwendig bestaan wordt dat wonder al wonderlijker, al is het dat de Heere wel eens verzekering gegeven heeft van Zijn eeuwige liefde. Ja vriend, voor wie dat wonder geen wonder meer is, die mag het wel eens nakijken of het wel ooit een wonder geweest is, want dat volk heeft meteen wonderdoend God te doen, en zij zijn een volk van het wonder. Maar wij hebben u ook enkele malen opgemerkt aan de tafel des verbonds. Hoe was u toen gesteld, wat bewoog u er toe, was daar een bijzondere oorzaak voor? Want dat is toch geen geringe zaak; ja, zien we rondom ons hoevelen aan de bediening gaan, dan zouden we wel denken dat het getal van Gods kinderen niet zo klein schijnt tezijn; maar ook dit is een persoonlijke zaak, en is het recht, dan spreekt daar toch onze persoonlijke verhouding tot de Heere uit en komt het er op aan of wij ook een recht van boven hebben ontvangen om aan te gaan.

Ja man, dat kan ik zo niet verklaren, ik heb soms een drang in me, en dan kan ik niet in mijn bank blijven zitten. Vraagt u mij of ik er wat bijzonders voor had om aan te gaan dan moet ik dat ontkennen, ik weet eigenlijk niet te zeggen hoe ik gesteld was.

Wel vriend, wat is het dan dat u deed aangaan? Uit hetgeen u ons mededeelde kunnen wij niet opmaken dat u enige kennis hebt opgedaan van de Heere Jezus. Zelfhebtuons gezegd wel te geloven, dat er een Heere Jezus is, want het staat in de Schrift, maar hoe zullen wij enige kennis van Hem kunnen verkrijgen indien Hij niet in onze harten wordt geopenbaard? En het is toch de Heere Jezus, Die het Heilig Avondmaal heeft ingesteld voor Zijn volk, aan wie Hij de opdracht gegeven heeft: „Doe dat tot Mijn gedachtenis”. Dus dat houdt in, dat Zijn volk Hem min of meer kent, want hoe zal men gedachtenis stichten van iemand, die men niet kent? En de Heere heeft dit sakrament gegeven tot versterking van het geloof. Dus er moet geloof in Hem zijn, zal het kunnen versterkt worden.

Dit zijn toch wel zaken, die de overweging waard zijn. De Heere heeft dit ingesteld voor Zijn volk, maar dan moet er toch wel enige wetenschap van zijn dat, en hoe, wij tot Zijn volk zijn gemaakt. Wij mogen deze dingen wel recht naar Gods Woord en de belijdenis stellen, want wij vrezen, dat velen wel gebruikmaken van het Heilig Avondmaal en van deze dingen onkundig zijn, en aangaan op een gemoedelijke grond of op een blote belijdenis zonder deze zaken ter harte te nemen. Men zegt wel eens: ik ben aangegaan met de woorden van Esther: Kom ik om, dan kom ik om; en wij weten, dat Gods volk toestanden kan beleven, dat deze woorden bewaarheid worden, maar let hier nu goed op; toen Esther deze woorden sprak was de koning Ahasveros geen vreemde voor haar, zij kende hem. Dus hoe noodzakelijk voor u en ons om deze dingen te onderzoeken, of dat wij waarlijk van ’s Heeren wege een recht ontvangen hebben om aan te zitten aan Zijn tafel. Denk over hetgeen wij vanavond besproken hebben ernstig na, opdat wij ons niet mogen bedriegen, menende bezitters te zijn, terwijl we nooit missers geweest zijn.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.