+ Meer informatie

Jisken Pieters Hijlaridis

5 minuten leestijd

4.

Wij willen verder naar Jisken luisteren.

O mijn vriend, wat maakt het geloof ons al vrij, vrij ook van alle omstandigheden van dit’ ondermaanse leven. Want om te kunnen geloven, dat de Heere God in het dierbare bloed der verzoening voor elk schuldig en verloren volk ontfermend en getrouw is, daarvoor hebben wij zulk een onwankelbare grond in Gods getuigenis. In mijn hart is het nu eens nacht en dan eens dag, maar Gods Woord is geen nacht, daar het eeuwig een verzoend aangezicht voor Zijn arm volk altijd vrolijkheid en licht is, opdat hun harten ook in de grootste smarten nog in de Heere zouden kunnen gerust zijn.

O mijn vriend, konden wij dat Woord slechts eenvoudig geloven en daarin met lijdzaamheid zien op de barmhartige en medelijdende Hogepriester, Die in alles verzocht is geweest als wij, doch zonder zonde, dan zouden wij niet bezwijken noch verflauwen in onze harten, maar in stilheid én vertrouwen zou onze sterkte zijn.

„Hebt gij lust om het lijk nog eens te zien?” zo vroeg Jisken.

In antwoord hierop gaf haar bezoeker te kennen, dat dit niet nodig was, vooral omdat hij vreesde, dat het zien van de afgestorvene haar uit haar bedaarde gemoedsstemming zou wegrukken.

„Heb daarvoor geen vrees”, sprak zij toen. „Zolang ik zoveel goedheid in de Heere zien mag, als ik thans van Hem kan geloven, zolang heb ik kracht genoeg om het lijk van mijn dochter met bedaardheid te aanschouwen”.

Zij bracht hem daarop naar een bovenkamer, waar men het lijk op de vloer had gelegd na het bedekt te hebben met een laken. Zij knielde naast de afgestorvene neer, sloeg het laken van het aangezicht op en staarde het enige ogenblikken zwijgend aan.

„Zie”, zo sprak zij tenslotte, „daar ligt nu haar stof. Wat heb ik dat kind liefgehad, haar lichaam, haar verstand ontwikkelde zich zo goed, in mijn werk was zij mij tot hulp. Ik was waarlijk hoogmoedig op haar en ook zij had mij zo lief. Zij kon niet buiten haar moeder, en ik kon nergens gaan of ik was met mijn gedachten bij haar. Waarlijk, de Heere had mij in haar een lief kind gegeven. Nu is zij dood. De Heere heeft die ogen en die mond voor mij toegesloten, mijn rechterhand heeft Hij afgehouwen, maar Hij is de Heere, Hij doe wat goed is in Zijn ogen. Ik moet leven bij hetgeen Hij mij geeft, en dat wil ik ook, en mag ik haar niet houden, welnu, ik geloof, dat Hij er wijze en goede redenen voor heeft, al kan ik die redenen niet begrijpen. Hij zegt mij immers, dat ik blind ben, en dat geloof ik ook. Wil Hij mij bij de hand vatten en mij leiden naar Zijn raad tot zaligheid, ach, dat ik dan die raad goedkeure en billijke, ook wanneer mijn hart eronder dreigt te bezwijken. Misschien zult gij mij vragen”, zo ging zij verder, „of ik dan zoveel verwachting heb voor de toekomst van mijn kind en dat ik haar daarom zo gemakkelijk kan overgeven.

Toen haar bezoeker te kennen gaf, dat die gedachte inderdaad bij hem opgekomen was, maar dat hij schroomde haar dit te vragen, sprak zij: „Gij moogt mij dit wel vragen, maar ik moet u antwoorden, dat ik die verborgen dingen voor de Heere laat. Ik heb met mijn kind veel gesproken over de Heere Jezus en de noodzakelijkheid der bekering. Ik heb veel voor en met mijn kind mogen bidden. Maar ik heb nooit gezien, dat een wezenlijke, blijvende indruk bij haar gekomen is. Zij was jong, haar hart had de dingen die in de wereld zijn lief, en ik weet niet anders of zij is alzo gestorven. Evenwel weet ik, dat zij in de handen van een God gevallen is, Die haar beter kende dan ik, en Die haar ook geen onrecht zal doen, en gelijk ik haar in de doop aan een drieënig God heb opgedragen als een kind, dat in zonde ontvangen en in ongerechtigheid geboren was, heb ik haar deze morgen weer aan de drieënige God afgestaan, Wiens raad zij zo spoedig had uitgediend.

En wat mij betreft, ik geloof vastelijk, dat als de Heere ook mij zal oproepen, ik voor Zijn troon niets anders zal te doen vinden dan Hem en al Zijn daden te aanbidden en te bewonderen, hetzij ik mijn kind daar vind of niet. Wat wilt gij dan? Zal ik mij nu door mijn onwillig en onverloochend hart latn verleiden, om hier af te keuren wat ik eeuwig zal moeten billijken en prijzen? Zal ik hier klagende uitroepen: Heere, wat doet Gij? terwijl ik vastelijk geloof, dat ik misschien spoedig beginnen zal met de gehele triomferende kerk uit te roepen: Gij hebt alles wél gemaakt! Neen, dat zalige werk, hetwelk mijn hemel zal wezen, namelijk God en het geslachte Lam dankzeggende groot te maken, daarvan wens ik door genade hier reeds iets te leren en te beginnen.

Het was — zo vervolgt de schrijver — geen morgenwolk van onderwerping geweest, maar een geheiligde oefening, die bij haar een vreedzame vrucht der gerechtigheid droeg, gedurende de weinige dagen, die de Heere haar nog bij ons wilde laten.

Er zijn ook nu nog kinderen des Heeren, die Jisken in dit alles verstaan en die met Asaf instemmen:


’k Zal dan gedurig bij U zijn,
In al mijn noden, angst en pijn;
U al mijn liefde waardig schatten,
Wijl Gij mijn rechterhand woudt vatten.
Gij zult mij leiden door Uw raad,
O God, mijn Heil, mijn Toeverlaat;
En mij, hiertoe door U bereid,
Opnemen in Uw heerlijkheid.
Psalm 73 : 12

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.