+ Meer informatie

Moeders over verkering

17 minuten leestijd

Verkering. Een onderwerp dat het gros van de jongeren mateloos boeit, maar dat hun ouders soms nogal wat zorgen geeft. Moet je het serieus nemen als ze op hun 14e met een meisje aan komen? Of als je dochter de derde kandidaat voorstelt? En wat als je het met hun keus absoluut niet eens bent? Of als ze vakantieplannen-voortwee smeden? Vijf moeders die soms „hun hart vasthouden", „als ouder toch toeschouwer zijn" en het belangrijk vinden als de kinde ren „op één golflengte zitten".

Leken verkeringen op jonge leeftijd vroeger vooral uitzondering, tegenwoordig schijnt het regel te zijn dat je op je 14e een levensgezel zoekt. Ook de vijf moeders maken zulke situaties mee. Kan dat wat worden?
Ten Brinke: „Bij ons waren ze ouder, een jaar of 18." Adriaanse: „Peter had vanaf z'n 15e verkering, en ze zijn getrouwd toen ze 21 waren. We hadden trouwens nog briefjes van haar, uit z'n broodtrommel, geschreven toen ze een jaar of 11, 12 waren."
Van Rijn: „Ik hoorde pas nog van iemand die 13 was toen-ie verkering kreeg en die is deze week getrouwd."
Ten Brinke: „M'n schoonzus ook, vanaf haar 14e, en nooit een ander hoor." Stam: „Tja, met hun 14e komen ze in de puberteit, ze krijgen andere gevoelens, aandacht voor zichzelf: hoe zie ik er uit? M'n zoon had pas een puistje. nou, dat was heel erg! Je moet het kind altijd serieus nemen, maar de verkering niet. Als ze het vertellen, neem ik ze serieus."
Adriaanse: „Bij Peter noemden wij het vriendschap, maar zijzelf zeiden: verkering. En hoe harder wij "vriendschap" riepen, hoe meer zij "verkering" volhielden. Ze ginger er juist tegenin."
Ten Brinke: „Als je ertegen bent, gaan ze stiekem doen."
Adriaanse: „Ja, maar als ouders heb je wel in je achterhoofd: Blijft dit aan?"
Van Rijn: „Je reageert anders. Niet meteen van: Kom maar een weekend en zo."

Geen zicht op
Ten Brinke: „Ik mocht ook niet van m'n ouders, toen was ik 16. Heel begrijpelijk; hij was onkerkelijk en zo stom als het achtereind van een koe. Hij kon alleen maar over auto's praten. Maar ja, het was zo'n knappe knul, ik was helemaal... bedwelmd! Uiteindelijk mocht-ie een keer thuis komen - en toen was het zo van de baan. Toen het mocht, zag ik dat het toch niet wat was." Stiekem wordt er door de kinderen niet gedaan. De ouders worden van elke verkering op de hoogte gesteld.
Adriaanse: „En anders merk je het wel!"
Stam: „Ze vinden het ook wel leuk om het te vertellen. Lianne was 15 en hij 18, en hij kwam het heel officieel vragen, 't Is nu drie jaar, en zó serieus. Wij hebben wel gezegd: Ze is pas 15, wij bepalen in het begin hoe vaak je elkaar ziet. Dat vond hij prima, hij had het ervoor over."
Van Rijn: ,Ja, dat kan op die leeftijd. Als ze ouder zijn kun je dat niet zo goed leiden!"
Stam: „Nee. Kees zit op kamers in Delft en daar had hij een meisje. Tja, dan heb je er geen zicht op."
Adriaanse: „Dan moet je vertrouwen in je kind hebben."
Van Rijn: „Als ze thuis zijn en het afscheid nemen in het halletje duurt wat lang, kun je eens op de deur tikken."

Zelf inzien
Ten Brinke: „Onze dochter woont op kamers en toen ze verkering had wilde ze niet het ene weekend bij hem en het andere weekend bij ons zijn; ze zei: Ik woon hier. Dan zaten ze 's zondags bij haar in huis. Hij kon wel thuis slapen."
Van Rijn: „En ze was toen 26? Ja, dan heb je er niets meer over te zeggen. Maar ze kunnen hun verstand toch gebruiken!"
Adriaanse: „Als ze jong zijn, moet je ze meer begeleiden. Toen Mark 16 was, kreeg hij verkering met een meisje van 19. Een jongen van 16, dat is nog een puber. Maar een meisje van 19... We hielden ons hart vast. Ze zijn zelfs verloofd geweest. Maar na twee jaar was het uit. Je kunt wel praten, maar ze moeten het toch zelf gaan inzien. Dat zei Marianne ook tegen me, met die buitenlandse jongen: Ik zal het toch zelf moeten inzien."
Van Rijn: „Maar je moet ze niet loslaten."
Adriaanse: „Nee. Je kunt alleen hopen en bidden. En nu is ze zelf zo ver."
Stam: „Ze kan jou nu niets kwalijk nemen dat het uitraakt; ze heeft er zelf een punt achter gezet."

Kerk
Adriaanse: „Ik dacht: Och, het is een vakantieliefde, het gaat wel over. Niet dus. 't Is best een leuke jongen hoor, maar ja. dat cultuurverschil. En altijd in het Engels met elkaar praten! Het is wel een christen, dus dat was geen argument. Al heeft een Oosteuropese christen wel een andere achtergrond."
Ten Brinke: „Ik dacht vroeger: Onze kerk, dat is het. Wie bekeerd is komt bij onze kerk. Nu niet meer."
Adriaanse: „Nee, maar Mark heeft verkering gehad met een meisje van een andere kerk, dus een van beiden moest een overstap maken. Dat moeten zij beslissen, niet ik. En hoe  zwaar tillen ze dan aan het godsdienstige leven? Ik had het er toen wel moeilijk mee, Mark was nog zo jong en zij was niet helemaal van onze richting. Dan heb je 't gevoel dat je voor je kind moet denken. Het is uitgeraakt toen we in het buitenland met vakantie waren. M'n man heeft haar toen naar Nederland gebracht. En drie weken later was het weer aan! Maar na drie maanden raakte het definitief uit. Je wordt wel laconieker. Als ze met de derde komen ben je meer afwachtend."

Veel gebed
Van Rijn: „Onze zoon heeft een meisje gehad dat rooms-katholiek was. Dan is het contact toch erg afstandelijk. Je probeert ertegenin te praten, je hebt de angst dat ze je kind meetrekt. We hebben heel veel gesprekken gehad. ook met haar ouders. Die vonden dat we de kinderen de vrijheid moesten geven. Zij mocht absoluut niet met ons mee naar de kerk. Ze kwam wel bij ons, maar wipte ook zo weer weg. want ze voelde zich er niet thuis. Dat kun je niet stimuleren, zeker niet als je kind ook niet al te stevig in z'n schoenen staat. Dan moet er veel gepraat worden èn veel gebed zijn. En als je het dan kunt overgeven, ja, dan gaat het goed. Het heeft wel ruim een jaar geduurd."
Stam: „Je eigen gevoel ten opzichte van een vriend of vriendin speelt mee, want ze komen in je gezin en ze draaien mee."
De Vries: „Een van mijn zoons is met een buitenlands meisje getrouwd, een Ambonese. Hij heeft haar op z'n werk ontmoet. Toen hij na anderhalfjaar met haar trouwde, hij was toen 26, hadden we ze één keer gezien. Ze is "heel licht" hervormd en hij is met haar meegegaan. Ik weet niet of ze naar de kerk gaan. 't Is best een lieve meid, ze komen ook geregeld thuis. Maar zij snapt niets van onze overtuiging. Nu ja. dat probeert ze ook niet echt."
Van Rijn: „De dominee zegt het elke zondag: Dat ligt aan onze onwil."
Ten Brinke: „Maar ik denk wel eens: Onze kinderen, die wèl keurig in de kerk komen, moeten ook bekeerd worden!"
De Vries: „Hij heeft een periode gehad dat hij heel onverschillig was, overal tegenaan schopte en verkeerde vrienden had. Dat is nu niet meer zo, zij zou die vrienden ook niet moeten. Daar ben ik wel blij om. Ik zei toen wel eens tegen hem: Zoek toch een meisje joh. „Dat moet dan zeker van onze kerk zijn", zei hij. Ja... maar bij ons zijn er ook wel die je liever niet hebt!"
Van Rijn: „Als ze een jaar of dertig zijn, regelen ze veel meer zelf, je hoeft je er niet mee te bemoeien."
Stam: „Heb je die behoefte dan?"
Van Rijn: „Nou... soms. Dan denk je: Hier zou ik toch eigenlijk wat van moeten zeggen, al zijn ze dertig."
Adriaanse: „Bij Peter voelden we ons in het begin heel verantwoordelijk. maar als ze dan een jaar of twintig zijn, valt die zorg wat weg."

Op de fiets
Dat een jongen en een meisje samen verder willen, heeft nog steeds niet automatisch tot gevolg dat de wederzijdse ouders ook goed met elkaar overweg kunnen. En het behoren tot hetzelfde kerkgenootschap staat niet garant voor een zelfde sfeer in de beide gezinnen.
Ten Brinke: „Gert, nu mijn man, woonde hier en ik in een dorp iets verderop. En hij mocht zondags absoluut niet komen. Toen is-ie toch ongehoorzaam geweest...! Hij mocht niet met de auto, toen heeft-ie maar een fiets gekocht. Dat mocht natuurlijk net zo min. En we waren van dezelfde kerk."
Van Rijn: „Dat vind ik toch wel strak hoor. Als ze op die leeftijd nog thuis wonen, knijp je toch in je handen!"
Ten Brinke: „Ja tegenwoordig is dat wat nuchterder."
De Vries: „Nou... Een paar jaar terug nog maakten wij hetzelfde mee.. M'n dochter woonde op kamers en haar vriend vier kilometer verderop, thuis. Maar hij mocht zondags niet haar haar toe hoor."
Van Rijn: „Dat de kinderen dat accepteren he. Er wordt wel eens gemopperd op de jeugd, nou..."
Stam: ,Ja, maar die jongen is zo'n sfeer gewend. Ik vind het heel belangrijk dat je met de ouders van de vriend of vriendin goed kunt praten en dezelfde gedachten hebt over de verkering. Dat is voor de jongelui ook belangrijk."
Ten Brinke: „Mijn ouders hadden heel weinig contact met Gerts ouders. Dat was zó'n andere golflengte. Wij hebben dat net zo met de schoonouders van Annet."

Aan elkaar plakken
Van Rijn: „D'r hoeft nog niet eens wat te zijn, 't kan ook dat zij gewoon geen contact willen. Wij kregen te horen: We hebben er al zoveel over de vloer gehad, nu maar even rust. Die mensen hadden al verschillende kinderen met verkering. Later zeiden ze dat het nu wel uitkwam. Op de verjaardag van de vriend kwamen we altijd wel. Niet op die van de ouders, dat is weer een stap verder."
Stam: „Ik vind het ook overdreven om dat gelijk te doen, stel dat de verkering uitgaat."
De Vries: „Bij onze kinderen is de verkering nooit uitgeraakt."
Van Rijn: „Bij een van mijn dochters ben ik er nooit aan begonnen, bezoek aan zijn ouders. Je zag zó: dat duurt misschien driekwart jaar..."
Stam: „Nee, bij Kees schrok ik dat het uit was. Ik was echt gesteld op dat meisje. Het was zo'n leuk stel. Je hebt met je kind te doen, het liefste plakte je ze weer aan elkaar. Toch moet je afstand nemen. In hoeverre mag je sturen in verkering? Dat moet je ook leren. Het is hun leven."
De Vries: „Je moet een stap terug doen."
Stam: „Ik vond die grens toen wel moeilijk te trekken."

Vrijheid
Adriaanse: „Bij Mark z'n tweede verkering dacht ik: Dit is het. Ze gingen zo leuk met elkaar om. Toch was het na een jaar uit."
Ten Brinke: „Ja, het was een aardig stel."
Van Rijn: „Misschien komt het nog 'es. Of hij geniet nu van z'n vrijheid." Adriaanse: „Hij heeft een auto gekocht."
Stam: „Terwijl Lianne van haar eerste salaris al direct wou gaan sparen voor een uitzet en zo. Ik heb gezegd: Koop eerst maar eens wat leuke kleren! Dat vind ik het nadeel van die jonge verkeringen: Ze slaan wat over. Dat ze gezellig met een stel meiden opgroeien. Ik zei dat ze eens met vriendinnen op vakantie moest gaan. Dat is ook gebeurd. Nico vond het goed. Ik heb tegen hem gezegd dat Lianne dat nodig had. En ze is eens gaan winkelen met een vriendin. Dat doet ze altijd met Nico."
Van Rijn: „Een vriendin van Karin is al heel jong getrouwd; ze heeft nu twee kinderen, terwijl Karin nog niet eens een vriend heeft. Ze schrijven met elkaar en pas schreef die vriendin: O, wat zou ik dat ook graag nog 'es willen, zo gezellig, al die dingen die jij schrijft."
Adriaanse: „Peter had na een paar jaar verkering ook iets over zich alsof hij nog van alles moest inhalen."
Stam: „Kees ook. Na school ging hij naar Delft, en dat leven daar ging wrikken met z'n verkering. Hij was actiefin de CSFR en zo. De verkering is nu uit."

Zomerkamp
Adriaanse: „Volgens mij is dat vooral in onze kring, dat ze al zo jong beginnen.
Van Rijn: „Ze ontmoeten elkaar ook overal: op school, in de kerk, op de jeugdvereniging, enz."
Stam: „En vakantiekampen, en bij ons gaan ze zondagsavonds na de kerk altijd met een groep koffie drinken, bij een van allen thuis."
De Vries: „Nou, bij ons waren ze toch zo'n 20, 23 toen ze verkering kregen, heel normaal dus."
Ten Brinke: „Het voordeel vind ik dat ze zo jongelui van hun eigen richting ontmoeten. De kinderen zijn veel meer kerkelijk gebonden."
De Vries: „Bij ons hebben er drie via een zomerkamp verkering gekregen. Els kende hem al van de zang, maar wist niet eens hoe hij heette. Toen ze op reis gingen, zei ze tegen haar vriendin: Hé, daar heb je die jongens van de zang ook. En toen is het in orde gekomen."
Van Rijn: „Je voelt de spanning ook bij de jongelui voor zo'n reis: Ik ben zo benieuwd wie er mee gaan!" De Vries: „Een andere dochter van me had een deelnemerslijst waarop heel wat jongens uit Krabbendijke stonden. Ik zeg tegen haar: Je komt niet met een Zeeuw aan hoor, twee Zeeuwse schoonzoons is genoeg. Maar het was wel zo!"

Onverwachts
Ten Brinke: „Een van onze zoons moest niets van de jeugdvereniging hebben. Maar opeens ging hij wel. Hij bleek een meisje op het oog te hebben. We wisten echt nérgens van. Het was een donderslag bij heldere > hemel. Kwam-ie thuis: Ik heb verkering. En toen hoefde de vereniging niet meer..."
De Vries: „Bij ons was het ook een keer heel onverwachts. M'n dochter werkte in Zeeland. Toen hoorde ik op een keer van iemand dat ze verkering zou hebben. Ik wist nergens van. Ze ging soms wel gauwer terug naar Zeeland dan het werk eiste, ik dacht wel 's: D'r zit zeker een trekpleister. Maar toen ze opbelde en zei: Ik heb een nieuwtje, dacht ik er helemaal niet meer aan. En Ellie belde uit Zwitserland. Ze zat daar met een kamp, dat had ik haar aangepraat. Toen belde ze op: Ik heb een vriend."
Adriaanse: „En het bleef aan! Want vaak gaan vakantieverkeringen weer uit."

Eerlijk
Zodra de verkering een feit is, voelen de meeste jongelui geen behoefte meer om met een groep leeftijdgenoten op vakantie te gaan. Ze gaan met de ouders of aanstaande schoonouders op pad, zeggen de vijf moeders.
Ten Brinke: „Omdat je niet wilt dat ze samen gaan, en dat zien ze zelf ook wel."
Adriaanse: „Nou, Mark zag dat niet zo. Wij konden dat nou wel zéggen..."
Van Rijn: „Bij ons is het ook een keer gebeurd, nou, je houdt je hart vast! Ze waren wel in de dertig, maar als ze verkeerde dingen doen is het net zo erg als wanneer ze twintig zijn."
De Vries: „Je doet er niets aan, maar je blijft je wel verantwoordelijk voelen."
Van Rijn: „Je wilt ze vertrouwen, maar ik zei wel: Als je gaat trouwen, wordt op de kerkeraad gevraagd of je huwelijk eerlijk is."
Stam: „Ik vind het heerlijk dat ze het zo leuk vinden om met ons mee te gaan."
Ten Brinke: „En ik vind het een wónder, dat onze kinderen er nooit iets van gezegd hebben dat ze met ons meegingen. Wij gingen vroeger namelijk wel met ons vieren, Gert en ik en nog een stel. Wij deden het gewoon en onze ouders zeiden er niets van. Onvoorstelbaar eigenlijk."
Adriaanse: „Wij gingen ook met z'n vieren."
Stam: „Wij met z'n tweeen, maar dat bleek een groepsreis te zijn. De anderen vonden het belachelijk dat wij elk een eigen kamer hadden."
Van Rijn: „Dat je samen ging, komt doordat de ouders niet op vakantie gingen. Die wisten niet wat het was."
Adriaanse: „Nou, maar ze snapten best dat er dan een zekere verleiding is, als je dag en nacht met z'n tweetjes bent."
Stam: „Ach, het zit niet alleen op een vakantie vast. Het kan overal gebeuren."

Popi-jopi
De eerste kennismaking met de ouders van vriend of vriendin is een hele stap. Maar ook voor die ouders en de andere kinderen is het even wennen als er opeens een (min of meer) vreemde in de familiekring gebracht wordt. Stam: „Verkering met iemand uit de eigen plaats is gemakkelijker. Een keertje koffie drinken is wat vrijblijvender dan meteen een heel weekend komen."
De Vries: „Wij hebben zes kinderen en onze dochter kwam met een jongen die de enige zoon thuis was; hij had nog een zusje van zes jaar jonger. Bij hen kon meer en hij stond graag in het middelpunt. Dat namen onze kinderen niet. Een andere schoonzoon is er ook een van de zes, dat is heel anders."
Van Rijn: „Een van de kinderen zei tegen de vriend van m'n dochter: Hé joh, wat zit jij de popijopi uit te hangen! Nou, dat kon hij helemaal niet waarderen!"
Stam: „Ook je manier van leven bekijk je opeens anders: Vinden ze dit nou chaotisch, o£.. Maar ja, op den duur denk je: ze moeten het maar accepteren. Je wordt wat makkelijker."
Ten Brinke: „En eigener met elkaar."
Van Rijn: „Ik vroeg ook nog'aan m'n dochter: Wat is-ie gewend te eten, alleen soep op zondag of..? Toen zegt ze: Ma, je bent toch niet gek, doe maar gewoon wat we altijd hebben."
Ten Brinke: „Toen Dinie verkering had, had ma net haar arm gebroken, die was bij ons in, ik had gewoon geen ruimte meer. Dus die jongen moest in de kamer op de grond slapen. Het was best wel een heertje, maar daar moest-ie maar genoegen mee nemen."
De Vries: „Bij ons shep hij op Jaap z'n kamertje. Jaap lag dan op de overloop. Maar later kwam hij door de week ook wel eens slapen, toen lag hij in de buurt in dienst. Nou, ik blééf die bedden aan het verwisselen, ik zei: Nou moet hij maar op de overloop."
Stam: „Als m'n man moe is, gaat-ie gewoon op de bank liggen, ook als Nico er is. Ik had eerst iets van: ik moet erbij zitten, gezellig doen..."
Adriaanse: „In het begin ben je attenter, denk ik."
De Vries: „Maar dat kun je niet volhouden, je eigen in een harnas wringen. Wij zijn nu 's zondags wel eens samen - dan vragen ze nog of je het niet erg vindt! Bij ons begon acht jaar geleden de eerste met verkering, en dat ging allemaal heel snel achter mekaar."

Golflengte
Stam: „Wij zaten laatst op een vrijdagavond met z'n zessen aan tafel, ons eigen gezin. Nico was niet bij ons, Lianne niet daar. Hè, wat gezellig, zeiden we. Hoewel de jongere kinderen het heel "gaaf vinden als Nico een spelletje met hen doet."
Adriaanse: „Maar het is niet vanzelfsprekend, als alles zo gladjes verloopt."
Van Rijn: „En ik denk dat we dat te weinig waarderen."
Stam: „Nou, ik waardeer het wel heel erg; Lianne en Nico zijn zo'n positief stel! Ze zitten echt op één golflengte. Ze gaan samen naar de jeugdvereniging, hebben samen belijdenis gedaan, en zo, dat geeft aan de verkering meer waarde. Als ze verkering hebben met iemand buiten de woonplaats, zit je met verschillende catechisaties en verenigingen, en belangrijke dingen wil je toch in je eigen gemeente doen."
Ten Brinke: „Die van ons hebben ook zulke fijne gezinnetjes. Dat gun ik m'n oudste dochter ook zo. Maar die heeft natuurlijk nu wel minder zorgen."
De Vries: „Ik was ook pas 30 toen ik met verkering begon, dus het kan nog hoor!"

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.