+ Meer informatie

Hoe te handelen met leden die eenmaal per zondag kerken? II

11 minuten leestijd

Herderlijk opzicht

Wanneer met betrekking tot het eenmaal kerken tuchtoefening in de strikte zin van het woord niet de aangewezen weg mag heten, blijft over: het herderlijk opzicht - via prediking, catechese, huisbezoek, persoonlijk gesprek, groepsgesprek.

Zeker op dit punt zou het verkeerd zijn, dit opzicht alleen te zien als taak van de ambtsdragers! Het is goed in dit verband Hebreeën 10–25 te lezen. Daar vinden we de opwekking de „onderlinge bijeenkomst niet na te laten”. En juist in dat verband wordt dan ook gezegd dat de gelovigen elkander moeten vermanen. Het woord „elkander” ontbreekt weliswaar in de Griekse tekst, maar is wel bedoeld en moet in de vertaling toegevoegd worden. Alle gemeenteleden hebben in principe de taak elkaar waar nodig op te wekken en te vermanen. Die vermaning omvat natuurlijk veel meer dan alleen de kerkgang, maar ze heeft zeker ook daarmee te maken. Een welgemeende, hartelijke vraag of hint van een gemeentelid, dat een goede relatie heeft met de betrokkene, kan minder formeel overkomen en daardoor dieper doordringen dan iets dat ambtelijk gezegd wordt. In ieder geval kan de gemeente zich - ook op dit punt - er niet van afmaken met de vraag: „en wat doet de kerkeraad er aan?”

Die kerkeraad heeft hier intussen ook duidelijk een taak! De vraag is nu, hoe die op de juiste wijze vervuld wordt. Is het goed leden die in dit opzicht ontrouw zijn, stelselmatig te confronteren met de vraag: „waarom komt u maar een keer ter kerke?” en met de vermaning om toch vooral tweemaal aanwezig te zijn?

We zullen de ervaring hebben, dat deze benadering op den duur (en soms al snel) nega tief werkt, omdat mensen er door geïrriteerd en gefrustreerd worden. Terecht of ten onrechte - maar het feit ligt er! Het heeft ook weinig zin om gemeenteleden, aan wie tijdens het huisbezoek enkele jaren achtereen deze vraag gesteld is, en die daar ook steeds ongeveer hetzelfde antwoord op gegeven hebben, telkens opnieuw deze vraag in ongeveer dezelfde vorm te blijven stellen. Ook de ambtsdrager voelt zich daarbij „opge laten” - en een vruchtbaar gesprek over andere, „diepere” zaken kan er door geblok keerd worden. Bovendien komt u als ambtsdrager bij deze benadering al spoedig over -ook wanneer u dat niet zou bedoelen - als de man die vooral de regels gehandhaafd wil zien - hetgeen, zoals bekend mag heten, mensen de stekels doet opzetten. Hetzelfde geldt uiteraard van telkens herhaalde stereotiepe opmerkingen in preek of kerkblad rubriek.

Ook vanuit de Schrift gezien is het telkens zonder meer poneren van de regel waaraan men zich heeft te houden, niet zonder bedenkingen. Wie de vermanende gedeelten van Paulus’ brieven leest, merkt dat hij de regels voor het levensgedrag als het ware inbedt in een appel op de relatie met Christus en met het in Hem geschonken heil. Zo benadert hij in 1 Korintiërs 6 de kwestie van de hoererij niet zonder meer vanuit het zevende gebod (wat toch gemakkelijk mogelijk was geweest), maar vanuit de vraag: „Weet gij niet dat uw lichamen leden van Christus zijn?” (v. 16a). Welk gedrag wèl moet of niét kan, wordt bepaald door het toebehoren aan Christus!

Wanneer dat al geldt voor zaken, waarover God in zijn geboden toch uitgesproken voorschriften heeft gegeven, geldt dat zeker voor het onderwerp „de tweede kerkdienst” -waarvan erkend moet worden dat die niet rechtstreeks als voorschrift in Gods Woord is te vinden.

Vanuit de kern

Hoe moet dus, gelet op wat we tot nu toe zagen, de strijd tegen het verzuim van de tweede kerkdienst vooral gevoerd worden?

Door op allerlei wijzen de gemeente(leden) te herinneren aan die Schriftwoorden en -gedachten, waarin we horen dat voor wie het bij Christus zoeken het samenkomen met de gemeente rondom het Woord van levensbelang is en de hoogste prioriteit moet hebben. De centrale vraag van de band met Christus verdwijnt dan niet uit het gezicht, maar blijft in het middelpunt staan. En van daar uit kan dan als geestelijk voedsel uit de Schrift worden aangereikt

- hoe nodig het is voor het ontstaan van het geloof zich te stellen onder de verkondiging van het evangelie als zaad van de wedergeboorte (1 Petrus 1 : 23, 24);

- hoe onmisbaar het is voor de groei van het geloof te verlangen naar de melk van het Woord (1 Petrus 2 : 2);

- hoe schadelijk het is voor de opbouw van het persoonlijk geloof en van de gemeente, wanneer we naar eigen willekeur omgaan met wat Christus aan ons doen wil door de dienst van de „herders en leraars” die Hij geeft (Efeziërs 4 : 11–15);

- hoezeer we de prikkel tot liefde en goede werken nodig hebben die de Here ons juist via de onderlinge bijeenkomst wil geven - en hoezeer ook de àndere gemeenteleden die prikkel van òns moeten krijgen (Hebreeën 10 : 24). „Wanneer men op zichzelf - buiten de zorg voor en de zorg van de andere gemeenteleden - het geloof wil beleven, verschraalt het geloofsleven en dreigt men van het heil te vervallen”. Dat kan, zelfs, bij Christus’ wederkomst, onherroepelijke gevolgen hebben. „Wie zich onttrekt aan de gemeente - ook zoals deze concreet in de onderlinge bijeenkomst gestalte krijgt - onttrekt zich aan de gemeente die op weg is naar de ontmoeting met haar Kurios” (Aanhalingen uit: dr. J.P. Versteeg, Oog voor elkaar, Kampen 1980.2e druk, blz. 68,69);

- hoe de goede Herder juist waar de kudde bijeen is, zijn stem laat horen om zijn schapen bij name, dus persoonlijk, te roepen (Joh. 10 : 3, 4) en hoe Hij Zich op een afstand kan houden zolang iemand zich moedwillig aan het samenzijn onttrekt (Joh. 20 :24–29);

- hoe de Here met name ook in de samenkomst van zijn volk de ervaring, de bevinding, van zijn heil wil geven - niet het minst door het zingen van de gemeente; zie bijv. Psalm 27 .4.8.9.13; 133; Efez. 5 :18,19; Kol. 3 :15,16.

Deze opsomming zal door ieder die wat thuis is in de Schrift aangevuld kunnen worden. Zo is er een schat van beloften en aansporingen waarmee de gemeente in dit opzicht bearbeid kan worden - dus niet slechts degenen die ontrouw of minder trouw zijn. Want allen, ook zij die trouw tweemaal komen, moeten (wil de kerkgang voor hen een levende zaak blijven) telkens weer leren wàt ze doen (en waaròm ze het doen), wanneer ze naar de kerk gaan.

En in het kader van het bezig zijn met deze dingen uit de Schrift kan dan, met wijsheid gedoseerd, van tijd tot tijd als praktische toespitsing de tweede kerkdienst ter sprake komen.

Geldt dit alles ook voor de tweede dienst?

Stellig zult u stuiten op de tegenwerping: allemaal akkoord - maar kunnen deze dingen ook niet tot hun recht komen, als je trouw elke zondag eenmaal kerkt? Wie bewijst dat tweemaal nodig is?

Dat bewijs is inderdaad uit de Schrift niet te leveren. Toch is er wel een antwoord te geven op deze vraag, en wel door te wijzen op wat het Nieuwe Testament zegt over de overvloed van Gods werk voor ons en in ons.

Het is de moeite waard, aan de hand van een concordantie eens na te gaan hoe

1. de genade die God geeft gekenmerkt wordt, niet door zuinigheid en karigheid maar door overvloed: zie Joh. 10 :10, Rom. 5 :15, 17, 20, Ef. 1: 8, 2 Kor. 1 : 5, 3 : 9, 9 . 8, 1 Tim. 1 :14. Maar dan ook, hoe door die overvloedige genade

2. het leven van de gelovige overvloedig wordt: in goede werken (Hand. 9: 36, 1 Kor. 9:8), in liefde (2 Kor. 2: 4, 8:7, Filipp.1 : 9, 1 Tess.3:12), in dank (2 Kor. 4: 15, Kol. 2: 7), in blijdschap (2 Kor. 8 : 2), zie ook 2 Petrus 1 : 5–8.

Het is eenvoudig niet te rijmen met dit overvloed-karakter van het christelijk leven als men - op welk punt dan ook - zich schriel en karig gedraagt en al snel de vraag stelt „of het zo niet genoeg is”. Dat geldt ook van het samenkomen met de gemeente. Als we daarop bezuinigen, en zeker als we het deelnemen daaraan vrijwillig halveren - zijn we dan kenbaar als mensen die leven uit de overvloed van Gods genade? Kennen we dan werkelijk die overvloed? Het zijn gerechtvaardigde vragen. Het zijn, als het eropaan komt, vragen naar onze liefde - want echte liefde is niet zuinig. Liefhebben met mate is een onmogelijkheid ! Op het punt van onze liefde tot de Here vallen daarom de beslissingen, ook met betrekking tot de (tweede) kerkdienst. Het is goed, deze dingen aan de orde te stellen juist in verband met de voorbereiding en nabetrachting op het Heilig Avondmaal, waarin we Hem gedenken „die ons eerst zo uitnemend heeft liefgehad”. Hoe zullen wij met onze liefde antwoorden op die liefde - ook in onze kerkgang?

Individualisering

We moeten ons er daarbij rekenschap van geven, dat het liefde-antwoord van de gemeente (ook in haar kerkgang) in onze tijd sterk bedreigd wordt door de individualisering. Daarmee wordt in dit verband het volgende bedoeld. Vroeger werd het over het algemeen tamelijk vanzelfsprekend geacht, dat men z’n eigen programma voegde naar dat van de levensverbanden waarvan men deel uitmaakte. In onze tijd is dat anders. Eigen privé- of gezinsprogramma heeft voorrang. Het deelnemen aan grotere verbanden wordt daaraan ondergeschikt gemaakt. De spelregels van de gemeenschap dienen zoveel mogelijk „op maat” gemaakt te worden voor het individu. En past de gemeenschap haar spelregels zelf niet aan, dan schept men, waar dat mogelijk is, z’n eigen spelregels. Dat betekent ten aanzien van kerk en gemeente: men maakt er plaats voor, zolang het in eigen programma past. Maar doet zich iets voor, dat men in dat eigen programma belangrijker vindt, dan kiest men daarvoor. Te denken is aan een verjaardag, recreatie, sportbeoefening, bezoek van of aan familie, een gezellige zaterdagavond - tot in de kleine uurtjes - enz. Het betrokken zijn bij de gemeente en het deelnemen aan kerkelijke activiteiten moet daarvoor dan al snel wijken - zeker in de week -, maar het gaat ook steeds meer gelden voor de kerkdienst.

Daar komt bij, dat het moeilijk is over deze dingen een serieus gesprek te voeren. Bij de individualisering hoort immers ook de gedachte, dat ieder voor zichzelf moet weten en uitmaken, wat hij al dan niet verantwoord vindt. Een ander heeft daar niet mee te maken en moet zich er dan ook niet mee bemoeien. Gevolg is, dat men niet open staat voor correctie door anderen, dus zeker niet voor „herderlijk opzicht”.

Het is duidelijk, dat de ambtsdrager die hier fors tegen ingaat, de slag al bij voorbaat verloren heeft! De enige kracht die het van deze mentaliteit winnen kan, is die van de liefde: Gods liefde die door de Geest wordt uitgestort in het hart (Rom. 5: 5 - ook zo’n overvloedswoord!), en ons brengt tot wederliefde. En van daaruit tot erkenning van Christus die als de Heer van ons leven het recht heeft op ons programma zijn prioriteiten in te vullen. We zullen in onze ambtelijke (en niet-ambtelijke) contacten met veel geduld en liefde moeten trachten die dingen te zeggen, die de Geest kan gebruiken om ook mensen van deze tijd voor Christus te doen buigen.

Wie daarbij bedenkt, dat hij ook zelf deel heeft aan deze tijd en haar mentaliteit, zal ervoor bewaard worden, de vinger vermanend op te heffen op een manier die meer bederft dan goedmaakt. Het virus van de individualisering beperkt zich niet tot enkelen en doet z’n invloed niet alleen gelden op het punt van de kerkgang. Het waart rond in de hele gemeente, in allerlei vormen, en gaat ook aan ambtsdragers niet voorbij. Ook dat is een (belangrijk) argument om niet één symptoom ervan (het eenmaal kerken) met tuchtmaatregelen te bestrijden. De gemeente als geheel, en ieder gemeentelid persoonlijk wordt hier gesteld voor de kritische vraag naar de verhouding tot Christus. Want er is een „geloof”, waarbij Hij niet openlijk wordt afgewezen. Integendeel: Hij wordt aanvaard - mits Hij Zich wil voegen in een leven, waarin niet zijn wil, maar onze wensen bepalend zijn. Dan bouwt men echter zijn huis niet op de rots, maar op het zand - en het zal op het beslissende moment geen stand kunnen houden (Matt. 7 : 24–27). Laat - bij alle geduld en liefde in het ambtelijke werk - dat wel met alle duidelijkheid aan de orde worden gesteld! (Laat er overigens geen twijfel over bestaan, dat dat ook geldt voor hen die (nog) wel traditiegetrouw tweemaal kerken, wanneer bij hen de band van liefde en gehoorzaamheid aan Christus Zelf zou ontbreken.).

Inmiddels mag duidelijk zijn, dat bezinning en bekering op het punt, waar het in dit artikel om ging, wel heel urgent zijn. Ook in dat opzicht geestelijk leiding te geven aan de gemeente, is de taak waartoe ambtsdragers geroepen zijn - en waarvoor ze de kracht mogen verwachten van Hem die hen riep.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.