+ Meer informatie

OPENINGSWOORD LANDELIJKE AMBTSDRAGERSCONFERENTIE op zaterdag 5 Oktober 1996 in de Ichthuskerk in Amersfoort

9 minuten leestijd

Geachte broeders,

U hebt het waarschijnlijk allemaal in de krant gelezen, dat er in ons land steeds meer bijbels worden verkocht. In 75% van de Nederlandse huishoudens zou - aldus een onderzoek - een bijbel te vinden zijn. En in Amsterdam - aldus mijn krant - komt een cursus op gang die tot doel heeft buitenkerkelijke mensen de bijbel te leren lezen en hen op die wijze te leren zien hoezeer onze westerse cultuur in de waarden en normen van het christelijke geloof is gedrenkt. Een en ander is zeer opmerkelijk als we tegelijkertijd moeten vaststellen dat het procès van de secularisatie doorgaat. Is het uit curieuze belangstelling dat er zoveel vraag naar de bijbel is? Of vraagt het geestelijk vacuum dat door de secularisatie ontstaat toch op een of andere manier weer te worden gevuld? Een nog belangrijker vraag is of dit de kerk van Christus in haar getuigenis naar buiten kansen biedt en dat dan vooral in het persoonlijke getuigenis van elk individueel kerklid. In het kader van wat ons vandaag bezighoudt, is deze vraag niet onbelangrijk.

In één van de grote Steden kwamen twee ouderlingen enige tijd geleden op de gedachte in hun wijk in het gesprek bij het huisbezoek, zowel bij jongeren als bij ouderen, consequent de vraag op te nemen hoe men het christen zijn in de samenleving van vandaag ervaart. Anders gezegd: bent u, ben jij, wel eens in de gelegenheid of neemt u, neem jij, wel eens het initiatief om in de ontmoeting met mensen in werk- en woonomgeving iets te laten blijken van wat u zegt te belijden en te geloven? Voorzover wij onze godsdienstige tradities in de vorm van trouwe kerkgang en het christelijk ritueel in gezinsverband nog trouw waarnemen, drukken we daarin uit dat het om onmisbare geestelijke waarden gaat.

Wij zeggen en zingen in de zondagse samenkomsten met overtuiging uit dat het leven zonder de diepe waarden van ons christelijk geloof onleefbaar zou zijn, maar wordt er van die overtuiging in ons leven van elke dag nu ook iets naar buiten uitgedragen? Zijn wij voor onze collega’s, buren, familie en vrienden herkenbaar als mensen die zich in alle dingen van het dagelijks leven aan het Evangelie van Christus wensen te oriënteren en die zich er niet voor schamen om daarvan in bepaalde situaties onomwonden blijk te geven? Wanneer we op kantoor, in bedrijf, op school of aan de universiteit bijcollega’s en vrienden op een situatie van verdriet stuiten, is er dan vanuit het Evangelie wel eens een handreiking in de vorm van een bemoedigend woord? Als zich in onze omgeving een situatie van onrecht in de menselijke verhoudingen voordoet, durven wij daarop dan vanuit onze geloofsopvattingen zonder aanzien des persoons in te speien? Wanneer in gesprekken onder collega’s of in welke andere verbanden ook, televisie-uitzendingen of publicaties ter sprake komen, waarin de naam van God en die van zijn volk in deze wereld oneer wordt aangedaan, durven wij ons daarvan dan openlijk te distantiëren door te laten blijken dat wij ons van het twijfelachtige genot van zulke uitzendingen en publicaties wensen te onthouden?

Is er, als wij in het bedrijfsleven misschien op een post met meer dan gewone verantwoordelijkheid zijn geplaatst, protest wanneer met commerciële, fiscale of ander handigheden wordt gepoogd financieel voordeel te bewerkstelligen, terwijl evident is dat het om illegale manipulaties gaat? Wanneer in de verbanden waarin wij ons dagelijks bewegen, vraagstukken als milieu, herziening van de economische structuren ten gunste van de landen van de derde wereld en de onontkoombare teruggang in ons welvaartsbestaan ter sprake komen, proberen we dan naar het ons gegeven inzicht en vanuit de noties die het Woord van God daaromtrent bevat, voorzichtig mee te denken? Wanneer de samenleving steeds sterker de neiging vertoont zich van christelijke tradities te ontdoen en op allerlei terreinen een beangstigende daling van het normbesef te zien geeft, mag dan van ons gelden wat in psalm 119:30 staat, namelijk dat ons hart ten aanzien van wat God heeft ingezet, één en ondeelbaar is en dat wij onbesmeurd en onbesmet Gods naam in heel ons leven laten lezen? Zo maar een paar vragen…

Hoe overwin ik dat gevoel van gêne?

De antwoorden die op de huisbezoeken werden gegeven, waren even eerlijk als teleurstellend. Van een overdracht van de eigen geloofsopvatting was nagenoeg geen sprake. Aan een gesprek over God en godsdienstige zaken met andersdenkenden kwam men in het dagelijks leven niet toe. Zelfs in de ontmoeting met geloofsgenoten bij wie men toch snel aansluiting zou kunnen verwachten, kwam het er maar zelden van, zo erkenden enkelen heel eerlijk. Een vliegtuigmonteur die in een montagehal met buitenlandse arbeiders werkt, nam het bij discriminerende opmerkingen van zijn Nederlandse collega’s nog wel eens voor zijn buitenlandse collega’s op, maar van enig geloofsgetuigenis in diepere zin kon echt niet worden gesproken. Met de buren over het geloof praten? Tot nu toe was het er echt niet van gekomen. De argumenten die ter verontschuldiging werden aangevoerd, vertoonden een grote variatie. Ik mis het vermogen om mijn gedachten over God en de geestelijke dingen tegenover anderen in duidelijke woorden om te zetten, merkte een broeder op. Gelegenheden te over, maar ik mis de durf om zo’n gesprek aan te gaan.

Hoe zal ik de weg naar God wijzen als ik er niet zo zeker van ben dat ik zelf mij ook werkelijk op die weg bevind? Waar blijf ik als ik anderen op Jezus Christus wijs en zelf in alle dingen van mijn leven niet zijn beeltenis vertoon? Hoe overwin ik het gevoel van gêne en verlegenheid, dat veelal niet losstaat van het algemene gevoel van onbehaaglijkheid en ongemakkelijkheid dat over mensen komt, wanneer een gesprek op dingenvan geloof en leven wordt gebracht?

Andere argumenten waren: de volstrekte ongeïnteresseerdheid van de onkerkelijke mens in onze samenleving; de meewarig aandoende welwillendheid, waarmee uit burgerlijke of collegiale beleefdheid naar het geloofsgetuigenis van christenen nog wel wil worden geluisterd; de agressieve bekeringsdrift waarmee allerlei godsdienstige groeperingen en sekten de samenleving van vandaag te lijf gaan en die de goodwill van de kerken en haar leden in het getuigenis naar buiten grote schade doet; de moeite die men heeft om aan de moderne mens duidelijk te maken dat ook op de vragen van deze tijd nog de oude antwoorden van de bijbel kunnen worden gegeven.

Als er in de kerken intern met betrekking tot het Woord van God al zoveel onduidelijkheid en innerlijke verdeeldheid bestaat, hoe zal ik dan naar buiten het Evangelie aanprijzen als panacee (medicijn) voor persoons- en groepsconflicten in de wereld?

Veel christenen gaan incognito (onherkenbaar) door de wereld. De antwoorden op de huisbezoeken, die waarschijnlijk symptomatisch zijn voor de brede christenheid in ons land, bewijzen dat en de ervaringen van hen die dagelijks in grote (en misschien ook wel in kleinere) werkgemeenschappen verkeren, bevestigen dat.

Natuurlijk mag men geen onrecht doen aan al diegenen die zich, solitair of in georganiseerd verband, sterk maken voor de verbreiding van het Evangelie in onze geseculariseerde samenleving, maar het kan niet worden ontkend dat veel christenen in een samenleving die al meer ontgoddelijkt, in hun levensopenbaring naar buiten God niet meer of steeds minder present stellen. Geldt van velen van ons niet dat men nog wel van ons weet dat we tot één van de vele gereformeerde denominaties behoren, maar dat uit onze levensstijl niet is af te lezen dat wat wij zeggen te geloven en te belijden, ook werkelijk een integrerend bestanddeel van ons leven is geworden?

In de dagelijkse ontmoeting met mensen

Zonder afbreuk te willen doen aan de betekenis van de opzettelijke evangelisatie zoals die in georganiseerd verband plaatsvindt (die overigens door de buitenkerkelijke wereld niet zelden als kunstmatig gearrangeerde propaganda wordt ervaren), mag men zonder twijfel stellen, dat de grootste invloed van het Evangelie op de samenleving besloten ligt in het getuigende leven van de christen in de ontmoeting met mensen waarmee hij dagelijkse omgang heeft. Het ontbreekt ons echter maar al te veel - zo niet algeheel -aan drang tot en bereidheid om rekenschap te geven van de hoop die in ons is, en het schort vaak aan durf om mensen, die misschien bezig zijn met de laatste resten van hun godsdienstig verleden af te rekenen, in liefde en zachtmoedigheid tot andere gedachten te brengen. Te weinig leeft het besef in ons dat wie een zondaar van zijn dwaalweg terugbrengt, een ziel van de dood zal behouden en menigte van zonden zal bedekken (Jacobus 5:19 en 20). Nu is er wellicht iemand die opmerkt dat er toch ook zo iets is als een christelijk leven met de daad. Getuigend in de wereld staan is toch niet alleen en misschien zelfs niet allereerst een kwestie van woorden. Van een christelijke daad gaat toch een veel grotere voorbeeldwerking uit? Deze opmerking is niet geheel onterecht, maar het mag nooit een alibi (verontschuldiging) zijn om aan het getuigenis in woorden te ontkomen.

Woord en daad zullen, als het goed is, samengaan maar het verbale getuigenis mag in elk geval niet ontbreken. Als de dichter van psalm 119 heeft gezegd dat hij zich aan de wet van de Here zeer verbonden voelt, zingt hij in het 23ste vers van de berijmde psalm: ‘dan wandel ik vol moeds op ruimer baan, omdat mijn ziel gezocht heeft Uw bevelen, dan doe ik zelfs aan koningen verstaan, hoezeer mij uw getuigenissen strelen, dan zal ik mij niet schamen, noch Uw dan uit slaafs ontzag of dwaze vrees verfielen’. Een kerk waarvan de leden niet (meer) getuigend in de wereld staan, heeft haar kracht in de samenleving verloren. Als we klagen over de toenemende ontkerkelijking, zal dat moeten gebeuren in de context van het afgenomen getuigenis in woord en daad van de individuele gelovigen.

Als we vandaag over huisbezoek nadenken, zou ik er graag ook dit aspect bij betrokken zien.

In elk geval verklaar ik deze conferentie met deze woorden voor geopend.

P.S.

In licht gewijzigde vorm is dit openingswoord ook gepubliceerd in De Wekker van 11 Oktober 1996.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.