+ Meer informatie

Het ontstaan van ons PSALMBOEK

5 minuten leestijd

V.

Onder verschillende namen komt Datheen in de geschiedenis voor. Hij heette eigenlijk Pieter Daeten. Zo werd hij echter niet vaak genoemd. Zijn tijdgenoten noemden hem vaak de „Minister metten rossen baert." Verder noemde deze hem Pierre d' Athènes, om zijn geleerdheid en welsprekendheid; die gaf hem de minder vererende bijnaam van Pieter Dathan, naar de bekende oproerstoker uit Mozes' tijd; en een derde betitelde hem spottend met: Pieter Gaathenen, of schold hem: „Upperste bisschop van Gendt". Al naar men steil Calvinist was, of Oranjegezind, of stijf rooms, beoordeelde men hem en gaf men hem een bijnaam.

In 1531 of 1532 werd hij te Mont-Cassel, een dorpje in Vlaanderen, uit roomse ouders geboren. Lang mocht hij niet genieten van het ouderlijk huis, daar hij weldra de huiselijke haard verwisselde met de kloostercel. Hij trok de pij aan der Karmelieter monniken en trad hun klooster te Poperingen binnen. Hier leerde hij — men weet niet hoe — het Evangelie kennen, en nu werd het hem weldra in zijn cel te benauwd. Zijn woelige natuur kon zich daar niet in schikken. Hij hing dus de monnikskap weg, verwisselde het misboek met het Woord van God, en begon een tocht door de Vlaamse steden en dorpen, om daar het Evangelie te prediken. De storm der vervolging door Keizer Karei V bij herhaalde plakkaten over de ketters losgelaten, dreigde nu ook op zijn jeugdig hoofd — hij was toen 19 jaar —

neer te komen, en hij zag zich genoodzaakt het vaderland te verlaten. Hij vluchtte naar Londen. Nauwelijks had hij zich hier gevestigd en het boekdrukken ter hand genomen, of de godvrezende Eduard VI werd opgevolgd door de roomse Maria Tudor, „de bloedige", later de waardige vrouw van onze tiran Filips II. Ook in Engeland werden nu de martelvuren ontstoken en de Londense gemeente spatte uiteen. Het grootste deel vluchtte naar de schepen. Het kerkgebouw werd smadelijk in een magazijn voor marinescheepstuig veranderd, de kerkeraad ontbond zich en. haar leraars togen over zee.

Onder die leraars behoorde ook Datheen. Want gedurende de vijf jaren van zijn verblijf te Londen, had hij zich met zo grote ijver op de studie der godgeleerdheid toegelegd, dat hij toegelaten kon worden tot het predikambt. Allereerst begaf hij zich nu naar Frankfort. Door tegenwerking der Luthersen begaf hij zich in 1562 naar het dorp Frankenthal in de Paltz.

Intussen was Datheen in voortdurende betrekking gebleven met de gemeenten onder het kruis in het vaderland, waar zijn naam een goede klank had door zijn erkende bekwaamheid. Weldra werd hij met dankbare liefde genoemd door heel het verdrukte volk. Hij bracht, zoals we boven hebben gezien, de Psalmen in Hollandse rijm over en voorzag daarmee in een dringende behoefte.

Met zijn er achter gebonden vertaling van den Heidelbergsen Catechismus, die wij nog heden gebruiken, verspreidden ze zich door het land. Welhaast mocht men hem van aangezicht tot aangezicht zien. Met zijn gewone snelheid doorreisde hij het land, overal predikende in de open lucht voor de saamgevloeide schare. Spoedig ging de faam van den Minister metten rossen baert uit door het land, en was hij de geliefdste prediker. Eens predikte hij voor een schare van 15000 personen. In 1566 vestigde hij zich te Gent. Kort daarna brak de Beeldenstorm los tegen de afgoden. Onder het gezang der Psalmen van Datheen werden ze afgeworpen:

„Vermaledijt, zoo de Schrift belijdt, Zal de maker wezen die ze eert of snijdt."

Ook hier kon hij niet blijven. Na veel omzwervingen, waarbij hij nog het Voorzitterschap van de Synode te Wezel heeft waargenomen, vond hij rust in Elbing, waar hij een geneeskundige praktijk uitoefende en in 1590 overleed.

Datheen was buiten twijfel een groot man, en het Vaderland heeft veel aan hem te danken. Hoewel hij behoorde tot de leraars, die uit „het hef der gemeente opgeborreld" waren, stond hij in kennis ver boven verscheidene van zijn ambtgenoten. Hij verstond de grondtalen des Bijbels, Latijn, Duits en Frans en door zijn moedertaal voerde hij het volk waar hij het hebben wilde. Herhaalde malen voerde hij de pen. De hitte des daags had hij gaarne gedragen. De ballingen stond hij bij met raad en daad, en gaf zich geheel aan hen. De roomsen haatte hij met een bittere haat, met hen wilde hij strijden op leven en dood.

Fouten heeft hij echter gemaakt. Wat deze aangaat, het versje zou in zijn mond gepast hebben:

„Voor mijn onbedachtzaamheen, Zijt gij, ezels! veel te kleen."

Hij leefde snel en ontstuimig, en er is een tijd geweest, dat hij er nodig was. Toen hij uitgediend had in de raad Gods, nam de Heere hem weg. Hij stierf de dood des oprechten.

Ik heb gemeend, iets te moeten vertellen uit het leven van de man, die zo'n grote invloed gehad heeft op het ontstaan van ons Psalmboek.

De volgende keer hopen we D.V. de draad van ons betoog weer op te vatten. ,

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.