+ Meer informatie

DE VIERENTWINTIGUURS-ECONOMIE EN DE DAGELIJKSE GELOOFSBELEVING VAN EEN CHRISTEN

8 minuten leestijd

Bij het thema

Het thema van dit artikel is zeer breed, niet alleen naar zijn formulering, maar ook naar zijn inhoud. In zekere zin sluit dit artikel aan bij wat broeder Overwater en ondergetekende hebben geschreven over “Flexibilisering van de arbeid” in ons Jaarboek 1997.

In dit artikel ga ik op een bepaald punt dieper in. Dit artikel kan ook zonder kennis van dat in het Jaarboek gelezen worden.

Er zijn twee invalshoeken naar het thema. De ene is: wat betekent de vierentwintig-uurs-economie voor het dagelijks leven van een christen?

De tweede is: wat ligt er als drijfveer achter de vierentwintiguurs-economie? Welke krachten werken daarbij? Staan we als christenen daar voldoende kritisch tegenover?

Flexibilisering van de arbeid

De vierentwintiguurs-economie betekent dat de vierentwintig uren van de dag productief moeten worden gemaakt. Niet doordat er meer uren wordt gewerkt dan tot heden van de werknemers wordt gevraagd. Wel doordat er op andere tijden, zelfs op alle mogelijke momenten van de dag wordt gewerkt. De zondag wordt als werkdag (bijvoorbeeld in winkels) ingeschakeld. Een werknemer moet op andere tijden dan tot voorheen beschikbaar zijn om zijn werk te doen. De vroegere ploegendienst vertoonde nog een zeker ritme. Nu moet men zijn arbeidstijd verdelen over verschillende momenten van verschillende dagen. We noemen dat flexibilisering van de arbeid. Dat geldt niet alleen voor de parttime-werkenden die op afroep beschikbaar moeten zijn. Het geldt ook voor mensen die een volledige baan hebben. Als het bedrijf, het werk je nodig heeft, moet je er zijn.

Deze vierentwintiguurs-economie is nog niet in al haar consequenties doorgevoerd. We staan aan het begin ervan. Dat begin is niet denkbaar zonder aanvaarding van het principe.

En we weten: als het principe aanvaard is, volgt de uitwerking in steeds omvangrijker mate. Dit zij gezegd tot hen die denken: het valt nog wel mee.

Gevolgen

Een dergelijke verdeling van het werk over verschillende perioden van de week - men kan dat ook opsplitsing noemen - heeft naar veel kanten gevolgen.

We denken allereerst aan het gezin. De man - en ook de werkende vrouw - is niet meer op vaste tijden thuis. Als het werk hem (of haar) nodig heeft, moet hij daar zijn en niet samen met het gezin in de huiskamer. De verbrokkeling van het werk - met een fraaie naam flexibilisering genoemd - brengt ook een verbrokkeling in het gezinsleven mee. Dat geldt allereerst de aanwezigheid thuis.

Het geldt niet minder de taken die buitenshuis vervuld worden. Het verenigingsleven zal er - wat een aantal leden betreft - onder lijden. Dat geldt ook van het ambtelijke werk in de gemeente; sommige broeders zullen zich voor dat werk niet (langer) beschikbaar kunnen stellen. Ze hebben te ongeregelde diensten om vaste taken in de gemeente op zich te kunnen nemen.

Dat geldt ook voor het deelnemen aan het familieleven en nog breder, het participeren in sociale contacten. Ze kunnen nog wel onderhouden worden, maar slechts incidenteel en fragmentarisch. Men zou ook hiervoor de term “flexibilisering” kunnen gebruiken. Dan hoort men tegelijk hoe wrang dit woord voor deze praktijk klinkt.

Onze tijd wordt gekenmerkt onder andere door individualisering. Welnu, in de hier beschreven flexibilisering van de arbeid ziet men die individualisering doorwerken. Zij wordt, lijkt me, mede mogelijk gemaakt omdat we bezig zijn te wennen aan de stijl (voor velen is het een ideaal) van individualisering.

De economie domineert

Hiermee zijn we toe aan de achtergrond van dit verschijnsel. Wat drijft onze samenleving ertoe? Alles hangt met alles samen. Individualisering is een belangrijke factor. Ze staat echter niet op zichzelf. Er zijn meer krachten die werken.

De term vierentwintiguurs-economie wijst al op het alomvattende van deze economie. Ze legt beslag op alle uren van de dag. Daarmee neemt zij een dominerende positie in. Zij eist zeggenschap. Het leven wordt ondergeschikt gemaakt aan de economie. Dat is eigenlijk ook een centraal thema in de discussie naar aanleiding van de rijksbegroting 1998.

De dominerende positie van de economie komt voort uit een verlangen naar steeds meer. De economie moet goed draaien. Dat wil in feite zeggen: ze moet groeien. Groei is alleen mogelijk als alles op alles gezet wordt om meer te produceren. Soms denk je: we leven voorde groei en we leven van de groei.

Dit is meer dan een speelse formulering. Het is een bittere werkelijkheid. Hoe meer we verdienen, hoe meer we kunnen uitgeven. We besteden het geld voor aanschaffingen en voor ontspanning dichtbij of veraf. Om het geld te verdienen moet er hard gewerkt worden. Tussen beide is een wisselwerking. Hoe meer verdienste, hoe meer er te besteden is. Hoe meer we willen uitgeven, hoe meer er door arbeid moet verdiend worden. Een bijna vicieuze cirkel.

Dat degenen die niet (meer) mee kunnen er buiten vallen is gevolg van deze economie. Zij presteren niet genoeg en tellen daarom niet mee als volwaardig. Zoals er rest-pro-ducten zijn, zo zijn er ook rest-producenten. Het is niet aangenaam om dit te zeggen. Het is de werkelijkheid.

Materialisme

Als ik het zojuist geschrevene samenvat moet ik het woord materialisme gebruiken. De materie regeert via het dominante regime van de economie. Het in dit artikel al eerder genoemde individualisme past in het patroon van het materialisme. Beide kunnen floreren doordat de zeggenschap van God over het leven en over de wereld wordt weersproken, ja afgeworpen. In plaats van de wet van God regeert de wet van de economie. Dit regime brengt geestelijke schade met zich mee. Allereerst voor de verbanden die ik hierboven beschreef. De aanwezigheid van man en/of vrouw in het gezin. Het deelnemen aan het kerkelijke en het sociale leven. Ik denk ook aan de zogenaamde stille tijd voor persoonlijk bijbellezen en gebed. Schieten die er niet bij in?

Het brengt daarmee schade toe aan de harten van mensen. Uit het hart zijn de uitgangen van het leven, heeft onze Here Jezus gezegd.

De vraag is ten diepste: Wie dienen we? God en Zijn Koninkrijk of ons eigen belang?

Onze samenleving is via de heerschappij van de economie een ernstige bedreiging voor ons geestelijk welzijn. Die bedreiging is des te gevaarlijker, omdat ze door velen niet wordt opgemerkt. We leven nu eenmaal in dit patroon. Het pak zit ons als gegoten. Waar zouden we ons dan druk over maken?

Onderkennen en weerstaan

We zullen deze verzoeking moeten onderkennen en weerstaan. Weten we ons te onttrekken aan de verzoeking van het materialisme? Willen we bepaalde verdiensten opgeven om meer te kunnen zijn voor ons gezin, voor de kerk en voor onze omgeving? Willen we het niet-betaalde vrijwilligerswerk een plaats geven ten koste van het betaalde extra werk?

Als ik zulke vragen neerschrijf doe ik dat enerzijds met aarzeling. In de kerken tref ik steeds weer mensen aan die zich zonder betaling inzetten voor gezin, kerk en maatschappelijk werk. Dikwijls dank ik in de zondagse eredienst voor al dat vrijwilligerswerk, niet in de laatste plaats voor dat van zusters uit de gemeente.

Anderzijds kan ik mij niet aan de indruk onttrekken dat een waarschuwing tegen een materialistische instelling voor ieder van ons op zijn plaats is. Wij zouden onszelf moeten onderzoeken: staat de dienst van God echt nummer één in ons leven? Zijn we bereid daarvoor offers te brengen? Trachten we kritisch te staan tegenover de idealen die de tijdgeest ons opdringt? Materialisme en individualisme zijn daarvan levensgrote gestalten.

Voor iedereen

Ik schrijf dit niet alleen met het oog op het ambtelijk werk onder gemeenteleden. Het is evenzeer bedoeld voor ambtsdragers, ook voor ons predikanten.

Mogen wij dan niet een graantje van de welvaart meepikken, om het maar eens heel gewoon te zeggen? Ook predikanten mogen delen in het feit dat het onze samenleving goed gaat. Zien wij ten koste waarvan dat alles wordt verworven?

Het geldt voor heel de gemeente (ook de jongeren met hun baantjes in de vrije tijd). Is het ons alleen te doen om steeds meer? Waar blijft in ons persoonlijk leven de belevenis van het eerste gebod: God alleen en God boven alles en vóór alles? Kennen wij de offerbereidheid en brengen we die in praktijk?

De grote moeite is vaak dat wij niet weten hoe we op onszelf tegen de vierentwintiguurs-economie moeten reageren. Wat kunnen we er persoonlijk en als gezin aan doen? Deze vragen verlammen ons soms.

Het lijkt mij nodig dat kerkenraden geholpen worden om het thema van dit artikel - ik noem het een stukje nood van de kerk - praktisch met gemeenteleden te bespreken.

Dit artikel is bedoeld om de aandacht te richten op het probleem. Ik hoop dat concrete hulp kan volgen.

Een aspect van het probleem zal op de najaarsconferentie van 1 november aan de orde komen. Het artikel van broeder Koole in het februarinummer van Ambtelijk Contact was een brede vóóraankondiging van die conferentie.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.