+ Meer informatie

Zijn er grenzen aan het diakonaat?

12 minuten leestijd

Een vraag bij een rapport

Het diakonaat kent geen grenzen. Dat is een stelling die bijbels klinkt. Wie zou het diakonaat durven beperken? Dat gebeurt, wanneer men stelt dat het diakonaat begrensd is. Dan vallen er mensen buiten de diakonale zorg. Het betekent, dat bepaalde mensen niet geholpen worden. Wie over de grenzen van het diakonaat spreekt, maakt de indruk te willen beknibbelen op hulp aan een medemens in nood. Nu, wie zou daarvan graag beschuldigd willen worden? Ik denk van niemand. Toch kan ik de vraag die in de titel van dit artikel staat niet onderdrukken. Zij kwam bij mij boven onder het lezen van het rapport dat Deputaten voor Algemeen Diakonale Arbeid van de Gereformeerde Kerken in Nederland hebben uitgebracht aan de generale synode van Zwolle. Dat rapport is in druk verschenen en voor fl. 5,— verkrijgbaar bij het Algemeen Bureau van de Gereformeerde Kerken, giro 22 11, Leusden.

De officiële uitvoering van het rapport en het feit dat het voor iedereen verkrijgbaar is, geeft mij de vrijmoedigheid om enkele vragen die bij het lezen boven kwamen op papier te zetten. Men zal dit niet willen uitleggen als een poging zich met andermans zaken te bemoeien. Veeleer gaat het mij er om hoe wij het diakonaat hebben te zien; of daarover binnen de kerken die de naam gereformeerd dragen nog wel gelijk gedacht wordt.

Respekt

Graag wil ik beginnen met het uitspreken van mijn diep respekt voor de geweidige organisatie welke deze deputaten via hun bureau en allerlei organen hebben weten op te bouwen. Dat is maar niet een organisatie om de organisatie. Dit is een structuur van waaruit men probeert dienstbaar te zijn in de wereld. De arbeid van, deputaten met hun bureau en de vele kommissies maakt op de lezer een diepe indruk. Zo verging het mij althans. Ik kan me moeilijk voorstellen dat anderen daarvan niet onder de indruk zouden zijn. We treffen in de bijlagen alleen de cijfers aan van de inkomsten (en uitgaven) voor het wereld diakonaat. Het eindbedrag omvat meer dan 11 miljoen gulden voor het jaar 1976. Het was in 1962, dat voor het eerst het miljoen gepasseerd werd. Binnen 15 jaar een verelfvoudiging. Dat is heel wat. Ik neem aan dat de cijfers voor de andere posten dienovereenkomstig zullen zijn. Men moet dan ook wel groot respekt voor de diakonale offervaardigheid van de Gereformeerde Kerken hebben.

Uit het hele rapport spreekt een toon van nederigheid ten aanzien van kennis van de situatie in andere landen. Telkens wordt benadrukt dat men niet van hieruit allerlei beslissingen kan nemen. Men wil juist de mensen voor wie het geld bestemd is, in hun waarde erkennen. Op hun inbreng, adviezen en inzichten stelt men hoge prijs. Men wil henzelf laten meedenken en meespreken. Zij moeten zelf meebepalen, waarvoor het geld bestemd zal zijn. Deputaten gaan zelfs zover dat ze meer dan eens erop wijzen dat dit meedenken ook zegenrijke consequenties kan hebben voor het diakonaat in de nederlandse samenleving. Nog eens wil ik onderstrepen dat ik deze toon in hoge mate waardeer. Als beheerders en verschaffers van geld, goederen en technische hulpmiddelen gedraagt men zich niet als mensen die het alles wel denken te weten. Men doet niet groot naar de zijde van hen aan wie men geld verschaft. Men vraagt juist om hun mening en stelt prijs op hun inzicht.

De centrale vraag

Toch kan bij al deze waardering de centrale vraag niet achterwege blijven: hoever reiken de grenzen van het diakonaat? Ik stel die vraag, omdat deputaten zelf er melding van maken dat het diakonaat in onze tijd een veel breder opdracht heeft dan tien jaar geleden. Deputaten citeren uit de Gereformeerde Kerkorde, artikel 23,1: ” De taak van de diakenen is aan de leden der gemeente, die in stoffelijke of maatschappelijke nood verkeren of daarin dreigen te geraken, de christelijke barmhartigheid te bewijzen, hen met raad en daad bij te staan en tevens aan anderen, die in dergelijke omstandigheden verkeren, zo mogelijk deze barmhartigheid te bewijzen”.

Men ziet dat het diakonaat primair gericht is op eigen gemeenteleden en daarna binnen het kader van dan aanwezige mogelijkheden ook op anderen.

Opmerkelijk is nu dat deputaten schrijven dat deze taakomschrijving een juist beeld geeft van de diakonale opvattingen uit het begin van de zestiger jaren. Deze omschrijving geeft echter geen houvast bij de benadering van Problemen waarmee het diakonaat in deze tijd wordt gekonfronteerd (blz. 15).

Welke is de verschuiving in de Problemen? Het accent in bovengenoemde taakomschrijving van de Kerkorde ligt op individuele mensen. Men treft er geen aanwijzing naar de gerechtigheidsvragen.

Ik denk dat wij hiermee bij de kern van het probleem zijn. Men acht de oude omschrijving niet meer voldoende vanwege het feit dat de kerk zich, zoals een kopje op blz. 15 aangeeft, met struktuele vragen moet bezig houden. De kerk moet niet alleen direkte nood in individuele gevallen helpen lenigen. De kerk moet veel meer ingaan op de oorzaken en achtergronden waaruit die nood ontstaan en te verklaren is. Daaraan zal iets gedaan moeten worden. Al die vragen worden bestreken door de term gerechtigheid.

Deze verandering van inzicht heeft voor de opbouw en uitvoering van het diakonale werk geweidige consequenties. Voordat ik daarop inga, onderstreep ik nog eens dat het mijns inziens hier gaat om een verandering van inzicht in de taak van het diakonaat. Deputaten doen het voorkomen alsof de Problemen van onze tijd zoveel anders zijn dan in de zestiger jaren. Ik zou dat willen ontkennen. Wel komen de Problemen sterker op ons af. Wel worden wij er nauwer bij betrokken en gevoelen wij meer onze verantwoordelijkheid voor hetgeen elders gebeurt.

De problematiek als zodanig is echter in deze tien jaar niet verschoven. Ook toen ging het om gerechtigheid. Het verschil zit veeleer hierin dat de de kerken nu het als haar taak zien om zelf actief op te treden ten dienste van de gerechtigheid. Om zelf voor de gerechtigheid op te komen in nationale en internationale verbanden.

Een totaal nieuwe structuur

Ik zeg met dit laatste niet te veel. Op bladzijde 63 lezen we hoe deputaten zich de organisatie van het diakonale werk eigenlijk denken. We ontmoeten een driedeling: de diakonale gemeente, het diakonaat in de nederlandse samenleving en het werelddiakonaat.

Dit schema getuigt van een opvallende verschuiving. In plaats van het diakonaat binnen de gemeente is gekomen de sectie: diakonale gemeente. Dat wil zeggen: het mobiliseren van de gemeente om diakonaal bezig te zijn. Ik denk dat ik het nog sterker moet zeggen: de gemeente moet als diakonale gemeente bestaan. Ik vermoed dat de individuele hulpverlening binnen de gemeente opgevangen wordt onder de term diakonale gemeente. Daarnaast zijn twee afdelingen (men noemt ze ook secties) gekomen die zich bezig moeten houden met de nederlandse samenleving en met het samenleven van de volken.

Wat is nu de reden en het recht van de kerk om zieh bezig te houden met vragen als de opbouw van de samenleving en met vragen als die van mensenrechten en racisme (biz. 37–45)? Ik denk dat we dan het woord gerechtigheid moeten gebruiken, zoals deputaten daarover op bladzijde 15 geschreven hebben. De kerk heeft via haar diakonaat de gerechtigheid te dienen, te bevorderen en te doen zegevieren. We krijgen uit het schema zelfs de indruk dat de hele opbouw van het diakonaat staat onder het thema van dienst aan de gerechtigheid. Diakonaat in de nederlandse samenleving en werelddiakonaat rusten in de diakonale gemeente. De gemeente is pas echt diakonaal gestructureerd, wanneer ze via deze beide organen de gerechtigheid in en buiten Nederland dient.

Het politieke diakonaat binnen de Wereldraad

Voor sommige lezers zal dit een wat vreemd verhaal zijn. Ze hebben tot heden nog weinig te maken gehad met deze aanpak. Anderen zullen mede door interkerkelijke contacten bepaalde termen en klanken herkennen. Ze hebben reeds eerder een aanpak vanuit de gerechtigheid horen bepleiten. Wie naar de wortels van deze beschouwingen zoekt, moet terecht komen bij de Conferentie over kerk en samenleving in Genève 1966. De resultaten van die conferentie zijn doorgespeeld naar de grote vergadering van de Wereldraad van Kerken in Uppsala 1968. Daar heeft een geweldige ombuiging in de koers van de Wereldraad plaats gevonden. De kerk heeft in Uppsala uitgesproken dat zij politieke verantwoordelijkheid draagt. In verband daarmee wordt er over het politieke diakonaat van de kerk gesproken. De gedachte van het politieke diakonaat ligt mede ten grondslag aan de politieke verantwoordelijkheid die de kerk meent te moeten dragen.

Dit alles komt ook in de Gereformeerde Kerken niet uit de lucht vallen. Er is in die kerken in de loop der jaren via rapporten en bezinningsconferenties nogal wat gedaan om deze gedachten ingang te doen vinden. Ik heb daarover geschreven in het laatste hoofdstuk van mijn boek ”Christen in deze wereld” (Kampen, twee druk 1977): ”Kerkelijke verantwoordelijkheid voor de samenleving”. Achter dat hoofdstuk vindt men literatuur vermeid. Ik zou dat hoofdstuk, geschreven in 1971, nu willen typeren als het opnemen van de tussenstand. Tendensen die ik toen aanwees, gevaren, waartegen ik toen waarschuwde, blijken nu de koers te zijn geworden van het diakonaat van de Gereformeerde Kerken.

Men moet over deze koerswijziging niet gering denken. Het betekent niet minder dan dat de kerk een politiek instrument aan het worden is. Elders heb ik erop gewezen hoezeer men dat van de Wereldraad van Kerken kan zeggen. Nu meen ik dat men niet aan de conclusie kan ontkomen dat dit ook voor het diakonaat van de Gereformeerde Kerken geldt; althans voorzover dat door dit rapport getypeerd is. Ik denk dat men deputaten toch geen onrecht aandoet, wanneer men hem houdt aan dit rapport, dat als een beleidsstuk bedoeld is voor de kornende jaren. Deputaten schrijven op blz. 46, dat zij de nieuwe beleidsoverwegingen als bijlage aan het rapport hebben toegevoegd. Het nummer van de bijlage wordt in de gedrukte tekst niet vermeld. Het was mij niet mogelijk deze nieuwe beleidsoverwegingen te vinden achterin dit rapport. Intussen wordt wel duidelijk dat de kern daarvan gevormd wordt door het politieke diakonaat der kerken. Misschien willen sommigen die term niet gebruiken,” zij spreken liever van het opkomen voor de gerechtigheid. Juist dat is het wezen van het politieke diakonaat.

De vraag die ik aan het begin Steide is deze: zijn er grenzen aan het diakonaat? Toen doelde ik niet op de vraag of men al of niet in nood helpen moet. Niet graag zou ik op die hulp beknibbeld zien worden. Ik doelde vooral op de vraag of de kerk deze opdracht heeft. Moet de kerk via haar diakonaat politieke invloed willen uitoefenen? Heeft de kerk tot taak om zich te voegen in de rij van hen die strijden voor de mensenrechten? Wanneer de kerk dat met haar diakonale middelen doet, betekent dit, dat ze niet alleen geneigd zal zijn, maar zich zelfs verplicht moet gevoelen geld beschikbaar te stellen om structurele veranderingen in allerlei samenlevingen aan te brengen. Zelfs geld om deze met geweld door te voeren. Dat gebeurt nu ook metterdaad. Er wordt melding van gemaakt dat bijvoorbeeld de verzetsbeweging Swapo in Namibie (Zuid-West Afrika) met geld gesteund wordt. Men kan zich niet van de verantwoordelijkheid afmaken met de opmerking dat het hier gaat om humanitaire doeleinden. Deze verzetsbeweging maakt zich sterk met allerlei guerrilla-activiteiten. Wie de Swapo steunt kan van haar praktijken geen afstand nemen. Daardoor is ze getypeerd en daarvoor bestaat ze.

Over de grens

Is dat de taak van de kerk? Hier meen ik dat we een grens bereikt hebben, waarover de kerk niet moet gaan. De kerk heeft niet de taak om met geld, en eventueel zelfs geweld structuele veranderingen af te dwingen.

De generale synode van onze kerken gehouden te Apeldoorn 1965 heeft aan het diakonaat over de grenzen de duidelijke voorwaarde verbonden dat hulp geboden moet worden in direkte samenhang met de prediking van het Evangelie. Zo kan de kerk op kerkelijke wijze, ook met financiële en technische hulp dienen. Haar hulp kan dan ook niet misverstaan worden. Het is hulp in de naam van de Here Jezus Christus. Het is hulp met het doel de kerk van Christus te bouwen.

Het politieke diakonaat ziet voorbij aan het eigene, het wezen van de kerk. Het maakt gebruik van onkerkelijke hulpmiddelen. Men kan ook zeggen van wereldse middelen.

In mijn vraag naar de grenzen gaat het niet om beperking of beknotting. Het gaat om het wezen van het diakonaat. Het heeft mij getroffen, dat deputaten aan de synode rapporteren dat ze aan enkele belangrijke aktiviteiten in de verslagperiode niet zijn toegekomen. Ze zeggen dan dat een studie over de essentie van het diakonaat nog niet kon worden afgerond (blz. 64). Hoe is het mogelijk om wel een volstrekt nieuwe structuur voor te stellen—die zelfs wijziging van de Kerkorde noodzakelijk maakt—zonder dat men klaar is met het antwoord op de vraag naar de essentie van het diakonaat? Deputaten spreken over een theologie van het diakonaat zoals die binnen de kring van reformatotische kerken van gereformeerde signatuur is ontwikkeld (blz. 49).

Ik moet zeggen dat ik een dergelijke theologie niet ken. Ik ken wel een gereformeerde leer over de ambten. Doch dat is heel wat anders dan een theologie van het diakonaat. Die theologie is pas opgekomen toen de kerk meende het politieke diakonaat te moeten betrachten.

Ik ben blij dat ik ter toelichting van deze Stelling niet enkel naar het reeds genoemde hoofdstuk van mijn hand behoef te verwijzen. Ik wil ook graag herinneren aan wat professor dr. K. Runia schreef in hoofdstuk 14 van zijn boek ”Vragen van deze tijd” (Kampen, 1976) onder de titel ”De Gereformeerde Kerken en het speciale fonds van de P. C. R.” Daar vindt men beschouwingen waarmee de mijne overeenkomen. De vraag die mij bij blijft is deze: gelden de bezwaren van Runia enkel het fonds ter bestrijding van het racisme? Zijn ze niet evenzeer van kracht tegen de hier beschreven herstructurering van het diakonaat?

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.