+ Meer informatie

HET SPREKEN VAN DE KERK IN DE CULTURELE CONTEXT VAN VANDAAG (2)

12 minuten leestijd

3. Een breder kader: tijd en ruimte

Hoe ernstig de problematiek waarover we tot nu toe spraken ook is, we moeten er wel voor waken ons daar door blikvemauwing blind op te staren. Niet om de vragen te bagatelliseren, wel om ze enigszins te relativeren, plaatsen we ons thema nu in een breder kader. We beseffen namelijk dat het spreken van de kerk in de eigen culturele context niet voor het eerst in de geschiedenis op zoveel moeite stuit, en dat het ook zeker niet overal op zoveel moeite stuit als bij ons. Hoe was het eerder, en hoe is het elders?

3.1. De kerk in het verleden

Sprekend over de communicatie van het evangelie aan buitenstaanders zullen we ons niet mogen beperken tot de evaluatie van onze ervaringen in het huidige tijdsbestek. Er zijn immers meer perioden in de geschiedenis aan te wijzen, waarin mutatis mutandis het probleem van de boodschap en de kloof ook niet gering was. We hoeven slechts te denken aan het begin van de kerkgeschiedenis. Het evangelie werd door de jonge christelijke kerk uitgedragen in een wereld, waarin het religieuze relativisme hoogtij vierde en waarin de twijfel gecultiveerd werd. De grootsheid van de Romeinse samenleving, met zijn imponerende architectuur, hoog ontwikkelde rechts- en staatsvormen, militaire macht en moderne filosofie: dit Rome beheerste de wereld, een hoogtepunt in de menselijke cultuurgeschiedenis. In deze wereld groeide een kleine secte met grote pretenties, met het verhaal van een Man die gekruisigd was en opgestaan en weder zou komen. Wat moet dat onzinnig hebben geklonken, zoals ook blijkt uit de spot op de Areopagus (Hand. 17:32) of uit de reactie van Festus, een erudiet mens die welwillend genoeg is om Paulus’ betoog tot het einde toe aan te horen: ‘Gij spreekt wartaal, Paulus, uw vele Studie brengt u in de war’ (Hand. 26:24).

Onbegrijpelijk was de boodschap van de christenen, en hun sobere godsverering zonder enig beeld: pure goddeloosheid. Ze namen geen deel aan de offerdiensten en alles wat daarmee samenhing (majesteitsschennis!), braken met oeroude tradities. Evenzo was het leven van die christenen onbegrijpelijk: ze meden prostitutie, toneel, circus en soldatenstand. Men verweet de christenen haat tegen het menselijk geslacht (Tacitus: ‘odium generis humani’) en gevaarlijk bijgeloof (Suetonius: ‘genus hominum superstitionis novae ac malificae’). Vrijwel alle uitingen van de romeinse cultuur van die dagen stonden haaks op de inhoud van het christelijk geloof. Het is van belang te zien, dat behalve bij de apologeten die zich op de culturele bovenlaag van de grieks-romeinse wereld richtten, er van een bewust evangelisatorisch ingaan op de cultuur van die tijd eigenlijk geen sprake was. De verbreiding van het Christendom vond vooral plaats door liefde en hulpbetoon, door aalmoezen, ondersteuning van weduwen en wezen, zieken en zwakken, zorg voor gevangenen en slaven. Door hun ethisch hoogstaand gedrag vielen de christenen op, wekten nieuwsgierigheid en kregen ze mogelijkheden tot verkondiging. De praktische invulling van hun vreemdelingschap versmalde de kloof. En zo heeft de Heilige Geest Zieh een weg gebaand met het Woord, culturele grenzen doorbrekend en culturele kloven overbruggend.

Sprekend is de volgende passage in de (anonieme) brief Aan Diognetus uit het midden van de 2e eeuw, na de constatering dat christenen nergens in eigen steden wonen en evenmin een aparte taal spreken: ‘Maar terwijl ze wonen in griekse en niet-griekse steden al naar gelang ieder werd toebedeeld, en terwijl ze de gewoonten van het land volgen in kleding en voedsel en in andere dingen van het leven, vertonen ze toch een wonderbaarlijke en naar algemeen gevoelen paradoxale levenswijze. Ze wonen in hun eigen vaderland, maar als bijwoners. Elk vreemd land is hun vaderland en elk vaderland vreemd. Ze trouwen als ieder ander en krijgen kinderen, maar ze leggen hun nageslacht niet te vondeling. Ze delen hun tafel, maar niet hun bed. Ze zijn in het vlees, maar leven niet naar het vlees. Ze vertoeven op aarde, maar hebben hun burgerschap in de hemel’ (Ad Diogn. 5, 4-9).

3.2. De kerk wereldwijd

Niet alleen de blik op de kerk in het verleden, maar ook een blik op de kerk wereldwijd in het heden is verhelderend en bemoedigend. Wanneer wij denken over het spreken van de kerk in de culturele context van vandaag moeten we dat niet eurocentrisch doen. We moeten beseffen dat de uitbreiding van de kerk en de vaart van het evangelie nog nooit in de geschiedenis zo groot waren als in onze moderne twintigste eeuw. De belofte aan Abraham uit Genesis 12:3 gaat in onze dagen sneller dan ooit in vervulling. Te denken is aan de herrijzing van de kerk uit de as en de sintels van het communisme in Oost-Europa, aan de enorme bloei van de kerk in Azië (niet het minst onder de jeugdige intelligentsia van China!), aan het getuigenis in de continenten van Afrika en Zuid-Amerika. Waar grote wereldideologieën opkomen en vergaan, gaat het evangelie zijn ongekende gang, dwars door alle culturele contexten heen. Activiteiten van de United Bible Societies of Trans World Radio laten zien hoe het Woord van God wordt verspreid steeds verder, in steeds meer talen, in steeds groter aantallen. Natuurlijk rekenen we niet met de macht van het getal, eerder volgens de wet van het mosterdzaadje, maar de wereldwijde perspectieven van het evangelie in onze moderne tijd zijn terdege erg bemoedigend, juist voor hen die in het oude Avondland leven. Want we zien het gebeuren: ook heden is de Heilige Geest bezig Zich een weg te banen met het Woord, culturele grenzen doorbrekend en culturele kloven overbruggend.

4. Een vooruitzicht: kentering en vertaling

4.1. Keert de wal het schip?

Er is nog een reden, waarom wij ons niet blind moeten staren op de moeite van het spreken van de kerk in de culturele context van vandaag. Die culturele context zelf is immers niet blijvend, maar aan verandering onderhevig. Nu zien velen inderdaad Signalen van een kenterend getij in onze cultuur. De macht van het rationalisme en het optimistische beheersingsdenken is voorbij, zo claimt het postmodernisme. De zinloosheid en leegheid van het moderne denken komt al meer aan het licht, door de eenzaamheid, de criminaliteit, de uitputting van de natuur, de groeiende spanning tussen mensen en volken. Wat zegt het, dat de bijbel het meest verkochte boek is? Gaan we een come-back van de religie beleven, Staat een kentering voor de deur?

Aan de ene kant acht ik het een na’ieve gedachte dat de oppermachtige westers-materialistische cultuur die met de vruchten van haar techniek en wetenschap de wereld heeft veroverd, zo snel op een keerpunt zou komen. Te diep zijn wij gedrenkt in de geestesgeschiedenis die sinds de Verlichting een hoge vlucht heeft genomen. Zeker, de secularisatie is geen onomkeerbaar proces; de rationele samenleving is niet in staat om de diepere behoefte aan zingeving en spiritualiteit te bevredigen. Maar die religieuze opleving betekent niet automatisch een grotere openheid voor het evangelie.

Toch Verheugen we ons aan de andere kant wel over de grotere openheid om althans over het christelijk geloof te spreken, waardoor nieuwe kansen voor het evangelie kunnen ontstaan. Hiermee bedoel ik niet zozeer de vraag van de samenleving aan de kerk om voor normen en waarden te zorgen, want daarbij is het gevaar niet denkbeeldig dat de kerk voor het karretje van een moreel vastlopende maatschappij wordt gespannen. Het gaat ons om veel meer, want het evangelie biedt in Christus een schat van wijsheid en uitzicht. Het toenemende individualisme werkt verkillend en maakt de mens eenzaam, maar de kerk weet van gemeenschap, van liefde en nieuwe levensvulling. Te verwachten is dat de zinloosheid de wal zal worden die het schip van de levensbeschouwelijke bewusteloosheid van onze cultuur keert. Je kunt als mens toch niet eindeloos voortgaan in een oeverloos leven en een leeg heelal: de vragen naar de zin en het doel laten zich niet permanent onderdrukken. Temidden van dit groeiende onbehagen zal de kerk opnieuw de Naam van God present stellen. Want dat is het kostbaarst bezit van de kerk: de wetenschap van wie God is, wat Hij in Christus heeft gedaan en hoe Hij door zijn Geest mens en wereld terechtbrengt.

4.2. Taal en vertaling

Dit nieuwe spreken van de kerk in de veranderende culturele context van vandaag zal van ons alien nog veel bezinning vragen. Persoonlijk heb ik geen blauwdruk, geen stratégie, wel een vijftal gedachten die ik uit in de vorm van een wens.

1. Laat het spreken van de kerk een doorleefd spreken zijn.

Na alle grote verhalen en denksystemen waarvan hij in de twintigste eeuw het fiasco en de fatale gevolgen zag, heeft de moderne mens een antenne ontwikkeld voor authenticiteit. Het heeft geen zin om mijn rechterbuurman te verteilen over de rechtvaardiging door Christus’ bloed als het hierbij voor mij slechts gaat om een onderdeel van een leer en niet ook om een existentieel en soms aangevochten geloofsbezit. Getuigenis en bevinding moeten hand in hand gaan, waarbij we ons niet groter hoeven voor te doen dan we zijn. Er zijn vragen waar we echt geen antwoord op weten. De keerzijde van de wens van een doorleefd spreken is overigens de waarschuwing tegen een overaccentuering van gevoel en ervaring, waardoor het spreken van de kerk gemakkelijk kan gaan verzanden in een religieus subjectivisme.

2. Laat het spreken van de kerk een ongecompliceerd spreken zijn.

Het dagelijks leven is verwarrend, tegenstrijdig, en soms zo eindeloos gecompliceerd. Ik heb wel begrip voor een EO die vooral ten opzichte van jongeren de zaken van het geloof op eenvoudige formules poogt te brengen. Is het evangelie tenslotte niet voor een kind verstaanbaar? Natuurlijk, dit is geen pleidooi voor versimpeling. In de religieuze kaalslag van onze dagen zien we het al te veel, dat men niet meer investeert in de kénnis van de bijbel en van de geloofswaarheden. Het zou funest zijn om, toegevend aan de neiging tot religieus consumentisme, alleen nog maar melk te schenken, en geen vaste spijze op tafel te zetten. Maar de kerk moet in haar spreken in de huidige culturele context weten te doseren, in een heldere concentratie op de eenvoud, de kern van het evangelie. Laten we het bijbels ABC goed leren spellen voor we met die ander aan het bijbels XYZ toekomen. Hiermee moeten we overigens ook in onze kerkdiensten terdege rekenen.

3. Laat het spreken van de kerk geworteld zijn in het leven van de kerk.

Op dit punt kunnen we van de jonge kerk leren. Een christelijk getuigenis ingebed in een concreet leven vanuit het evangelie met de kenmerken van onderlinge liefde en barmhartigheid ten opzichte van de ander overbrugt kloven. Gemeenschap en diaconaat zijn van kardinaal belang voor de communicatie van het evangelie heden. Het ‘gij geheel anders’ (Ef. 4:20) is beter dan welke missionaire methodiek dan ook. Teksten als Mat. 5:16 (‘opdat zij uw goede werken zien en Uw Vader, die in de hemelen is, verheerlijken’, cf. 1 Petr. 2:12,15) of Fil. 2:15 (“opdat gij onberispelijk en onbesmet moogt zijn, onbesproken kinderen Gods te midden van een ontaard en verkeerd geslacht, waaronder gij schijnt als lichtende sterren in de wereld’) zijn actueler dan ooit.

4. Laat het spreken van de kerk een verstaanbaar spreken zijn, in de taal van heden.

Dit betekent niet dat vandaag nog de tale Kanaäans afgeschaft moet worden. Samenhangend met de waarheid van het evangelie, dat een woord ‘van gene zijde’ is, en het nieuwe, eigen zicht op de werkelijkheid, zal de kerk altijd tot op zekere hoogte een eigen schat van begrippen en categorieën hebben, een eigen taalgebruik. Zo moest bijvoorbeeld Nicodemus al de inhoud van het begrip ‘wedergeboorte’ leren (Joh. 3). Een modernisering van allerlei bijbelse kernnoties is niet alleen onmogelijk maar ook ongewenst. Tegelijk dienen we ons goed bewust te zijn van het feit dat het kerkelijk taalgebruik voor een buitenstaander soms zeer bevreemdend overkomt. Het is veelzeggend dat juist een pas bekeerde zoveel gemakkelijker met buitenkerkelijken kan spreken dan zij die in de kerk geboren en getogen zijn. En als Paulus zegt dat hij de Joden een Jood en de Grieken een Griek is geworden om allen te winnen (1 Kor. 9:20-22), mag dat voor ons een vingerwijzing zijn. Dit alles wordt uiteraard zeer actueel in de discussies random de bijbelvertaling. Hoe dierbaar een bepaalde vertaling ons ook kan zijn - omdat we in de taal van die vertaling hebben leren denken, bidden en zingen, als een instrument van geloofsexpressie - toch is de handhaving van verouderde taalvormen in feite niet te rechtvaardigen. Onnodige taalbarrières moeten gesiecht worden, zeker wanneer we steeds meer merken dat de overdracht en het verstaan van de bijbelse boodschap daardoor bemoeilijkt worden. Het is om deze reden dat de vertaalstrategie van de Nieuwe Bijbelvertaling (NBV-2004): ‘brontekstgetrouw en doeltaalgerichf, geheel mijn instemming krijgt. Met de vervanging van traditionele uitdrukkingen als ‘de vreze des HEREN’ of ‘de heerlijkheid Gods’ door resp. ‘ontzag voor de HEER’ en ‘de luister/glans/grootheid van God’ heb ik dan ook geen moeite.

5. Laat het spreken van de kerk een afhankelijk en verwachtingsvol spreken zijn.

Afhankelijk, omdat we slechts kunnen doorgeven wat we zelf ontvangen hebben, het Woord waarvan we ook zelf voortdurend moeten leven. Daarom geen spreken zonder bidden, want we zijn volkomen aangewezen op onze Zender en Heiland. Maar dan mag het ook een verwachtingsvol spreken zijn, want zonder twijfel: Gods woord dringt door. Het zal niet leeg tot Hern wederkeren, maar het zal doen wat Hern behaagt en dat volbrengen, waartoe Hij het zendt (Jes. 55:11). Geen muurte hoog, geen kloof te breed, voor de kracht van de Heilige Geest. Immers, ook heden is de HERE bij machte oneindig veel meer te doen dan wij bidden of beseffen (Ef. 3:20).

Literatuur voor nadere bezinning:

Baan G. e.a., Christendom op de terugtocht?, Kampen 1997.

Bakker P. e.a. (red.), Geloven in de toekomst, Vaassen 2000.

Blei K., Een sprekende kerk in een mondige wereld, Kampen 1998.

Dekker W. e.a., Met het Woord in de tijd. Een bundel artikelen random het thema ‘Evangelisatie en cultuur’, ‘s-Gravenhage 1985.

Graaf J. van de e.a., De Boodschap en de brug, Heerenveen 1999.

Knevel A.G. e.a., De Boodschap en de kloof. Communicatie van het Evangelie in een postmoderne tijd, Hilversum 1997.

Knijff H.W. de, ‘Leven in twee werelden. De kloof geschetst’, Kontekstueel 13/4 (1999), 23-31. Lubbers R.F.M. e.a., Balans van een eeuw. Over maatschappelijke ontwikkelingen (ICS-cahier 32, jrg. 13/2), Utrecht 1999.

Miskotte K.H., Als de goden zwijgen, Kampen 1983.4

Noordegraaf A., Vijf broden en twee vissen. Missionair gemeentezijn in een (post)moderne samenleving, Zoetermeer 1998.

Smits P., Veranderend wereldbeeld, mensbeeld, godsbeeld, Assen 1981.

Spijker W. van ‘t e.a. (red.), De kerk. Wezen, weg en werk van de kerk naar reformatorische opvatting, Kampen 1990.

Spoor-loos? Over de Boodschap en de communicatie (LCJ-uitgave), Alblasserdam 2000.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.