+ Meer informatie

De Pelgrimsreis is voor Oud en Jong

8 minuten leestijd

20.

Met grote vreugd heeft de Pelgrim gezongen aan de voet van het kruis van de zaligheid, die hij mocht smaken in de gekruiste Christus. Bij het licht van de Heilige Geest werd zijn Borg en Zaligmaker hem steeds meer dierbaar. In verwondering riep hij uit: „Voor mij heeft Hij geleden. Voor mij heeft Hij de zaligheid verdiend”.

Maar nu moet hij toch weer verder reizen. Als reiziger naar Sion kon hij hier niet blijven zitten in het genot der zaligheid. Daar de wolkkolom van Gods vaderlijke leiding over hem in beweging kwam, werd het hem betuigd op te trekken.

Maar moet hij nu de gekruiste Christus met al Zijn heilsweldaden achterlaten? De heerlijke zegeningen, die hij door schenking en toerekening deelachtig geworden is, zijn hem toch dierbaar en onmisbaar.

Volkomen waar! 't Is hem onmogelijk achter te laten wat hij aan de voet van het kruis deelachtig is geworden. En dat kan ook niet, daar Christus met de bediening van Zijn genade in het hart van de Pelgrim leeft. Het zou hem gelijk als Mozes onmogelijk geweest zijn zonder de Heere op te trekken. In de weg der gehoorzaamheid was het altijd een optrekken met de ark van Gods verbond, een blijven in geloofsgemeenschap met de Heere. Met de heerlijke wetenschap dat de Heere zijn eigendom was geworden en hij het eigendom van de Heere, reist hij verder. Maar wat het genot van de zaligheid betreft, staat de zaak anders. Door af te dalen vanuit de voorportalen des hemels in de naakte werkelijkheid van het leven, deelt het hart niet altijd in het genot der zaligheid.

En toch door het gaan in de weg des Heeren, in het doen van Zijn wil, bekomt het hart steeds meer kennis van de God der zaligheid. Zodat onze zinnen met klaarheid geoefend worden in de leer der zaligheid. Gereed voor de reis zingt de Pelgrim:


Dusver ging ik beladen met mijn zonden,
Maar voor mijn smart werd nergens baat gevonden,
Totdat ik herwaarts kwam. O heerlijk oord,
Waar ’t eerste licht der zaligheid mij gloort,
Moest hier de last mij ontvallen van de zonden,
De koorden breken die hen aan mij bonden.
Gezegend kruis en graf, maar meer nog Hij,
Die kruis en graf verdragen heeft voor mij.


„Toen zag ik in mijn droom, hoe de Pelgrim verder ging tot hij aan een laagte kwam, waar hij een eind ter zijde van de weg drie mannen zag liggen met kluisters aan de voeten en in diepe slaap verzonken. De naam van de één was Dwaas, van de tweede Luiaard en van de derde Verwaand”.

De man, die in zijn droom alles duidelijk zag en hoorde, heeft het voor ons te boek gesteld en te lezen gegeven, opdat wij ons innerlijk leven daaraan zouden toetsen tot onderwijzing, vertroosting en vermaning. De drie beklagenswaardige mensen die een eind terzijde van de weg liggen, hebben zich overgegeven aan de slaap der zorgeloosheid. Door het doel van de reis, de stad der heerlijkheid, uit het oog te verliezen, zijn zij al redenerend gekomen in de kluisters van lusteloosheid en biddeloosheid. Gans anders was het met deze mannen gesteld bij hun komst op de weg. Door het lezen van de Schrift waren zij gekomen onder de prediking van het Evangelie. Daardoor zijn ze op reis gegaan naar Sion. En op reis zijnde hebben zij ook geluisterd naar de gesprekken van Gods kinderen en daaraan zelfs deelgenomen. Maar zie, in al dat goede hebben zij niet volhard. Door op te gaan in en genoeg te hebben aan hun godsdienstigheid, hebben zij niet gezocht de droefheid naar God, die een onberouwelijke bekering werkt tot zaligheid. En zo kwamen zij al gauw in hun godsdienstigheid te verachteren, in hun kerkgang te verminderen.

Door de wortel der zaak, het beginsel der genade, niet te zoeken, hadden deze mannen naar hun gedachte aan wat vorm en plicht genoeg voor de eeuwigheid. Van terugkeren naar de wereld om onder te gaan in de dienst der zonde was bij deze mannen geen sprake. De weg naar Sion werd niet verlaten, al liggen zij terzijde van de weg te slapen.

Deze mannen hebben niet een eind terzijde van de weg een rustige plaats opgezocht om daar voor altijd onder te gaan in de slaap der zorgeloosheid. Neen, dat was hun bedoeling in geen geval. Daar gaan wij een poosje rusten, zo dachten zij, want wij hebben in het godsdienstige leven al heel wat gepresteerd en wanneer wij uitgerust zijn, zetten wij de reis moedig voort. Zij waren en bleven dus met al hun zorgeloosheid reizigers naar Sion, de stad van Gods eeuwige heerlijkheid. De zorgeloosheid, die de Pelgrim hier aanschouwt en die ons voor ogen gesteld wordt, is het indroeve beeld van de naakte werkelijkheid in de kerk. En al zijn de berichten hier-aver allerwege alarmerend, er komt geen verandering in. ’t Wordt steeds erger. Van alles wordt aangegrepen om de jeugd te behouden en de kerken te vullen, maar het baat niet. Want het waarachtige beginsel, boetvaardig weder te keren tot de Heere, moet eerst weer biddend gezocht worden, zal er ooit verandering komen. Daarom wordt ons dan ook vanuit de Schrift toegeroepen: „Ontwaakt, gij die slaapt en staat op uit de doden, en Christus zal over u lichten”.

Toen de Pelgrim deze mannen in die toestand zag liggen, ging hij naar hen toe om te beproeven of hij hen wakker kon maken. Hij riep hun toe: „Gij zijt gelijk aan degenen die slapen in de top van de mast, want de dode zee is onder u, een afgrond die geen bodem heeft. Ontwaakt dus en komt mee. Als gij gewillig zijt, kunt ge uw kluisters ook kwijt raken”.

Hij waarschuwde hen nog meer, zeggende: „Indien hij, die rondgaat als een briesende leeuw, hier voorbij komt, zult ge stellig door hem verslonden worden”. Zij zagen hem aan en nu gaf Dwaas hem ten antwoord: „Ik zie geen gevaar”. Luiaard zei: „Nog een weinig sluimerens”. En Verwaand gaf ten antwoord: „Ieder moet voor zichzelf zorgen”. En zij legden zich weer neer om te slapen, terwijl Christen zijns weegs ging.

Deze mannen werden vanuit de Schrift vermaand met de innerlijke bewogenheid van de liefde, die uit Christus is. Het ging bij de Pelgrim om het behoud van hun onsterfelijke zielen. Maar het kwam bij deze zorgeloze reizigers niet tot een opstaan uit hun verregaande zorgeloosheid om de reis naar Sion te vervolgen.

Hoe ernstig zij ook op de dreigende gevaren werden gewezen, voor hen waren het maar denkbeeldige gevaren van de Pelgrim, die hun de rust niet gunde. Wij zien toch geen gevaar en daarom is er dan ook geen gevaar. Wat voor gevaar kan er zijn voor reizigers naar Sion, al liggen wij terzijde van de weg wat te rusten? De koninklijke weg naar Sion hebben wij niet verlaten. Nog een weinig sluimerens en wij zijn weer fris om verder te gaan. Ieder moet voor zijn eigen ziel en zaligheid zorgen en dat hebben wij dan ook meesterlijk gedaan. Wij zijn er allen van verzekerd dat Christus voor ons de zaligheid heeft verdiend en daarmee is alles in orde.

Maar gans anders was het met de bruid toen zij in haar zorgeloosheid werd aangesproken. Zij sliep wel op het bed van zorgeloosheid en dat was heel erg, doch haar hart waakte, zij kon in haar gemoed haar Bruidegom niet vergeten. En toen Hij Zijn hand trok van het gat van de deur, ontroerde de bruid om Zijnentwil in haar ingewand. Zodat zij opstond om Hem naarstig te zoeken.

En dat is het nu wat bij die drie mannen gemist werd. Daar de innerlijke geloofsgemeenschap met Christus gemist werd, kwamen zij niet tot ontroering om Zijnentwil, zodat zij niet opstonden om Hem te zoeken. Terwijl de Pelgrim zijns weegs ging, daar al zijn vermaan in de wind geslagen werd, en gelijk stond met het kloppen aan eens dovemans deur, viel het hem toch zwaar hen in die verharding achter te laten.

De gedachte, dat lieden die zich zo grotelijks in gevaar bevonden, zo weinig acht sloegen op de vriendelijkheid van Hem, Die toch bereid was hen te helpen, Die hun goede raad wilde geven en hun Zijn hulp aanbood om van die boeien bevrijd te worden, kwelde hem. Deze overpeinzingen vervulden zijn ziel met droefheid.

Vanuit Christus was het hart met deze christelijke droefheid vervuld over de zorgeloosheid van reizigers, die wel het aangezicht naar Sion keerden, maar niet het hart.

Wenend van droefheid sprak de Heere Jezus tot het zorgeloze Jeruzalem: „Och of gij ook bekendet, ook nog in deze uw dag, hetgeen tot uw vrede dient”.

Met de wetenschap van verkeerd te doen door in te gaan tegen de liefde van Christus, bleef Jeruzalem voortleven in zijn afkerigheid en weigerden de zorgeloze burgers te komen tot de bekentenis van dat kwaad, zodat de vrede van de verzoening niet gesmaakt kon worden. Maar vanuit Zijn droefheid over ons is het nog mogelijk met droefheid tot Hem te komen om zo de veiligheid, die onder de schaduw van Zijn vleugelen is, te verkrijgen.

A.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.