+ Meer informatie

Kerkgeschiedenis

5 minuten leestijd

Ginds, ten Noorden van Bazel, lag de vrije rijksstad Straatsburg; ook al geen onbekende plaats voor Calvijn.

In deze stad bestond sedert 1525 een franse vluchtelingengemeente, waarin Farel voor het eerst gepreekt had. Nu arbeidden hier de predikanten Capito en Bucer.

Laatstgenoemde zond een schrijven aan Calvijn met dringend verzoek om over te komen. Hij weigert beslist. Bucer zendt een tweede brief, om dan eens kennis te komen maken. Calvijn voldoet aan dit verzoek, maar keert weer terug. Dan volgt de derde brief van Bucer, maar nu van zeer krasse inhoud, waarin hem gedreigd wordt, dat God hem, evenals Jona bij voortgaande onwilligheid wel zal weten te vinden.

Nu durft hij niet meer weigeren en trekt naar Straatsburg. Het zijn de aangenaamste jaren van zijn leven geworden. Bucer zorgde er voor, dat Calvijn de geestelijke verzorging van de franse vluchtelingengemeente voor zijn rekening kreeg en dat heeft hij keurig gedaan.

Direct toog hij aan 't werk om zijn ideeën te verwezenlijken. Maandelijks werd het Heilig Avondmaal gevierd.

Opmerkelijk is, wat hiervan meegedeeld wordt. Vóór het H.A. kwamen de gemeenteleden bij hem, „opdat", zo schrijft hij aan Farel, „de onwetenden, die te weinig godsdienstonderwijs hebben genoten, beter kunnen worden onderricht; opdat zij, die behoefte hebben aan een speciale vermaning, die ontvangen; en opdat zij, die gekweld worden door innerlijke onrust, mogen vertroost worden." (aangehaald bij Praamsma).

Hij maakt reizen in de omtrek, om verspreide gemeenteleden te bezoeken, hij houdt zich bezig met armen en zieken, „hij draagt waarlijk elk van de leden van zijn kudde op het hart." (t.a.p.)

In de liturgie volgde hij die van de kerk van Straatsburg. Kenmerkend zijn de „confession des péchés (= de belijdenis van zonden), die het „confiteor" (= ik belijd) der mis verving, de zang dei-Tien Geboden in 2 tafelen, het psalmgezang in de Zondagmorgendienst en het knielend bidden.

In 1539 heeft hij enige psalmen en gezangen uitgegeven. Het waren er 18, waarvan hij er zelf 7 had berijmd en de bekende Marot 8. De gezangen waren die van Simeon, de Tien Geboden en de Geloofsartikelen. Er werd gezongen zonder orgelbegeleiding.

Wat de formulieren betreft, nam hij de gebeden van de kerk van Straatsburg over; het doopsformulier ontwierp hij zelf. Het huwelijksformulier nam hij ook van Straatsburg over (afkomstig van Farel), maar vertaalde het in het Frans. Ook een kerkorde ontbrak niet.

Zeer belangrijk was verder de tweede

uitgave van zijn Institutie in 1539. Wij kunnen zeggen: uitgebreid en verbeterd.

Het was nu echt een leerboek der dogmatiek geworden en van grote betekenis. Zelfs Luther liet er zich gunstig over uit; alhoewel Calvijn hem (zijn broeder) soms moest bestrijden.

Luther zei er van: „ik hoop, dat hij eens een betere gedachte over ons zal koesteren; het is niet dan behoorlijk, dat we van zo'n voortreffelijke geest iets verdragen." Calvijn was er zeer verblijd mee.

In 1539 werd hij ook leraar aan de school (het gymnasium) der franse gemeente. Aan het hoofd van deze inrichting stond als rector Johann Sturm.

Deze schijnt als paedagoog een vreemd heer geweest te zijn, al werd er hoog van hem opgegeven.

Hier te Straatsburg verscheen in 1539/ 40 zijn commentaar op de Romeinenbrief, de eersteling van een reeks keurige commentaren op bijna alle Bijbelboeken.

Te Straatsburg is hij ook getrouwd. Het is Bucer geweest, die hem tot het aangaan van een huwelijk heeft aangespoord, maar ook op een geschikte vrouw de aandacht heeft gevstigd, namelijk Idelette van Bure (of: de Burre), de weduwe van een bekeerde wederdoper, Jean Stordeur.

Zij zal aan Calvijn wel niet geheel onbekend geweest zijn, omdat hij met haar overleden man veel omgang had gehad en het middel was geweest tot zijn bekering. Het is een kort maar zeer gelukkig huwelijk geweest. Zij moet een buitengewoon predikantsvrouw geweest zijn.

Wat Kathe was voor Luther en Anna Reichart voor Zwingli, was zij voor Calvijn. Deze drie vrouwen hebben de echte, gereformeerde pastorie opgebouwd. In 1542 kregen Calvijn en zijn vrouw een zoon, die zij Jacob noemden. Het kind leefde slechts 14 dagen. Meer kinderen hebben zij niet gekregen.

In een antwoord schrijven op een condoleantie van Ds. Viret schreef Calvijn o.m. deze woorden van berusting: „De Heere heeft ons met de dood van ons zoontje een zware, bittere slag gegeven; maar Hij is de Vader. Hij weet wat goed is voor Zijn kinderen." In 1549 is Idelette overleden.

Calvijn's terugkeer naar Genève (13 Sept. 1541). Na Calvijns vertrek ging het in Genève niet goed. De Raad had een drietal nieuwe predikanten aangesteld, die met de achtergebleven predikant de kerkelijke zaken moest regelen, wat hun echter niet gelukte.

Er waren nu in de kerk van Genève twee partijen: de Guillermins, zo genoemd naar Guillaume (= Willem) Farel en een partij die het met Bern hield.

Er kwam zelfs onder de aanhangers van Calvijn een geest van afscheiding, uit antipathie tegen de aanwezige leraren. Maar hiertegen heeft de hervormer in een schrijven ernstig gewaarschuwd. Dat zou scheuring zijn. „De dienst des Woords en der Sacramenten moet, " schrijft hij, „zoveel eerbied in boezemen, dat men, waar beide voorkomen, het bestaan van een kerk moet aanvaarden. Ook al kunnen de huidige predikanten niet voor wettig gehouden worden, toch dient men uit hun handen het sacrament te ontvangen."

De overigen in Genève, de grote meerderheid vormend (delibertijnen), leefde er maar op los. Een frans réfugié vergeleek de stad bij Sodom!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.