+ Meer informatie

Het karakter van de belijdenis des geloofs (IV)

11 minuten leestijd

Geloven en belijden

Het woord „belijden” ontlenen wij aan de Heilige Schrift. En Gods Woord leert ons ook wat het inhoudt.

In het Oude Testament lezen wij van belijden van Gods naam (1 Kon. 8 : 33) en van belijden van de zonde (Daniël 9 : 20).

In het Nieuwe Testament is het vooral een belijden van Christus. Dat is een belijden dat Jezus de Christus is; een belijden dat Jezus Christus de Here is, en een belijden dat Jezus Christus de Zoon van God is.

Wanneer Simon Petrus op de vraag van de Heiland: Maar gij, wie zegt gij, dat Ik Ben? antwoord: Gij zijt de Christus, de Zoon van de levende God, legt hij de goede belijdenis af. Dan spreekt Jezus hem zalig, want Petrus heeft dit niet van zichzelf of van de andere mensen maar van God: Vlees en bloed heeft u dat niet geopenbaard, maar Mijn Vader, Die in de hemelen is (Matth. 16 : 15-17).

Het geloven met het hart en het belijden met de mond leidt tot het eeuwig heil (Rom. 10:9,10).

Christus heeft Zelf gezegd: Een ieder dan, die Mij belijden zal voor de mensen, die zal ook Ik belijden voor Mijn Vader, Die in de hemelen is (Matth. 10: 32). Uit de Schriftgegevens — er zijn er meer — blijkt, dat de belijdenis van het geloof van beslissende betekenis is. Het gaat erom, dàt wij belijden, en het gaat erom, wàt wij belijden. Voor de belijdenis in de bijbelse zin van het woord is geloof nodig: waarachtig geloof! Omgekeerd kan ook niemand met het hart geloven, of hij zal met de mond belijden (Calvijn).

Het is in de kerken gebruikelijk geworden om bij de belijdenis maar één woord te zeggen: het woord ja. Maar dat ja is dan het antwoord op veelomvattende vragen! Men kan op allerlei manieren ja zeggen. Dit ja, uitgesproken voor God en Zijn gemeente, is maar geen betuiging van instemming met wat ons van de zijde van de kerk wordt voorgehouden. Met heel ons hart hebben wij ja te zeggen op wat God van ons vraagt.

Niemand kan dan ook volstaan met een „historisch geloof”. Hoewel daar onder ons dikwijls op gewezen is, wordt hier en daar nog gedacht, dat men desnoods wel belijdenis der waarheid kan doen, als men op een bepaalde leeftijd nog niet aan de belijdenis van het geloof toe is. Men wordt dan toch belijdend lid in volle rechten en kan zijn kinderen laten dopen. Maar men is niet gerechtigd om avondmaal te vieren, men heeft althans geen goddelijk recht om toe te treden tot de tafel des Heren.

Woelderink zegt in zijn brochure over „Belijdenis doen” (1934), dat er in de gereformeerde groep in de Nederlandse Hervormde Kerk in het minst geen eenstemmigheid over is. Op de ene plaats doen onder de macht der traditie alle catechisanten belijdenis; op een andere plaats nagenoeg niemand. De ene predikant vertelt zijn catechisanten, dat het bij het belijdenis doen slechts om een uitwendige toestemming van de waarheid gaat, want hij meent toch zijn best te moeten doen om gereformeerde belijders te kweken, willen de gereformeerden niet in de minderheid komen, en een volgende dominee wijst enkel op het grote gewicht van het belijdenis doen en hij drijft de grote schare terug, die anders maar onbedacht zou toelopen, want hij meent toch getrouw te moeten zijn ook in dit opzicht (blz. 9).

Men zal behalve in de achttiende eeuw nauwelijks één gereformeerd theoloog kunnen vinden, die het voor de zgn. belijdenis der waarheid opneemt. Alleen de uiteenzetting van Kersten (in zijn Gereformeerde Dogmatiek, II, 1950, blz 124-128) vindt enige steun aan de niet het minst in de Gereformeerde Gemeenten voorkomende opvatting.

Kersten behandelt de belijdenis in het kader van de leer van de kerk. Hij schrijft: „Om de rechten van de leden der Kerk te kunnen oefenen, is het noodzakelijk, dat degenen, die uit kracht van geboorte en doop tot haar behooren, door hun belijdenis zichzelf uitspreken bij haar te willen blijven.” Voor de doopleden komt de tijd, dat zij niet meer in hun ouders gerekend kunnen worden.” Zij worden zelf voor de keus gesteld, óf het lidmaatschap krachtens geboorte en doop en daarmede den band aan de kerk te verbreken, door het leven der wereld te kiezen, óf dit lidmaatschap te bestendigen door het afleggen van Belijdenis. Zo is te verstaan, wat de Ned. Geloofsbelijdenis zegt, dat wie zich niet tot de Kerk voegt, doet tegen de ordinantie Gods”.

Deze motivering van de noodzakelijkheid van de belijdenis wijkt af van die van de kerk der Reformatie. Of wordt met de uitdrukking „de rechten van de leden der kerk” de toegang tot het heilig avondmaal bedoeld? In elk geval zijn de omschrijvingen: zich uitspreken bij de kerk te willen blijven, en: het lidmaatschap bestendigen, beslist onvoldoende om de belijdenis des geloof s te karakteriseren.

Maar dan volgt de definitie: „De belijdenis des geloofs is een vrijwillige en uitdrukkelijke toestemming aan en belijdenis van de in Gods Woord geopenbaarde en door de Gereformeerde Kerken saamgestelde waarheden, door hen, die tot de jaren des onderscheids gekomen zijn”. Even verder wordt van de doopleden gezegd, dat zij uitdrukkelijk hun instemming hebben te betuigen met de belijdenis, en hun oprechte belofte hebben te geven, dat zij dienovereenkomstig zullen spreken en wandelen.

Het is opvallend, dat het belijden van het geloof hier gezien wordt als instemming betuigen met de belijdenis. Natuurlijk moeten wij de waarheid God kennen en belijden. Maar het gaat om een levend geloof, dat de zaligheid in Christus zoekt. En dat laat Kersten rusten!

Het is van groot belang, dat onze kerken een duidelijk standpunt hebben ingenomen. Belijdenis afleggen betekent: belijdenis des geloofs doen, en niet der waarheid zonder meer. Een kerkeraad, die tevreden is met de verklaring van een historisch geloof, is in strijd met de uitspraken van Gods Woord en de grondslagen van de gereformeerde leer (1950). Met een beroep op Gods Woord en de belijdenisgeschriften der kerk heeft de Generale Synode van 1913 gehandhaafd, dat een levend geloof als eis Gods bij het afleggen van geloofsbelijdenis gevorderd moet worden.

In de kerken blijft de spanning bestaan tussen ideaal en werkelijkheid, tussen de eis des Heren en de gebrekkige beleving daarvan in de praktijk.

Kremer heeft daar terecht op gewezen in zijn nog steeds lezenswaardige geschrift: „Spanningen en gevaren in het leven van onze Christelijke Gereformeerde Kerken” (1953). Ook op dit punt zijn er gevaren. Enerzijds mag de belijdenis niet worden geïdialiseerd, anderzijds mag zij niet worden gedevalueerd tot een belijdenis der waarheid. „De Kerken hebben nimmer stelselmatig Avondmaalgangers willen kweken, maar ook geen stelselmatig kweken van kerkleden beoogd, door de poort tot de rechten van het lidmaatschap der Kerk te openen via een oppervlakkige verstandsbelijdenis” (blz. 21).

Niet altijd is een levend geloof ook een verzekerd geloof. In 1846 meenden sommige predikanten blijkbaar, dat men van zichzelf moest geloven en getuigen begenadigd te zijn.

Maar het is niet beslissend, wat wij van onszelf denken. Wij zeggen bij onze belijdenis geen ja op onze bekering of op ons geloof, maar op de beloften van het evangelie. Wij geloven, dat het beloofde heil niet alleen voor anderen maar ook voor ons is.

Wij belijden ons geloof in de Here Jezus Christus. En een van de belijdenisvragen van 1966 luidt daarom ook: Betuigt gij dat ge u vanwege uw zonden mishaagt, u voor God verootmoedigt, uw leven buiten uzelf in Jezus Christus zoekt, en begeert ge 's Heren dood te verkondigen tot versterking van uw geloof?

Het ene jawoord zal schuchter klinken, het andere vrijmoediger, maar het komt erop aan dat het het ja is van het ware geloof, dat de Heilige Geest door het evangelie in de harten werkt.

Verbond en belijdenis

In het formulier voor het afleggen van de openbare belijdenis des geloofs, dat in de Gereformeerde Kerken in Nederland wordt gebruikt, vormt het verbond het uitgangspunt. Het begint als volgt: Als gemeente van de Here Jezus Christus mogen wij met onze kinderen leven in het verbond van Gods genade. Van hen, die belijdenis doen, wordt gezegd, dat de Drieënige God het hun in het hart gaf om het heil des verbonds te aanvaarden en naar de eis van het verbond te willen leven. In de tweede vraag staat:

Gelooft gij Gods verbondsbelofte, u in uw doop betekend en verzegeld? En ook in het dankgebed komt het woord verbond voor.

Een proeve van een formulier voor de openbare belijdenis des geloofs, afkomstig uit de Classis Haarlem, dat aan onze laatste Generale Synode werd voorgelegd, ging min of meer in dezelfde richting. In het korte formulier, dat onze Synode aanvaardde, komt geen passage voor over het verbond. Maar dat wil niet zeggen, dat de samenhang van verbond en belijdenis in onze kerken niet wordt gezien.

Het is volkomen bijbels om de geloofsbelijdenis in verband te brengen met het genadeverbond.

In Jozua 24 lezen wij, dat de Israëlieten zeggen: De Here, onze God, zullen wij dienen, en naar Zijn stem zullen wij horen. Als de God van het verbond heeft Hij naar de aartsvaders willen omzien en heeft Hij zich aan Israël geopenbaard. Nu moet het volk zich ook uitspreken: Kiest dan heden, wie gij dienen zult!

In het Oude Testament is meer dan eens sprake van een verbondsvernieuwing. Zo leest koning Josia de woorden van het boek des verbonds aan het volk voor, en verplichten koning en volk er zich voor Gods aangezicht toe, dat men de Here zal volgen en met zijn ganse hart en zijn ganse ziel Zijn geboden, getuigenissen en inzettingen zal houden, en de woorden van het verbond, die in dit boek geschreven waren, zal volbrengen (2 Kron. 34 : 29-33).

Bij alle verschil tussen de oude en de nieuwe bedeling is het toch in wezen dezelfde zaak, als in 1966 wordt gevraagd, of het ons een hartelijke behoefte is, door de kracht van de Heilige Geest, God de Here lief te hebben en Hem te dienen naar Zijn Woord.

De belijdenis draagt het karakter van antwoord op het Woord van God, op Zijn beloften en eisen. De Here is de Eerste. Hij verbindt Zich aan ons en Hij verbindt ons aan Zich. Hij geeft ons de verzekering: Ik ben de Here, uw God, en Hij verwacht van ons de belijdenis: Gij zijt mijn God.

In het doopsformulier worden wij eraan herinnerd, dat in alle verbonden twee delen begrepen zijn. Daarom worden wij in het genadeverbond ook vermaand en verplicht tot een nieuwe gehoorzaamheid, namelijk dat wij deze enige God, Vader, Zoon en Heilige Geest, aanhangen, betrouwen en liefhebben van ganser harte, van ganser ziele, van gansen gemoede en met alle krachten, de wereld verzaken onze oude natuur doden en in een godzalig leven wandelen.

Dat is de eis van het verbond.

Maar in het verbond der genade gaat de belofte aan de eis vooraf.

Wat God vraagt, wil Hij Zelf geven. Ook de Heilige Geest, Die het geloof in ons werkt en Die ons ertoe brengt God lief te hebben met heel ons hart, is ons in dit verbond beloofd.

De christen valt altijd weer terug op de beloften Van het verbond, die in Jezus Christus ja zijn, om daar in het geloof amen op te zeggen, amen in de binnenkamer, amen in de samenkomst der gemeente en amen in het leven van iedere dag door zich altijd weer te richten naar Gods verbond en woorden. En dat is tot Gods eer (vgl. 2 Cor. 1 : 20).

Verbond en belijdenis behoren bij elkaar. Onze belijdenis moet een blijk zijn van de hartelijke inwilliging van Gods verbond.

Kinderen van het verbond zijn niet vrij om te doen wat zij willen.

Zij worden geroepen om Gods naam te belijden en naar Zijn wil te leven. Krachtens het verbond der genade mogen en moeten wij ons openlijk verbinden aan de Here en aan Zijn dienst.

Als wij belijdenis van ons geloof afleggen, wordt ons ook gevraagd of wij standvastig zullen blijven in leven en sterven.

In de oude belijdenisvragen uit de zestiende eeuw komt dit element voor, en eveneens in de bekende Utrechtse vragen (de vragen van Voetius) en in de vragen van 1966.

Met ons jawoord verbinden wij ons niet alleen voor het moment maar voor altijd!

Maar zullen wij deze gelofte kunnen houden? Zullen wij steeds staande blijven in de strijd en nooit bezwijken in de verzoeking?

Zullen wij niet op onze belijdenis terugkomen? Zullen wij de Here nooit verloochenen?

Wij spreken met onze belijdenis echter niet uit, dat wij zo standvastig zijn. Wij beloven standvastig te blijven door de genade Gods.

Als het goed is, zien wij bij onze belijdenis biddend op tot de God van het verbond, Die de Getrouwe is. Wat onmogelijk is bij ons, is mogelijk door Zijn genade. Ook de volharding is een van de gaven van het verbond, die ons beloofd zijn.

De Here houdt de Zijnen staande en Hij maakt hen getrouw. Hij zal hen leiden en sterken door Zijn Heilige Geest.

Laten wij de belijdenis van hetgeen wij hopen onwankelbaar vasthouden, want Hij, Die het beloofd heeft, is getrouw (Hebr. 10 : 23).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.