+ Meer informatie

Epos van het verzet

7 minuten leestijd

Des onderdrukkers wreede handDrukt zwaar op 't uitgeplunderd land.Nog in der menschen zielen brandtHet leed van d' ondergane schand.Deze dichtregels zijn afkomstig van G. L. Tichelman en staan afgedrukt in een kortelings opnieuw uitgegeven bundel gedichten van uitgeverij Buijten en Schipperheijn te Amsterdam. Deze bundel heet „Geuzenliedboek 1940-1945".

In het jaar dat Nederland dertig jaar geleden werd bevrijd van „des onderdrukkers 
wreede hand" (nl. het Duitse juk) verleende het ministerie van CRM zoveel subsidie dat genoemde uitgeverij deze liedbundel opnieuw in facsimile-druk kon uitgeven voor de bijna vooroorlogse prijs van vijf guldentjes. Eindelijk dan toch weer eens wat goeds van CRM!

Maar dat daargelaten, zowel de titel als de inhoud van het boek zelf herinnert ons aan een periode van grote worstelingen van ,:het Nederlandse volk. Diverse perioden zelfs. De term „Geuzen" werd geboren in de tachtigjarige vrijheidsstrijd die de Lage Landen losmaakte van hét tirannieke Spanje. Deze „Geuzen" maakten vrijheidsliederen ofwel vormden het onderwerp van liederen. Waar helden zijn, kan gezongen worden...

Zo verscheen in 1588 „Een nieu Geusen Lieden-Boecxken" dat prijkte mét de afbeelding van de gehate koning Philips den Tweeden, de bedelaarstas met twee ineengeslagen handen en tevens een kalebasje en een bedelnap.

Dit boekje zorgde nog steeds voor inspiratie tijdens de Franse tijd in Nederland, zo rond de eeuwwisseling van 1800. Toen tijdens een ditmaal Duitse bezettingstijd opnieuw vrijheidsliederen werden uitgegeven, koos men de titel en de titelpagina van zo lang geleden weer opnieuw als de vlag waaronder nieuwe gedichten werden geladen.

Merkwaardig

Het „Geuzenliedboek 1940-1945" is een alleszins merkwaardig boek. Precies een jaar na de nazi-invasie op 10 mei 1940, zo Vertelt een toelichting in het boek, werden een tiental nieuwe „geuzenliederen" gebundeld uitgegeven, op initiatief van Jan H. de Groot, Gerrit Kamphuis en Henk van Randwijk. Maar omdat men de gevaren van illegale verspreiding van deze brochure te groot achtte, werd het boekske alleen in zeer kleine kring bekend.

Najaar 1943 ging het beter. G. L. Tichelman, conservator van het Koloniaal Instituut (voor de Tropen) te Amsterdam en dra. M. G. Schenk kwamen bij elkaar om opnieuw een bundel geuzenliederen uit te geven. Dra. Schenk en de in 1974 overleden journalist J. B. Th. Spaan hadden zelf al een flinke verzameling geuzenliederen opgebouwd die thans nog werd uitgebreid. Drukkerij Allard J. Honing te Amsterdam verklaarde zich bereid het waagstuk te ondernemen. 
Albert Helman schreef een voorrede en najaar 1943 kwam uit „Geuzenliedboek, eerste vervolg". Een vervolg op de brochure van 1941.

Hoewel allerlei namen waren weggelaten en de uitgave anoniem was om de Duitsers niet op het spoor te zetten, was dit „eerste vervolg" spoedig uitverkocht. De tijd was rijp gemaakt voor inspirerende verzetsliteratuur. De opbrengst van het boek werd gebruikt voor steun aan slachtoffers van de bezetting.

Ontstemming heerste niet alleen onder de Duitsers (begrijpelijk), maar ook onder „de dichters". Zij hadden ook geuzenliederen verzameld en voelden zich gepasseerd. Daarop heeft een bespreking plaats gehad tussen de samenstellers van het „eerste vervolg" en mensen als Henriëtte van Eyk, Halbo Kool en Han Hoekstra. Afgesproken werd een „tweede vervolg" te maken en zulks gezamenlijk. Het is er niet van gekomen; wel verscheen het „Vrij Nederlands Liedboek", op initiatief van „de dichters" met verzetspoëzie die gerangschikt was op grond van literaire normen.

De oorspronkelijke redactie van „eerste vervolg" ging daarom op eigen benen door en in voorjaar 1944 verscheen dan het „tweede vervolg" met een voorwoord van J. W. P.Weremeus Buning, wederom gedrukt door Allard Honing die kort na de uitgave werd gearresteerd en in gevangenschap is overleden.

Het „derde vervolg" werd uitgegeven door de illegale drukkerij „D.A.V.I.D." (thans Buijten en Schipperheijn geheten). In het oosten van het land was het derde boekske nog tijdens de oorlog verkrijgbaar, maar het westen heeft het niet meer kunnen bereiken vóór de bevrijding.

Allegaartje

Na 5 mei 1945 werd besloten van de verschenen uitgaven een gezamenlijke bundel uit te geven daar de illegale oplagen te summier waren (1000 of 2000 exemplaren). 
Begin augustus 1945 was het nieuwe boek in de boekhandel verkrijgbaar en de na-oorlogse oplage haalde de 85.000 exemplaren. 
Zoals de geschiedenis van dit „geuzenliedboek" alleszins merkwaardig is, zo is het ook met de inhoud gesteld. Zelden zagen wij een groter allegaartje bij elkaar gebracht, zo uiteenlopend van kwaliteit en uitgangspunten. De rode draad die niettemin door de bundel heenloopt, vormt het verzet op alle mogelijke manieren tegen „de Duitser".

Zoals bijv. deze variant op een vaderlands lied (248): 
Waar de blanke top der duinen 
glinstert van het prikkeldraad. 
Waar op ied're honderd meter 
weer zo'n rotmof voor je staat: 
Daar zing ik ver van 't breede strand 
Ze komen toch nooit in Engeland! 

Vele geuzenliederen zijn opgehangen aan een of andere nieuwe situatie die de bezettende Duitsers bedachten. Zoals het gedicht dat 86 juli 1943 tot datum draagt: Mussolini op den loop! 
Dat vervult de ziel met hoop! 
't Doet ons hart van vreugde trillen, want nu gaat de spil verspillen, alles wat ze rovend won: uit het duister rijst de zon!

NSB-leider en Houzee-roeper ir. Anton Mussert vormde vaak het doelwit van uiterst opgezweept sarcasme, zoals in het „gedicht" op p. 226 dat klaarblijkelijk ook iets te maken heeft met Vondel. 
Wij citeren enkele regels van „Aan het malle mannetje Mussert":

Intrigantje, dlllettantje,
onverstandje, mal geval
arrogantje, dwlngelandje,
kwasterige niemendal.
Zwartrood mofje, namaakmofje,
Acht wat plof je op den grond
't Is geen bofje, 'n catastrophje.
Zielig zo'n geslagen hond.

Ook religieuze gedichten vormden een uitlaatklep der gevoelens. In het tiental gedichten dat spoedig na de bezetting van Nederland verscheen, bevond zich ook een uitroep van Geerten Gossaert toen hij op de ochtend van 10 mei 1940 een brandend vliegtuig boven Den Haag zag vallen. Gossaert zette er een Latijnse Bijbeltekst boven (in vertaling: Hij geeft de vruchten hunner handen over aan den sprinkhaan):

„Ons staan van koorn
De velden wit.....
Neemt Gy 
i
n Uwen toorn
al dit?
Nog blijft ons, vry
en vol bezit,
Van Uwe min
't Zielseigen pand.
Dit erfdomein, ons Nederland!
Gehneg, o. Heer, die 't Al regeert.
Die uit Uw wolk
Onze oogst verteert.
Dat ik Myn volk
In pijn en nood
Getrouw mag zijn 
Tot in 
Den dood!

Gossaert moet een profetische blik gehad hebben toen hij op de eerste dag van vijf bezettingsjaren al de geweldige roof der Duitsers in het verschiet zag liggen.

In de verzamelbundel die kort na de bevrijding verscheen, was het nog niet mogelijk om in een „toelichting" en in een „register" de namen der dichters en diverse omstandigheden te vermelden. Dat is in de huidige facsimile-uitgave wel gebeurd die daardoor zeer aan aantrekkelijkheid heeft gewonnen. 
Zo lezen wij dat Rie Cramer vele gedichten op haar naam heeft staan, waarvan „13 maart 1941" zeer aangrijpend is:) (p. 32): 
Zij traden aan by 't eerste morgenklaren 
Zonder een woord. 
Zoo hebben hen de knechten der barbaren 
Haastig vermoord.

Zinvol?

Bij het doornemen van deze bundel duikt onwillekeurig de vraag op of al die offers, of al die doden in bezettingstijd werkelijk wel zinvol zijn geweest. Is „wat voorbijging aan nood en leed niet vergeefsch geweest"? Als men de huidige Nederlandse mentaliteit ziet; als die hele complexe samenleving anno 1975 dan te danken is aan enkele honderdduizenden doden van Nederlandse zijde, is het dit waarvoor zij gevallen zijn? Zij vielen „voor vrijheid", „voor recht", „voor God", om minder edele motieven als „haat" hoe begrijpelijk op zichzelf ook even weg te laten. Worden al die offers thans gehonoreerd?

Hierop is niet zo zonder meer , ja" of „nee" te zeggen. Men zou geneigd zijn te zeggen dat „vrijheid" en „recht" in het huidige socialistisch getinte Nederland met zijn steeds toenemende socialisatie en de moorden van onschuldige ongeboren kinderen ook na de oorlog nog steeds niet verwezenlijkt zijn. Anderzijds bestaat nog wel de grondwettelijke vrijheid tot het doen van juist die dingen die in vijfjaar bezetting verboden werden, ten koste van hoge „straffen". 
Niettemin kan het heel verfrissend werken, temidden van een ontwikkeling van tendensen die lijken op wat ons nog maar dertig jaar geleden overkwam, dit boek ter hand te nemen en opnieuw de emoties in te leven. Niet om Duitserhaat te kweken, maar om bewust te zijn hoe gevaarlijk dergelijke fatale neigingen in een mensenhart kunnen opsteken, tot welk volk men ook behoort. 
N.a.v. „Geuzenliedboek 1940-1946" onder redactie van drs. M. Schenk en H. M. Vos, uitgave Buiten en Schipperheyn, Amsterdam, i364 (XXIII) pag. ingenaaid, prijs ƒ 5,-.
*********
Toen Mussert nog een musje was, 
was hij nog heel gedwee, 
de mus kreeg: praatjes, werd brutaal, 
maar 't bleef bij veel geschreeuw. 
En door dat mooie zwarte hemd 
leek hij precies een spreeuw. 


Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.