+ Meer informatie

HEDENDAAGSE GELOOFSBEOEFENING IN GEREFORMEERD PERSPECTIEF

29 minuten leestijd

Het geloof is voortdurend in beweging

We staan vandaag stil bij de praktijk van het geloofsleven. Misschien moeten we het nog iets duidelijker omschrijven: het gaat om de kerkelijke praktijk. Dat is een zekere inperking, want het zou onjuist zijn om te denken dat het geloofsleven enkel en alleen binnen de kerkverbanden tot ontwikkeling komt. Ook buiten de strikt kerkelijke kaders kom je in onze cultuur nog wel geloof tegen, ook al zal niet iedereen dat willen omschrijven als authentiek christelijk geloof. Maar nog wel enig besef van de christelijke traditie. Tevens moet je zeggen dat niet alles wat zich binnen de kerkelijke kaders aanbiedt zo christelijk is: vaak is het geloof vermengd met bijgeloof, met ontaarde tradities, met een eigenzinnigheid die soms niet de ruimte heeft van de Schrift en de traditie. Maar goed, vandaag zijn we bijeen als ambtsdragers en willen we nadenken over de kerkelijke geloofsbeoefening in de context van de hedendaagse cultuur. De kerk ontwikkelt tal van activiteiten die gericht zijn op de vorming en de instandhouding van het geloofsleven. Het geloof als zodanig is geen eindpunt. Wie in het geloof leeft, is voortdurend in beweging en het geloof houdt je ook in beweging. Het is geen kant en klaar bezit wat je in je broekzak meedraagt, maar zo centraal verweven met je persoon en je leven dat het in een voortdurend beweging betrokken is. Bovendien kun je het geloofsleven niet abstraheren van de context waarin het zich voltrekt. Het geloof wordt uitgedaagd en geprikkeld. Vaak gaat dat vrij ongemerkt. Niet in die zin dat het kerkelijk belijden verandert, maar er worden wel weer andere accenten gelegd. We leven nu in een tijd waarin er veel aandacht is voor de mens als subject. In het algemeen gaan mensen niet uit van vaststaande objectieve waarden en normen. Neen, waarden zijn tegenwoordig uiteindelijk door de mens gemaakt en als onze inzichten veranderen, dan veranderen ook de normen. Bovendien zijn we erg gesteld op onze vrijheid en ook in de kerk hebt u te maken met mondige mensen. We leven in een cultuur waarin er een rijkdom aan mogelijkheden is. Dus mens: groei, ontplooi jezelf. Ik kom daar straks nog op terug, maar ongemerkt heeft zo’n levensklimaat ook invloed in de kerk. Niet dat het dogma gelijk verandert (dat zou ook kunnen), maar ik denk meer aan de sfeer en het klimaat. Vanaf de jaren 1960–70 stond alles in het teken van het handelen, van de politiek, van de zuivere maatschappelijke oriëntatie. Daar waren de kerken toen ook druk mee in de weer: vredesbewegingen, sociale en politieke gerechtigheid, etc. Vanaf de jaren 1990 staat dat in ieder geval niet meer hoog op de agenda. Nu gaat de aandacht uit naar de eigen leefwereld, naar de eigen biografie, naar de levenservaringen, naar het innerlijk, naar de directe context waarin ik functioneer. Het grote geheel overzie ik toch niet meer. Termen als zingeving en betekenisverlening doen het goed. Ik moet zelf ergens zin aan kunnen verlenen, anders ontgaat het me. In de theologie hebben we een trend die sterk ervaringsgericht is: alles is van onder op. Het woord “ervaring” heeft het woord “openbaring” naar de rand geduwd. Met andere woorden, het hedendaagse leefklimaat sijpelt via de kerkmensen door in de in de kerk en in de kerkelijke arbeid.

Geloven als een betrekking, een gemeenschap

Het geloof en het leven zijn nauw met elkaar verbonden en in die zin is het geloof voortdurend in beweging. Dat het geloof steeds in beweging is, heeft ook alles te maken met de eigen aard van het geloof. Het gaat namelijk om een betrekking waarin we staan, een betrekking tussen God en mensen. Het geloof is niet alleen maar een bepaalde overtuiging. Dat denken mensen wel eens, vooral mensen buiten de kerk. Je hebt een bepaalde overtuiging, en daar leef je dan uit. Dat is het natuurlijk ook wel, maar daarmee raak je de kern niet. Geloven is een kennen van God en van jezelf, dat zich voltrekt in de gemeenschap met God. Het is een kennen van God om met Hem te leven, en in die levensgemeenschap leer je Hem en jezelf kennen. In het geloofsleven gaat het om een levend verkeer, en vanuit dat levende verkeer sta je in het leven van alle dag. Dat het geloof een betrekking is, een gemeenschap, wil dus ook zeggen dat er twee subjecten zijn: God en mens. Zonder het Woord van God, zonder de openbaring van God ontstaat er geen gemeenschap. Maar zonder het horen van de mens, het geloven en de gehoorzaamheid ontstaat er ook geen gemeenschap. Het gaat om een voortdurend heen en weer, en zonder dat heen en weer is er geen geloofsleven. We worden gevoed én we delen uit, we horen én we antwoorden, we smeken én we worden gehoord. In het geloofsleven zit dus een zekere wederkerigheid. Het gaat gepaard met ontmoeting en communicatie, er zit beweging in en voortgang. Door het geloof vooral te zien als een gemeenschap en een betrekking tussen God en mens vermijd je twee eenzijdigheden die voortdurend met elkaar strijden. Enerzijds wordt alles gegooid op de openbaring. God hééft zich geopenbaard in Jezus Christus. Zeker, maar er ontstaat ook gemeenschap met Christus in het heden. Wie in Christus is, die is zelf uit de dood overgegaan in het leven. In die zin is geloof méér dan antwoord op de openbaring: het komt tot een nieuwe gemeenschap, het beeld Gods wordt hersteld in de mens en zo komt er ook een andere levensgemeenschap.

Nu even de andere kant. Het geloof wordt eveneens maar al te vaak helemaal aan de kant van de mens gezocht. We kijken dan uitsluitend naar datgene wat er in de mens gebeurt. In de bevindelijk orthodoxe en evangelische kring komt het accent dan helemaal op de bekering te liggen. Wordt dat soms niet wat te ervaringsgericht? Hebben we dan nog weet van de bijbelse omdraaiing: gerechtvaardigd door God zelf? Geloven is aanvaarden dat God je rechtvaardigt in Christus. Soms is het hard nodig om de bekering niet al te zeer in het menselijk subject te plaatsen. Het geloof is in een genadig oordeel van Gód. Het blijft dus van belang om het geloofsleven te zien als een betrekking of gemeenschap tussen God én mens.

De rol van de ambtsdrager

Zelf versta ik de gereformeerde traditie — en dan gaat het wel om de brede traditie-stroom — als een vorm van katholieke theologie. Ondanks alle kerkelijke verdeeldheid bevat het qua theologische traditie de volle breedte van het klassieke dogma en wil het recht doen aan de gehele Schrift. We moeten niet in een hoek komen te zitten waarvan dan gezegd wordt: dat is een zijspoor of dat is een splinterbeweging. Het woord “gereformeerd” beschrijft een brede historische variant van de christelijke traditie. In onderscheid met de Rooms-katholieke traditie wordt het geloof niet verankerd in het kerkelijk sacrament noch in de kerkelijke hiërarchie, maar in de omgang met de Schrift. Net als in de Lutherse traditie is het Woord van God de spil waar alles om draait, en wordt het geloof uiteindelijk verstaan als de rechtvaardiging van de goddeloze. Maar de gereformeerde traditie heeft ook een eigen identiteit en die heeft te maken met de aandacht voor de doorwerking van het Woord in het leven. Het Woord is niet alleen openbarend, maar zet ook in beweging. In het geloof ervaren we niet alleen de genade van Christus, maar worden we tevens tot een nieuwe gemeenschap geroepen. Dat alles is denk ik terug te voeren tot het feit dat de gereformeerde traditie met twee woorden spreekt’. Woord én Geest. Dat de Heilige Geest er bij genoemd wordt wil zeggen: het Woord gaat het leven in, het blijft niet in zichzelf besloten, maar waaiert uit over de aarde. Gereformeerde theologie wordt beoefend in woordenparen: Woord én Geest, God én mens, openbaring én ervaring, rechtvaardiging én heiliging, kerk én samenleving, individu en gemeenschap.

Welnu, dat zie je ook in de kerkelijke en ambtelijke structuur. In onze traditie kennen we drie ambten. Niet het ene ambt van de Woordbediening, want naast de predikant stappen zondags ouderlingen en diakenen de kerk binnen. En zij stappen door de week ook rond in de gemeente en in de samenleving om te kijken of die Woordbediening ook nog wat uitwerkt in het leven van alle dag. Ouderlingen, diakenen en predikanten representeren kerntaken van de christelijke gemeente. In de kerkdienst collecteren de diakenen en zij besteden dat geld aan diaconale doelen. Daarmee geven zij uitdrukking aan een specifieke taak die de gemeente heeft. De gemeente weet zich verantwoordelijk in de dienst der barmhartigheid, niet alleen in onderlinge solidariteit, maar ook naar buiten toe in het geheel van de samenleving. De ouderlingen oefenen de pastorale leiding uit over de gemeente, zij hebben de verantwoordelijkheid van het geestelijk leiderschap en dat komt o.a. concreet tot uiting in het pastorale werk. Opnieuw is dat een kerntaak in de gemeente waarin de ouderlingen een bijzondere opdracht vervullen. Zij spreken met de mensen over de betekenis van het geloof in de dagelijkse levenspraktijk. De kunst van het luisteren paart zich aan de intentie om gepaste leiding te geven. En dan is er tenslotte de predikant, de derde ambtsdrager. Wat deze ambtsdrager praktisch zo bijzonder maakt is dat hij voor zijn ambt betaald wordt. Hij is vrijgesteld voor deze werkzaamheden en hij heeft tevens een academische opleiding genoten. Dat heeft weer tot gevolg dat hij wordt geacht een deskundige te zijn. Bij een dominee speelt naast het ambtelijke het professionele een grote rol en juist dat maakt hem anders dan de anderen. Hij wordt geacht deskundig te zijn in de theologie, in de Schriftuitleg, in het pastorale werk, etc.

Kenmerkend voor de gereformeerde traditie is dus de invulling van de relatie tussen Woord en Geest. Daarmee heeft ze zowel oog voor de bevindelijkheid als voor het alledaagse, creatuurlijke bestaan. Naast de predikant die het Woord bedient, staan altijd de ouderling en de diaken die zich afvragen: wat betekent dit Woord nu in het sociale, maatschappelijke en bevindelijke leven? In de loop van de geschiedenis is de gereformeerde traditie ook niet aan eenzijdigheden ontkomen. In de Nadere Reformatie en in het Piëtisme werd de aandacht eenzijdig opgezogen in de innerlijkheid en het subjectieve, terwijl op andere momenten het geloof bijna samenviel met de burgerlijke moraal of met een politiek activisme.

Geleefd geloof

Het zal duidelijk zijn dat we als kerkelijke werkers te maken hebben met mensen in hun concrete bestaan. Wie geen liefde voor mensen heeft, moet ook maar geen kerkelijk ambt vervullen. Wie de concrete mens uit het oog verliest, die slaat in het kerkelijk werk de plank mis. Beseffen we wat er in mensen omgaat met wie we te maken hebben? Hebben we enig besef van hun concrete levensgeschiedenis en levensomstandigheden? Een mens wil toch gehoord en gekend worden, en dat geldt zeker in onze dagen. En als we spreken over het geloof, dan zal dat toch gaan over het geleefde geloof. Die term kan enige verwarring oproepen: het geloof zoals het zich voordoet in een concreet mensenleven. Moet dat geleefde geloof niet steeds gemeten worden aan de belijdenis of aan de Schrift?, zo hoor ik iemand zeggen. Het kwetsbare geloof zal onmiddellijk in zijn schulp kruipen wanneer de meetlat er naast gehouden wordt. Moeten we niet beginnen met respect en openheid? Het zal toch zo zijn dat de eigen levensgeschiedenis zijn spoor nalaat in de aard van de geloofsbeleving. Daar mogen we ook dankbaar voor zijn, dat kan iets van de echtheid aangeven: dat de Heilige Geest het geloof zo gevormd heeft, dat het congruent is met het leven. Misschien gaat dan een gesprek pas echt lopen, als we de werking van God in dit concrete leven onderkennen.

Goed, daarmee zijn we er niet. De verankering van het geloof in het leven en de uitdrukking die mensen daar aan geven is niet het enige. Het geloof bloeit wel op in de mens, maar het is wel het resultaat van Gods bemoeienis. God geeft zichzelf te kennen en in die zin gaat het in het geloof altijd weer om een beweging van God naar de mens: God geeft het leven en de mens ontvangt het leven, God roept en de mens gehoorzaamt, God verkiest en de mens vindt houvast. Het geleefde geloof draagt ook sporen van dit komen van God en van de overgave aan God. Het roepen tot God en het wachten op God zijn zichtbare tekenen daarvan. Wanneer we enig besef hebben van Góds vrijheid en Góds genadig komen tot ons, dan trekt dat ook sporen van afhankelijkheid en overgave. Wanneer we niet meer beseffen dat God subject is in de ontmoeting met Hem, dan verliezen wij aan onze kant op den duur ook de ontvankelijkheid en de openheid. Juist het persoonlijke tegenover van God doet een appel op de mens als persoon en met name op die functies die gemeenschapsvormend zijn. Misschien moet je wel zeggen: wanneer God zich tegenwoordig stelt, dan pas komen de menselijke functies die gemeensschapstichtend zijn echt tot ontwikkeling.

Geloofsbeoefening

Geloven is dus een uitermate existentieel gebeuren. Het leven wordt voortdurend betrokken op God en tevens wordt de tegenwoordigheid van God ingewacht. Het is te vergelijken met de beginwoorden van de kerkdienst: Onze hulp is in de Naam van de Here… en even later horen we: Genade zij u en vrede.… Die wederkerigheid zit ook in de geloofsrelatie. Zoals ik al zei, het geloof is niet slechts een overtuiging, maar een levende betrekking. Een gemeenschap moet je beoefenen en onderhouden. We spreken terecht over geloofsbeoefening. Daar zit het woord oefening in. Je oefent, je traint om iets goed onder de knie te krijgen, zodat je het later kunt hanteren. In-oefenen, in-studeren, door die regelmatige herhaling en training maak je je iets eigen. Zo is het ook met het geloof. Tal van kerkelijke activiteiten dragen iets van die training in zich. Ik denk bijvoorbeeld aan de catechisatie. Jongeren leren over de bijbel, leren over het geloof, over God.… Leer je ze ook geloven? Kun je het geloof leren? Ja, in zekere zin wel, het wordt ingeoefend. Zelfs het bidden heeft in afgeleide zin die functie. Misschien zegt u: neen, bidden is de uit-oefening van het geloof. Dat is het ook primair: het is een gesprek met God, je beoefent de gemeenschap. Maar wanneer er hardop gebeden wordt, dan gaat daar ook een vormende werking van uit. Zo word je gesocialiseerd, zeggen we tegenwoordig. En dat is niet onbelangrijk. Je leert hoe het kan, en daar gaat een vormende werking van uit. Welnu, het geloofsleven moet gevormd, onderhouden en ook steeds weer vernieuwd worden. Het kerkenwerk speelt daarin een uitermate belangrijke rol. Het geeft een structuur voor zowel de in- als de uitoefening van het geloof. En zonder structuur gaat het niet. De kerk biedt een bedding waarin het geloofsleven tot ontwikkeling kan komen, en in die zin is de kerk ook belangrijk. Tegenwoordig zijn er heel veel mensen die de kerk eigenlijk niet zo zien zitten. Dat is institutioneel, dan heb je te maken met allerlei vormen en tradities. Het zou toch allemaal veel vrijer moeten, het gaat toch om de mensen, en waar de Geest is, daar is toch vrijheid. Neen, zou ik zeggen, je hebt ook orde en structuur nodig. Neem bijvoorbeeld de kerkdienst, dat is een concrete vorm van geloofsbeoefening, en daar vinden tal van activiteiten hun oorsprong. In de liederen die we zingen, in de gebeden die we zeggen, in de collecte die we houden, in al die activiteiten vindt het geloof zijn uitdrukking. Concrete geloofsuitoefening.. Maar het is ook steeds in-oefening. De kerkdienst is dus ook een soort leerschool, want je oefent je met het oog op de nieuwe week die komt. We moeten die inoefen dimensie niet onderschatten en ook niet verwaarlozen. Niet voor niets is de gereformeerde traditie een sterk onderwijzende traditie. Zeker, het is ook daadwerkelijke viering van de Godsgemeenschap. Misschien zijn we niet zo liturgisch dat we het viering noemen, maar dan noemen we het bijvoorbeeld de bevinding. Maar die onderwijzende kant van de zaak wil ik nog wel even onder de aandacht brengen. Als we teveel de nadruk op de viering of de bevinding leggen, dan lijkt het net alsof we alles in werkelijkheid bezitten of ondervinden. In de viering staan we in het heil of ondervinden we het heil. Tot die uitbundigheid komt een gereformeerd mens echter bij hoge uitzondering. Het heil ligt meer in de belofte en in de verwachting dan in de daadwerkelijke ervaring. Het heden kan er nooit helemaal van vervuld raken. En ik denk dat om die reden de nadruk gelegd wordt op de onderwijzing. In het geloof ligt alles niet in het heil-volle moment opgesloten. Het gaat ook om de lange adem, soms moet je het uithouden in de leegte en zonder al te veel gewaarwording van Gods goedheid in geloof en vertrouwen verder gaan. En ik denk dat de onderwijzende geloofstraditie daar op in haakt.

Sacramentele gemeenschap of leerschool?

Richten we onze aandacht even op de kerkdienst. Tot nu toe heb ik willen beweren dat het geloofsleven gezien kan worden als een betrekking/gemeenschap tussen God en mens, en dat de kerkelijke praktijk bijdraagt aan de beoefening van dat geloof, dat wil zeggen bijdraagt aan de vorming, onderhouding en vernieuwing van het geloofsleven. Nu komen we daarmee wel in een bepaald spanningsveld in de gereformeerde traditie (dat geldt overigens ook wel voor andere tradities). Laat ik dat proberen duidelijk te maken aan de hand van de kerkdienst. Het is de spanning tussen de liturgische en de onderwijzende dimensie. Is de kerkdienst een daadwerkelijke viering en beleving van het heil, van de gemeenschap met Jezus Christus, of moet je zeggen: neen, zo direct en sacramenteel kun je daar niet over spreken? De kerkdienst is een oefenschool, er valt wel wat te beleven en te ervaren, maar het is toch primair een klaslokaal, waar we onderwezen worden in de zaken van Gods genade in Jezus Christus. We hebben het er over, en als we het er over hebben dan gaat het ook wel leven, we worden het ons weer bewust, maar het blijft toch een menselijk onderonsje. We kunnen er niet van uit gaan dat het geloof als gemeenschap met God daadwerkelijk plaatsvindt. In ieder geval past terughoudendheid: we hebben het er wel over, maar… wij kunnen God zelf niet tegenwoordig stellen. Is dat zo?

Wij leven in een tijd van de afwezigheid van God. In de theologie hoor je meer over de menselijke ervaring dan over het handelen van God. Toch is het merkwaardig dat juist de belangstelling voor de liturgie toeneemt. Blijkbaar is de liturgie toch een gebeuren dat meer bevat dan een menselijk onderonsje. Heeft dat te maken met de architectuur van vooral de oude middeleeuwse kerken? Komt het voort uit een zekere plechtstatigheid? Wordt het opgeroepen door het feestelijke karakter? Het heeft ook te maken met de woorden die gesproken worden. Alleen al het feit dat we beginnen met “Onze hulp is in de naam van de Here…”, en daarna zeggen: “Genade zij u en vrede…”.Votum en groet brengen een extra dimensie aan. We belijden dat we bijeen zijn in de Naam van de Here zelf. Waar twee of drie in mijn Naam bijeen zijn, daar ben Ik in het midden van hen. Maar gaat God ook naar de kerk als wij naar de kerk gaan? Kun je dat zo gelijk schakelen? Zou je niet moeten zeggen dat het slechts om een menselijke oefening gaat? Ik denk dat de sacramentaliteit in de gereformeerde traditie niet geheel afwezig is. De kerkdienst is méér dan een menselijk onderonsje. Maar de vraag is wel: hoe verstaan we de tegenwoordigheid van God? Het moge duidelijk zijn dat de Reformatoren iedere kerkelijke en ambtelijke manipulatie of vanzelfsprekendheid afwezen. God is niet aanwezig vanwege de ambtelijke wijding of vanwege de kerkelijke hiërarchie. Zijn genadige ontferming kun je niet vangen in een kerkelijke handeling als zodanig. Dat zou de souvereiniteit van God en de vrijheid van de Geest te zeer menselijk inkaderen. Maar het schiet ook niet door naar het andere uiterste, namelijk dat het alleen maar zou gaan om een tussenmenselijk gebeuren. Dan zouden we voorbijgaan aan de goddelijke werking in het heden.

Kenmerkend voor de gereformeerde traditie is juist dat we er mee rekenen dat de Here werkt op de wijze van de Heilige Geest. Maar zelfs dan liggen er nog allerlei misverstanden op de loer. U weet wellicht dat Calvijn spreekt over de Heilige Geest als de interne leermeester. Er gebeurt iets in de mens waardoor de mens leert verstaan, waardoor het gesprokene en gepreekte landt en niet vruchteloos blijft. Dat is de verlichting, de illuminatie. Dat is voluit een werk van God, maar dan wel in de mens en ook met gebruikmaking van de normale menselijke functies.

Maar hoe zouden we Gods tegenwoordigheid dan moeten verstaan? Laten we het avondmaal eens nader bekijken. In de klassieke vorm komt daar heel wat onderwijzing aan te pas, lees het formulier er maar op na. Er wordt omstandig uitgelegd hoe we Christus hebben te gedenken! Maar er is ook viering, de tafelgemeenschap. En er wordt gebeden en de uitdelingswoorden worden uitgesproken: “Het brood dat wij breken is de gemeenschap met het lichaam van Christus. Neemt, eet, gedenkt en gelooft, dat het lichaam van onze Here Jezus Christus gebroken is tot een volkomen verzoening van al onze zonden.” Er is dus ook sprake van een liturgische acte waarin iets plaatsvindt. En dat is zeker zo wanneer je die prachtige woorden uit het sursum corda bedenkt: “Opdat wij dan met het waarachtige hemelse brood Christus gespijzigd mogen worden, zo laat ons met onze harten niet aan het uiterlijke brood en de wijn blijven hangen, maar ze opwaarts in de hemel verheffen, waar Christus Jezus is… wij zullen zo waarachtig door de werking des Heiligen Geestes met zijn lichaam en bloed aan onze zielen gespijzigd en gelaafd worden…” Daar gaat het om een geestelijk-reëel gebeuren, zou ik willen zeggen. Dat wil zeggen: de rite krijgt geen magische kracht, want het is geestelijk in die zin dat het zich nooit kan voltrekken buiten het menselijke geloof om. Maar het is wel reëel; dat wil zeggen, in de gelovige deelname voltrekt de geestelijke spijziging zich wel. Het zou niet goed zijn om dat uit te hollen tot een loos ritueel. Voor de doop zou je een soortgelijk verhaal kunnen houden. En wat dacht u van het begin van de dienst: de schuldbelijdenis? Als de schuld beleden is, mogen we dan ook niet geloven dat ze vergeven is? We zingen een lied van verootmoediging of van lofzegging, en dat doet ook iets aan je. Daar gaat een werking vanuit waar je in mee genomen wordt. Ik wil maar zeggen dat naast de sterk onderwijzende tendens er net zo goed sprake is van een liturgische dimensie, van een sacramenteel gebeuren wat ik in het licht van de gereformeerde traditie graag pneumatologisch versta. Dat betekent concreet ook dat vorm en stijl er toe doen. Gereformeerde liturgie mag dan sober zijn, het is wel ten volle doordacht en uitgekiend. En dan mag de taal ook wel iets verhevens hebben. Het gaat om woorden en formules die de tijd verduren, die langer mee gaan dan één generatie. De liturgie mag ook wel iets van een geheimenis uitstralen, de Godsgemeenschap kun je niet in klip en klare omgangstaal formuleren: het is een tasten naar woorden, er is verbeelding voor nodig, er gaat een andere werkelijkheid open.

En de preek dan? Daar zou ik wel graag wat langer over spreken, maar dat kan nu niet. Hoe langer ik er mee bezig ben in mijn reflectie, des te complexer komt het mij voor. Niet alleen in die zin dat preken moeilijk is, maar ik bedoel meer het fenomeen preken als zodanig. Het is een menselijke toespraak, laten we dat voorop stellen. Maar er is wel eerst gebeden om de opening van het Woord en de verlichting met de Geest. Dat plaatst de preek in een bepaalde setting. Het is niet zomaar een verhandeling over een bijbeltekst of over een bepaald thema: het staat in het kader van de geloofsbeoefening. Een preek spreekt mensen existentieel aan, het is dus ook een uitermate riskant ondernemen, pastoraal gezien. Je graaft in het leven en in het innerlijk van mensen. En je wil er ook iets mee: een preek heeft ook een doel, een oogmerk. Een predikant heeft om zo te zeggen een verantwoordelijkheid naar de bijbeltekst, maar ook een verantwoordelijkheid naar de hoorder. Het gaat er om dat je de leefwereld van de hoorder kent en die hoorder ook respecteert. Dat laatste zegt bijvoorbeeld ook iets over de stijl: die kan niet bevoogdend zijn of autoritair.

Maar is er nog enig gezag in ons spreken? Wordt de geloofsgemeenschap tussen God en mens ook nog eens tot stand gebracht? Hier zou ik een soortgelijk verhaal kunnen houden als bij het avondmaal. In de prediking gebeurt iets, het is bediening der verzoening. De Reformatie had het volste vertrouwen dat de bediening van het Woord Gods zelf Woord Gods is. Niet dat je dat automatisch gelijk kunt schakelen. Het gaat om diezelfde geestelijke werking, maar van die werking mogen we wel uitgaan.

Leven in fragmenten

We ervaren ons bestaan vandaag aan de dag als gefragmenteerd. Het leven is niet langer een puzzel, maar losse puzzelstukjes die we niet tot één geheel gelegd krijgen. En wellicht hebben we ook geen behoefte om het tot één geheel te maken. leder mens moet opnieuw zijn of haar weg leren vinden. Leren door navolging is niet zo gangbaar meer. Vroeger keek je het vakmanschap af bij iemand anders, en zo leerde je al doende. En generaties lang was het bijna vanzelfsprekend dat je het beroep van je vader overnam: een boerenzoon werd boer, het kind van de dokter werd weer dokter, enzovoorts. Er waren natuurlijk wel uitzonderingen, maar er zat wel een geweldige continuïteit in het leven. Dat is tegenwoordig denk ik veel minder het geval. Op school volgen kinderen hun eigen leerroute. Je moet al vroeg kiezen welke richting je op wilt, en er is enorm veel keuze. Bovendien moet je al heel vroeg zelf op ontdekkingstocht. Het leren is als het ware je eigen speurtocht en leraren helpen daarbij. Je leert het niet van hen, maar zij helpen jou leren. Ik denk dat we daardoor het gevoel krijgen dat het leven bestaat uit kiezen en kunnen kiezen. Volgens de godsdienstsocioloog Peter Berger heeft de moderniteit wat de beleving van het bestaan betreft een geweldige sprong gemaakt van het noodlot naar de keuze. We hebben tegenwoordig enorm veel keuzevrijheid. Reeds op jonge leeftijd raken we er vertrouwd mee. Voeg daarbij nog het internet. Je hebt de toegang tot een enorm kennisbestand. Het is een kwestie van cicken en door-clicken. Maar daar zit ook iets heel toevalligs in: het is maar net bij welke site je terecht komt. Het gevolg is, denk ik, dat we van jongs af aan gewend raken aan een gefragmentariseerd bestaan. We hebben geen overzicht over het geheel meer, maar dat deert ons ook niet zo. Als we zelf maar een weg vinden om te gaan.

Stel dat het moderne levensgevoel inderdaad gestempeld wordt door noties als vrijheid, keuze en een leven in fragmenten. Hoe zou de kerkelijke geloofsgemeenschap daar mee om moeten gaan? Als het grotere geheel niet zo veel meer zegt, bijvoorbeeld de landelijke kerk (een typisch hervormde opmerking, bedenk ik!), of een synode, of de belijdenis, wat staat ons dan te doen? Er overheen walsen helpt niet en negeren evenmin. Je kunt wel kijken waar kansen liggen en waar verlies dreigt. Kansen liggen denk ik op het vlak van de levensechtheid. Je hoeft vandaag aan de dag niet aan te komen met grote verhalen, met wereldveranderende concepten, met utopieën van een nieuwe wereld. Maar wel: heeft het enige betekenis in het dagelijkse, persoonlijke leven? Kan ik nog enig houvast vinden in dit turbulente bestaan? Ook de moderne mens zit met vragen en zorgen. Want het leven is oh zo kwetsbaar! In zekere zin is de keuzewereld schijn. Alles ligt voor het oprapen, zo wordt gesuggereerd. Maar wel uitsluitend voor de happy few. Het is de cultuur van de mensen met een hogere opleiding. Maar wat gebeurt er als je niet zo veel te kiezen hebt? Door de schijn van de vrijheid, de zelfontplooiing, de oneindige keuze lopen heel veel mensen vast op de gebrokenheid van het leven. Velen kunnen daar maar moeilijk mee uit de voeten. Juist een nuchtere gereformeerde theologie heeft weet van die gebrokenheid. Het heil is altijd fragmentarisch. Het is geopenbaard in Christus en we zien er met verwachting naar uit. Maar we ondervinden het maar zeer ten dele. In dit leven is het steeds sterven en opstaan, strijd en aanvechting. Hoop koesteren te midden van het kwetsbare leven, dat is de kunst van het christelijke geloof.

In dit verband kom ik nog even terug op de catechetische dimensie van de gereformeerde traditie. Juist wanneer we leven in fragmenten, kan de geloofskennis, de gedachtenis, zo belangrijk zijn. Als de systemen wankelen, is het wel nodig om op de kruispunten van het leven niet te verdwalen. We hebben vandaag aan de dag wel oriëntatie nodig. En dat wil m.i. ook zeggen: basiskennis. Kernpunten uit de geloofstraditie. Ik denk dat het daar erg op aan zal komen in de nabije toekomst. Geen eindeloze uiteenzettingen over de gehele geloofsleer, maar korte, heldere en levensechte uiteenzettingen over kernen van het geloof. Aansluiten bij datgene wat toevallig aan de orde is, maar dan wel proberen dat uit te diepen. We moeten absoluut niet denken dat de moderne mens oppervlakkig is! En laten we ook niet denken dat we het in de kerk heel eenvoudig moeten houden. Dan wordt het simpel en te kinderachtig. Als het evangelie te veel zoete koek wordt, te simpel, te lief en te aardig (ook dat gevaar bedreigt de kerk), dan voelt iedereen ook wel aan dat het niet meer slaat op het ruige leven, en dan is het ook niet interessant meer. Mensen willen ook uitgedaagd en bekritiseerd worden.

De mens serieus genomen

Wat het moderne levensgevoel betreft wil ik nog een punt naar voren brengen. Hier en daar heb ik al aangegeven dat het menselijk subject vandaag aan de dag een centrale rol speelt in ons levensgevoel. Nu wil ik dat even leggen naast één van de kernpunten van de Reformatie: de rechtvaardiging van de goddeloze. Dat woord goddeloze, kunnen we dat nog meemaken? Veronderstelt dat niet een uitermate negatieve visie op de mens, zelfs een soort wegcijfering van het menselijk subject? Het is denk ik inderdaad zo dat zonde en schuldbesef in het algemeen weinig herkenning oproepen. We leven in een cultuur waarin we er aan gewend zijn de werkelijkheid naar onze eigen hand te zetten. Vooral in ethisch opzicht bepaalt de mens de normen en dan ben je er niet van gediend dat je onder de norm gesteld wordt. In de rechtvaardiging is het uiteindelijk God die ons oordeelt. Met name het forensische karakter ervan beklemtoont dat ons de gerechtigheid toegerekend wordt. Dat wil zeggen: alhoewel je zondaar bent, word je toch aangezien in Jezus Christus. Maar in eerste instantie gaat dat wel buiten jou om. Je ontvangt het, het is genade en ontferming, zelf sta je met lege handen. En dat gaat ondertussen gepaard met schuldbesef en verootmoediging.

Inderdaad kom je in de gereformeerde geloofspraktijk wel eens benaderingen tegen waarbij je het gevoel krijgt: hier wordt de mens werkelijk onnodig gekleineerd. En dat staat haaks op het levensgevoel van de Romantiek en de Verlichting, waar de mens zich ten volle mag ontwikkelen en zichzelf mag zijn. Maar laten we hier de boel niet onnodig op de spits drijven. De rechtvaardiging van de goddeloze heeft een kritische kant: uit onszelf komen we niet tot de ware liefde en de ware gerechtigheid. Dat komt van Godswege, door Jezus Christus. Maar ondertussen betekent Gods genade dus wel dat de mens gered wordt. De schepping wordt gered en niet vernietigd. Ook in onze bewoordingen luistert het dus heel nauw. De rechtvaardiging van de goddeloze is een boodschap van redding en vernieuwing. De zonde wordt opgeruimd en de mens wordt gered.

Er zit ook nog een andere kant aan. De rechtvaardiging van de goddeloze plaatst de mens op een nieuwe manier weer in het centrum. Het is zeg maar de “link” tussen de openbaring van God in Jezus Christus en mijn persoonlijke existentie. De Here heeft zich ten volle geopenbaard in Jezus Christus, op Golgotha is de verzoening tot stand gebracht. Maar het wonderlijke is dat die unieke daad Gods niet opgesloten blijft in de historie. Het gaat de wereld door en nestelt zich zelfs in ons bestaan. Door de Heilige Geest vindt er een vereniging plaats tussen Jezus Christus en de zondaar. Christus maakt woning in ons en de Geest bindt de strijd aan met ons oude “ik”. Wat zegt dat alles over de mens? Zou dat betekenen dat wij als mens er niet meer toe doen? Wanneer de Here zijn grote daden laat uitlopen op de redding en de vernieuwing van de mens, wordt de mens dan juist niet uiterst serieus genomen? In ons “ik” of “zelf”, of hoe we het ook willen noemen, wil de Here het beeld Gods herstellen. Hij wil het “zelf” bevrijden en vrij maken voor de gemeenschap met Hem. Hoe zou de heilige God gemeenschap kunnen hebben met het menselijke subject dat verstrikt blijft in de zonde? Met andere woorden, de gereformeerde theologie heeft geen pessimistische mensleer, en, zou ik zeggen, ook geen statische of tragische mensleer. De rechtvaardiging van de goddeloze impliceert juist dat er sprake is van verandering en vernieuwing. Zeker, dan moet de moderne mens ook het één en ander loslaten. Bijvoorbeeld de illusie dat je volstrekt autonoom en vrij bent. Maar een mens komt in volstrekte onafhankelijkheid en eenzaamheid ook nooit tot leven. Voor het leven en voor de liefde ben je afhankelijk. Het krijgt gestalte door de gemeenschap met Jezus Christus.

Ik had ook nog in willen gaan op de verdeeldheid in de kerken en het kerkelijke gesprek. Daar kom ik nu niet meer aan toe. Misschien straks na de pauze in de bespreking. Als ik in één korte zin moet zeggen waar het me vanmorgen over ging, dan is dat deze: geloofsbeoefening in gereformeerd perspectief heeft toekomst, ook in de 21e eeuw.

Prof. dr. F.G. Immink is als (Nederlands Hervormd) kerkelijk hoogleraar verbonden aan de Rijksuniversiteit te Utrecht.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.