+ Meer informatie

EEN DUIZENDJARIG RIJK?

8 minuten leestijd

De gedachte aan een duizendjarig rijk kom ik regelmatig tegen. Wanneer ik mensen spreek over hun toekomstverwachting ten aanzien van Israël, wordt het idee vaak genoemd, dat er een tijd van volkomen vrede zal aanbreken, waarin God zijn beloften voor Israël zal waarmaken. De woorden ‘alzo zal gans Israël behouden worden’ uit Romeinen 11:26 worden dan gecombineerd met de tekst uit Openbaring 20:2, waar staat dat de duivel voor duizend jaar gebonden zal worden. De conclusie is dan dat er een periode van duizend jaar zal zijn, waarin dat behoud van Israël door God bewerkt zal worden, nadat er eerst een periode van strijd rondom Israël geweest is.

In dit artikel wil ik nauwkeurig lezen wat er in Openbaring 20 staat, de enige plaats in de Bijbel waar over zo’n periode van duizend jaar gesproken wordt. Geeft dat hoofdstuk inderdaad aanleiding tot zo’n stellige verwachting van een duizendjarig rijk?

CONTEXT

Het is goed om het visioen van Openbaring 20:1-10 eerst in zijn context te lezen. Het is het middelste van drie visioenen die handelen over Gods oordeel. In Openbaring 19: 11-21 (m.n. in vers 17-21) gaat het over het laatste oordeel over het beest en de valse profeet. In het boek Openbaring zijn dat beest (de macht van verdrukking) en de valse profeet (de macht van verleiding) instrumenten van de duivel. Nadat deze instrumenten tenietgedaan zijn, gaat het in Openbaring 20:1-10 om het laatste oordeel over de satan zelf. En in vers 11-15 worden alle mensen persoonlijk geoordeeld. Elk van deze visioenen biedt de troost, dat het onrecht en de aanstichter van dat onrecht het laatste woord niet zullen hebben, maar door God definitief geoordeeld zullen worden.

Uit de structuur van het boek Openbaring blijkt dat dit niet gelezen dient te worden als een chronologisch verslag. Vaker wordt er al midden in Openbaring een doorblik gegeven op het einde, terwijl daarna vanuit een ander perspectief weer een nieuwe doorlichting van heel de geschiedenis volgt, (zie bijvoorbeeld na de hoofdstukken 7 en 11). Zo berichten de drie visioenen over het oordeel in Openbaring 19 en 20 grotendeels dezelfde zaken, maar wel met telkens nieuwe perspectieven. Wanneer deze drie gedeelten als achtereenvolgende fases gezien zouden worden, is bijvoorbeeld niet te begrijpen, hoe in 20:7-10 over Volkeren’ gesproken kan worden die zich verzamelen tot de oorlog tegen de heiligen, terwijl in het hoofdstuk ervoor gezegd was dat allen die het beest en de valse profeet aanbaden al gedood waren (Opb. 19: 21). Het gaat in elk van deze drie visioenen over hetzelfde oordeel en over dezelfde oorlog, die aan dat oordeel voorafgaat. Die oorlog wordt dan ook steevast aangeduid als de oorlog (Opb. 19:19, 20:8, vgl. 16:14). Dat betekent, dat de periode van duizend jaar uit Openbaring 20:1-10 betrekking heeft op de tijd vóór die strijd. Het loslaten van de duivel heeft in vers 3 immers plaats nadat de duizend jaren voleindigd waren. Aan het begin van hoofdstuk 20 wordt dus eenzelfde sprong terug in de tijd gemaakt als na die eerdere ‘doorkijkjes’ op het einde die in dit Bijbelboek gegeven zijn. Nadat de blik op de grote toekomst gericht is, volgt er aan het begin van Openbaring 20 een nieuwe doorlichting van heel de wereldgeschiedenis.

VERS 1-3: SATAN GEBONDEN

In vers 1-3 staat dat een engel de satan bindt. Over de afgrond waarin de draak wordt opgesloten was al eerder gesproken. Toen bleek al dat de boze nog wel een zekere macht heeft op aarde, maar dat hij in feite is opgesloten in ‘de afgrond’ (Opb. 9:1,11, 11:7, 17:8) en dus in zijn macht beperkt is door God. Het is een doorgaande lijn in heel het Openbaring, en ook wel in het geheel van het NT, dat door en met de komst van Christus de duivel definitief in zijn macht is beperkt. Hij ligt aan de ketting. Aan het kruis zijn al de machten openlijk ten toon gesteld en is over hen gezegevierd (Kol. 2:15, vgl. Opb. 12:7-9). Maar dat wil niet zeggen dat de boze ongevaarlijk is (vgl. Opb. 12:12,15). Kom niet te dicht bij het ondier aan de ketting! Met name in de verkondiging van het evangelie in de wereld wordt de overwinningsmacht van Christus zichtbaar. Christus belooft in het visioen van Openbaring 20:1-3 dat ondanks al zijn ‘stuiptrekkingen’ de boze zó gebonden is, dat hij de gang van het evangelie en de uitbreiding van de kerk niet kan verhinderen.

VERS 4-6: DE OVERWINNING IN DE HEMEL AL BELEEFD

De blik gaat in Openbaring 20:4 naar boven. In de hemel wordt de overwinning op de satan al beleefd door de zielen van hen die de marteldood zijn gestorven en door allen, die het beest niet zijn gevolgd. Het gaat hier om ‘zielen’, de lichamelijke opstanding heeft nog niet plaatsgevonden. Dit is nog niet het definitieve ‘heersen als koningen tot in alle eeuwigheden’ van Opb. 22:5. Zij zijn overgegaan in een nieuwe bestaanswijze: zij delen in de eerste, d.w.z. een voorlopige vorm van de opstanding. Zij kennen geen zonde meer, ze zijn verbonden met Christus in de hemel, maar zijn nog niet lichamelijk opgestaan. Dat komt pas op het moment van de wederkomst. Dan zullen ook de overige doden opstaan om geoordeeld te worden. De ongelovigen worden in de tussentijd niet weer levend. Hun zielen blijven bewaard tot aan de dag van de wederkomst (vs. 5).

VERS 7-10 : SATAN BESTRAFT

Net als in Openbaring 16:14 en 19:19 wordt beschreven hoe de antigoddelijke machten gemobiliseerd worden voor de grote dag van de komst van Christus. Het is een laatste opstand, opdat als het oordeel geveld zal worden, volkomen helder is, dat dit oordeel gaat over hen die willens en wetens in opstand zijn gekomen tegen God en tegen zijn kerk.

Hier blijkt (opnieuw) dat achter het verzet van de verleidende profeet en het verdrukkende beest de satan zelf zat. Wat afzonderlijk getekend was in het voorafgaande gedeelte, namelijk de ondergang van het beest en zijn profeet, valt in wezen samen met de ondergang van de boze zoals die hier beschreven wordt. Het gaat, zo blijkt inderdaad, om dezelfde oorlog. Tot die oorlog worden al de volkeren aan de vier hoeken der aarde, d.w.z. vanaf iedere plek op de wereld verzameld, om zich op te stellen tegen de legerplaats der heiligen en de geliefde stad. Gods kinderen zullen niet verleid kunnen worden, maar de boze probeert wel in een laatste poging heel Gods volk te vernietigen. Zonder op de namen van Gog en Magog uitvoerig in te gaan, is wat dit beeld uitdrukt duidelijk: God geeft een plotselinge overwinning, doordat er vuur uit de hemel neerdaalt. God zelf grijpt in op een totaal onverwacht moment. Zoals een bliksem flitst, zo onverwacht zal de komst van de Koning der koningen zijn en al de tegenstand te niet doen (vgl. Luc. 17:24, 2 Thess. 2:9). Dan wordt ook de duivel zelf geworpen in de poel van pijniging, waarvan al sprake was bij de bestraffing van het beest en zijn profeet (Opb. 19:20). Ook de duivel is een schepsel, dat wordt onderworpen aan het verschrikkelijke eindoordeel van God, die het eerste en het laatste woord heeft!

TROOST EN APPEL

Ik zie vanuit deze uitleg dus geen reden om te denken aan een periode van duizend jaar die nog komen moet. Integendeel, het getal duizend ziet op de volheid van de tijd waarin wij leven tussen Jezus’ hemelvaart en zijn wederkomst. Het kan ons troosten om te weten dat de boze in zijn macht beperkt is, en dat de satan zeker overwonnen zal worden. Vanuit dat perspectief geeft Johannes een doorblik in de geschiedenis.

Dat biedt een bemoediging, maar vormt ook een appel. Ten eerste om te beseffen dat God toewerkt naar zijn toekomst. Ten tweede om geen voet te geven aan de boze. Hij is gebonden en weet dat zijn einde nadert, maar probeert nog mensen mee te sleuren in zijn val. En ten derde trek ik ook een conclusie voor de verhouding met Israël. Als alle verwachting van Gods werk voor Israël alleen maar op de toekomst betrokken zou zijn, zou de klem van het appel dat Paulus juist in Romeinen 11 doet helemaal verdwijnen. De apostel zoekt er naar hoe hij door zijn werk onder de heidenen Israël tot heilige jaloersheid kan wekken. Dat is niet iets voor een periode die nog komen gaat, maar ook voor vandaag. De verbondenheid met Israël legt vandaag een appel bij de kerk om zo met God te leven, dat Israël er jaloers op kan worden.

Helaas heeft de kerk die oproep vaak niet verstaan, soms zelfs vanuit de gedachte dat deze woorden eigenlijk alleen maar voor de toekomst bedoeld zouden zijn. Dan maakt de gedachte aan een duizendjarig rijk eerder passief dan dat er een appel van uitgaat. Voor mij maakt het spreken van de Schrift over de periode van duizend jaar niet passief, maar brengt het tot de juiste betrokkenheid op Israël vandaag: met het zekere perspectief, dat de toekomst uiteindelijk vastligt in Gods hand.

Literatuur

J. de Vuyst, De Openbaring van Johannes, Kampen 1987

M.C. Mulder, Het Lam regeert. Bijbelstudies over Openbaring 4-22, Zoetermeer 2000

A. Romkes, Openbaring. Uitzicht op het Rijk van God, Zoetermeer 2010

Dr. M.C. Mulder doceert vanaf 1993 judaica en kerk en Israël aan de TUA. Vanaf 2006 is hij als missionair consulent verbonden aan het Dienstenbureau te Veenendaal en tevens als directeur aan het Centrum voor Israëlstudies te Ede.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.