+ Meer informatie

Tempelverval en vreze Gods in de jeugd

10 minuten leestijd

Samenvatting van de rede, uitgesproken door Ds. H. C. van der Ent, op de ontmoetingsdag te Dordrecht

Als in de titel van het onderwerp het woord „tempel” gebruikt wordt, dan heeft dit betrekking op alles wat met God en Zijn dienst te maken heeft, in welke zin onder ons ook het woord „kerk” nog gangbaar is.

Als vrienden van Bewaar het Pand, willen we onze stof putten uit het Pand dat we zuiver en onvervalst dienen te be waren. En dat is het woord van God.

Gelezen werd 1 Sam. 2 : 12-26.

Het gelezen schriftgedeelte verhaalt van een donkere tijd. De oude hogepriester Eh was een slappe figuur. Zijn zonen waren kinderen belials „nietsnutten”. Zij kenden de Heere niet.

Niet dat zij nooit van de Heere hadden gehoord. Want ze waren godsdienstig opgevoed en ook opgeleid om het priesterambt te bekleden, maar het waren „natuurlijke” mensen gebleven: onwedergeboren.

Van de bediening van het ambt der verzoening verstonden zij nicts. Want zij kenden God niet als heilig en rechtvaardig. Ook niet als barmhartig en zeer genadig en groot van goedertierenheid, terwille van de offers die dagelijks gebracht werden.

Gevolg was, dat zij eigenlijk spotten met God en Zijn gebod. Want van de offers namen zij het bes’te, om daarmede hun vlees te dienen. Als het niet gegeven werd, dan werd het met geweld genomen. Zij traden op als rechthebbende schepselen, en gaven daarmede blijk nog nooit geleerd te hebben, dat zij alle rechten hadden verloren. Dat zij alleen maar zalig zouden kunnen worden, uit genade — door recht — terwille van het offer, dat eens volkomen gebracht zou worden door de Heere Jezus Christus. Die met ene offerande een volkomen genoegdoening heeft teweeggebracht. Terwijl zij tegenover de genade vijandig gezind stonden, waren zij de zonden zeer gezind. Want zij sliepen bij de vrouwen die bij hopen samenkwamen aan de deur van de tent der samenkomst. Tot ergernis van degenen die het zien moesten.

Zo waren deze voor-gangers zeer slechte voorbeelden voor het volk.

In deze tijd van tempelverval, dat is verval van de dienst van God, werd Samuel geboren.

Wij leven ook in zulk een tijd. De oude Eli heeft nog een grote familie: Slappe figuren, die niet meer kunnen en durven op te treden. Het oordeel is: De mensen zijn anders, denken anders, praten anders, doen anders en daar moet je je wat bij aan passen. We leven nu eenmaal in 1971. Alles verandert. Maar dat God niet verandert, daar wordt weinig of geen rekening mee gehouden. Je moet met de tijd mee, zo praat de oude Eli, anno 1971. Allerlei vernieuwingen worden ingevoerd, wat geen verbeteringen zijn. Zij zijn wel oorzaak van steeds grotere verwijderingen. De noodzakelijkheid van de vemieuwing des harten daarentegen, is een steeds minder gangbare zaak.

Het woord „vrijheid” is zeer in trek, met als gevolg „losbandigheid”. Als we het zo zeggen, dan hebben we heus niet een bepaalde kerk op het oog. Want deze dingen zijn op het gehele brede kerkelijke terrein te konstateren. Ondanks de roep om eenheid is de verwarring nog nooit zo groot geweest als nu. De kloof tussen kerken en kerken en tussen jong en oud wordt steeds breder en dieper.

Eli heeft vandaag ook nog vele zonen, die het ambt der verzoening bedienen. Doch zij zijn van alle ware Godskennis ontbloot. Van Zijn heiligheid hebben zij geen begrip. Van Zijn rechtvaardigheid geen geestelijk verstand. Recht en genade verkondigen zij niet. En genade door recht verstaan zij niet. Dat dit alleen gegeven kan worden terwille van het „offer” begrijpen zij niet, ook al preken zij over de Heere Jezus Christus.

Daarom is er geen nauw leven, maar wel een leven naar het vlees. Christus is immers voor de men-sen gestorven, nu dan behoeven wij ons toch niet meer druk te maken? Het zich oefenen in Godzaligheid is daardoor een uit-de-tijdse-zaak.

Men spot met God en Zijn woord. Kun je het Woord van God nog wel serieus nemen? Het is in strijd met de „wetenschap” enz. Dat dit alles een stempel zet op de dienst van God, is duidelijk. De preken worden korter, de inhoud dunner, de kerken leger. We leven, zegt men, in een gejaagde tijd. En zo jaagt men naar de eeuwigheid. Onbekommerd!

Men heeft al herhaalde malen kunnen lezen, dat de preken het eigenlijk niet meer doen. Het moet anders. Met de film, toneel en de poppenkast, spreekt het meer toe.

Daar lenen zich bizonder voor de geschiedenis van Jozef en de vrouw van Potifar, e.d.

Zo gaat het op scholen, in de katechisatielokalen en kerken. Het dringt overal door.

Op deze wijze worden jong en oud door de moderne zonen van Eli, in naam van alle vrij-heden op het spoor der vrij-zinnigheid gerangeerd. Voorwaar, we leven in dagen van diep verval.

In deze tijd nu worden onze kinderen geboren en groeien zij op. Doch hoe?

Mocht Samuel ons tot een voorbeeld wezen. Hij is van de Heere gebeden. Dat is volgens hedendaagse opvattingen niet meer nodig. Maar het is bijbels. Leven wij ook ten deze nog bijbels?

Deze van God-gebeden-zoon kreeg ook een Godvrezende opvoeding. Dit was de Heere waard. Hij werd opgevoed om te staan in de dienst des Heeren.

Hoe voeden wij onze kinderen op? Geven wij ze het met de paplepel in? Daarmede is natuurlijk niet gezegd, dat wij onze kinderen bekeren kunnen, maar wel wat onze dure roeping is.

Hanna heeft de Heere ook beloften gedaan 1 Sam. 1 : 11, en zocht ze na te komen. Doen wij dat ook? We hebben de Heere ook beloften gedaan. Komen we ze ook na? De Heere wil er Zijn zegen aan verbinden.

Toen Samuel 6 a 7 jaar oud was heeft ze hem naar Eli gebracht. „En Samuel was de Heere zeer dienende voor het aangezicht van Eli”. 1 S. 2 : 13. Hij verrichtte bij de tabemakel kleine werkzaamheden en vroeg „heilbegerig” naar de betekenis der dingen. Hij had al jong „lust om de Heere te vrezen”.

Kinderen, hebben jullie dat ook? Hoor je graag Gods woord? Lees je graag in de bijbel? Werk je graag voor de Heere? Ga je graag naar Gods kinderen? Zit je graag in de kerk?

Ouders, als jc deze dingen bij je kinderen bemerkt, vertrapt het dan niet, opdat je niet een van deze kleinen ergert. Want dan ware het je nutter dat een molensteen om je hals gedaan word en je in de diepten der zee werd geworpen.

Met hot opgroeien van Samuel werd ook de verzoeking groter. Samuel zag het schranzen van die zonen van Eli. Misschien hebben ze Samuel er ook wel op uit willen sturen, om het beste voor hen te halen, met de belofte dat er voor hem dan ook wel wat bij zou zijn. En welke jongen van die leeftijd is er dan niet te vangen?

„Doch Samuel diende voor het aangezicht des Heeren, zijnde een jongeling, omgord met een linnen lijfrok”. Hij onttrok zich aan de verleiding van zijn geestelijke leidslieden om zich door des Heeren woord en Geest te laten leiden.

Ik denk aan onze knapen. Een gevaarlijke leeftijd voor de jongens, als de wereld voor hen open gaat, met al zijn begeerlijkheden. Het valt dan voor een jongen en een meisje echt niet mee, om het hart niet te laten begeren, wat het oog bekoort.

Alleen als je met Samuel voor het aangezicht des Heeren leven mag en Hem dienen, naar de eis van Zijn woord, kun je voor deze strikken worden bewaard. Haat en vliedt de zonden om in een nieuw Godzalig leven te wandelen. Dit zijn geen vruchten, die groeien op de akker van een natuurlijk mens, doch het zijn de vruchten van het tere nieuwe leven, zoals we dat bij Samuel mochten zien.

En daar hier ook ouders zitten, tot u het volgende: Hanna bracht elk jaar Samuel een nieuwe rok. Die was doorweven met haar gebeden. Zij kende de verleiding waaraan hij bloot stand. Zorgen wij ook zo voor onze kinderen, opdat ze ook met hun kleding de Heere kunnen dienen? Begeleidt ge met uw gebeden uw kinderen door dit zo „gevaarlijke” leven.

Ouders, laat uw verwachting voor uw kinderen van de Heere zijn. Kinderen, als ge biddende ouders hebt, dankt er dan de Heere voor. Want het is een groot geschenk.

Samuel werd nog groter. Hij begon een man te worden. Het sexuele leven kwam bij hem tot ontwaking. De Satan legt ook dan weer voor de voeten van de jeugdige Samuel de nodige valstrikken. Denk aan die vrouwen, waar de zonen van Eli bij sliepen. Welk een zuigkxacht ging hiervan uit op de jeugdige Samuel, die een jongen was van gelijke beweging gelijk alle andere jongens van nature.

Doch ook voor deze strikken mocht hij bewaard blijven. „Want de jongeling Samuel nam toe en werd groot en aangenaam, beide bij God en de mensen”.

Samuel werd groot, niet bij de wereld, niet bij de zonde, niet bij de wellust, maar bij God. Daar zocht hij zijn kracht tegen alle verleiding. Zijn levensgeheim was de vreze des Heeren. Zo ging er van zijn leven iets uit. Hij werd ook groot bij de mensen. Hij vertoonde daarin het beeld van .Hem, die hij met Abraham begeerd heeft van verre te zien, dat is Jezus Christus van Wie in Luc. 2 : 52 hetzelfde bes.chreven staat.

Samuel bewaarde het Pand hem toebetrouwd, en hij werd door de Heere bewaard, om straks te worden ingezameld, verlost uit deze wereld, in het huis des Vaders alwaar vele woningen zijn.

Hoe is het nu met ons? Onze jonge mensen met name leven in een wereld waarin de verleiding op sexueel gebied ontzaggelijk groot is. Het „heilige wordt voor de honden op straat geworpen”. De jeugd wordt „groot” bij „bloot” via krant, weekblad, T.V. en verkiezingsaffiche’s. Velen gaan lichamelijk en geestelijk ten verderve, om verder van het drug’sgebruik maar niet te spreken.

En waarmede zal nu de jongeling zijn pad zuiver houden in deze korrupte wereld? Alleen als hij het houdt naar Uw woord.

Jonge mensen, wordt niet groot bij de zonde, die als een vloedgolf door het leven spoelt. Maar laat in uw harten leven, wat van Samuel staat geschreven, n.l. dat hij groot werd bij de Heere. Zoekt de gemeenschap met de Heere. Zoekt kracht bij de Heere in de strijd tegen de verleiding, de zonde, de wereld, je eigen bestaan. Het is alleen bij Hem te verkrijgen.

En wie het bij de Heere zoekt, die zal met Jozef kunnen zeggen, die ook jong de Heere heeft mogen vrezen: Zou ik zo’n groot kwaad doen en zondigen tegen God.

Vrees de zonden als de pest, ja als de dood. En als de dood dan komt, en de vreze des Heeren heeft je leven gesierd, dan behoef je de dood niet te vrezen.

Bewaar het Pand je toebetrouwd. Zoek te leven bij en naar het zuivere woord van God. Dat kan je alleen wijs maken tot zaligheid. Daarin is alleen de weg te vinden, die ten leven leidt.

Wie het Pand bewaren mag, dat is: wie naar de leer, die naar de Godzaligheid is, leven mag, die wordt ook door de Heere bewaard, in de dag der verzoeking. Die wordt bewaard tot het eeuwige leven.

God geve in deze dagen van diep verval, ons maar veel Samuels.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.