+ Meer informatie

De Pelgrimsreis is voor Oud en Jong

8 minuten leestijd

43.

Nu werd aan de Pelgrim een hand toegereikt met enige bladeren van de boom des levens. Met vreugde nam hij ze aan, want hij kende de waarde er van en legde ze op de wonden, die hij in de strijd had ontvangen, zodat zij onmiddellijk genazen.

De boom der kennis des goeds en des kwaads had in vrucht en blad een verdervende kracht, maar de boom des levens heeft in vrucht en blad een levengevende kracht. Het zijn bladeren, die uitkomst geven tegen de dood. Daarna zette de dappere strijder zich neer om brood te eten en te drinken uit de fles, die hem was meegegeven. Daarin werd Gods zorgende liefde voor hem gesmaakt.

Aldus verkwikt en versterkt begaf hij zich weer op weg, doch met uitgetrokken zwaard, „want”, zei hij „,misschien is er nog een vijand in de nabijheid”.

Juist, laat ons rekening houden met de vijand, want hij loert op ons. Op aarde is de kerk des Heeren altijd een strijdende kerk. Maar het viel mee, hij ontmoette in deze vallei niemand meer die tot de bende van Apollyon behoorde. Daar Apollyon verslag had uit te brengen van de strijd die hij met de Pelgrim gestreden had, moest hij aan het hof van de vorst der duisternis zijn grote nederlaag bekennen. Daarom bedacht de helse raad weermiddelen en wegen de Pelgrim van een andere kant en op een geheel andere wijze aan te vallen. Aan het eind van deze vallei was een andere, genaamd: Het dal der schaduwen des doods. En de Pelgrim moest deze vallei doortrekken, want de weg naar de hemelstad liep daar midden door. Door de schrikaanjagende klank van de naam: het dal der schaduwen des doods, werd het elke reiziger betuigd, dat deze vallei zeer eenzaam en somber is. De profeet Jeremia beschrijft haar aldus: een woestijn, een land van wildernissen en kuilen, een land van dorheid en schaduw des doods; een land, waar niemand (dan een pelgrim) doorgaat en waar geen mens woont.

Maar langs de weg van vele verschrikkingen bracht de Heere Zijn volk in een vruchtbaar land, om de vrucht van hetzelve en het goede er van te eten. En dat wijst op de weg naar het hemels Kanaan.

Bij het gaan door de vallei van de schaduw des doods mag ons oog, in afhankelijkheid van de dierbare werkingen van de Heilige Geest, wel met ernst gevestigd zijn op het doel van de reis, het ingaan in de hemelstad, waar strijd noch schaduw des doods zal gevonden worden. En de Heere Zelf heeft deze weg gebouwd door de dood te overwinnen, zodat het voor ons niet meer is dan de schaduw des doods, een duisternis waarin de Heere u het licht zal doen opgaan.

Maar desniettemin geraakte de Pelgrim bij het gaan door het dal van de schaduw des doods in nog groter moeilijkheid dan in zijn strijd met Apollyon, zoals men verder zien zal. Ik zag dan in mijn droom, dat de Pelgrim nauwelijks was aangekomen aan de uiterste grenzen van de vallei der schaduw des doods, toen hem twee mannen ontmoetten, die behoorden tot het geslacht van hen, die kwade tijding brachten van een goed land, en zich haastten om weer te keren.

Op de vraag: „Waar gaat gij heen? „riepen zij” Terug! terug! En als uw leven u lief is, raden wij u aan hetzelfde te doen”.

„Waarom? Wat is er te doen?” vraagt onze Pelgrim belangstellend, want het betreft zijn gang door het dal. En niemand kan er meer van weten dan zij die vanuit het dal met doodsangsten op hem afkomen.

„Wat er te doen is?” riepen zij uit. Wij gingen dezelfde weg uit, die gij gaat, zover als wij durfden, maar wij hadden er bijna het leven bij ingeschoten. Waren wij maar een eind verder gegaan, dan zouden wij hier niet zijn geweest om u te waarschuwen”.

Ach, wat een rumoer. Wie hier niet rustig blijft in zijn denken zou er voor op de vlucht slaan. Maar gelukkig de Pelgrim vraagt:

„Wat hebt gij eigenlijk gezien?”

„Wat wij gezien hebben? Wel, de vallei zelf, die zo donker is als de nacht. En in die duisternis zagen wij vurige draken en helse monsters. Wij hoorden een oorverdovend gehuil en geschreeuw, als van een volk, dat in onbeschrijfelijke ellende verkeert, en gebonden zit in droefheid en ijzeren banden, terwijl over de vallei dikke wolken hangen vol verderf, en ook de dood zijn vlerken daarover uitspreidt. Het is in ieder opzicht vreselijk, omdat het zonder ordening is”.

Het hart van deze mannen is achterwaarts gekeerd, hun gangen zijn geweken van het pad des Heeren, zegt de wenende Jeremia. En daarom zal de Heere Zijn hand tegen hen uitstrekken.

Voor de verschrikkingen van de hel zijn deze mannen op de vlucht geslagen. Doordat zij het leven des geloofs misten, ontbrak de kracht om tegenover de schaduw des doods staande te blijven. Zij hebben er niet aan gedacht en veel minder op gerekend, één plant met Christus te moeten worden in Zijn vernedering om door Zijn kracht te volharden.

De weg van de lijdende Borg liep door de diepte van hel, dood en graf. En door één plant met Hem te worden in de vernedering, komen wij als vanzelf in aanraking met de schaduwen van de dood en de verschrikkingen van de hel. Dat is echt niet bijkomstig, doch onvermijdelijk en voor ons innerlijk leven profijtelijk. En zo verstond de Pelgrim het. Met de innerlijke standvastigheid van het geloof zegt hij dan ook: „Maar uit alles wat gij daar zegt, kan ik slechts besluiten, dat dit de weg is, die mij leiden moet naar het oord, dat ik wens te bereiken”.

Van het leven uit Christus en het drukken van Zijn voetstappen hadden deze wegvluchtende mannen niet de minste kennis. Ze zijn er dan ook niet op ingegaan, ze hadden er niet de minste belangstelling voor. Zo scheidden zij en de Pelgrim zette zijn tocht voort, maar met uitgetrokken zwaard in de hand, voor ’t geval dat een vijand hem mocht overrompelen. Nu zag ik in mijn droom, dat zich rechts van de vallei een zeer diepe gracht uitstrekte, een gracht, waarin sinds eeuwen de blinde de blinde geleid heeft, zodat zij er beiden jammerlijk in zijn omgekomen. En aan de linkerkant was ’een zeer gevaarlijk moeras, zo diep, dat zelfs de goede, die er in valt, geen grond voor zijn voeten vindt, waarop hij kan staan. In die poel viel eens koning David, en zonder twijfel zou hij in de modder gestikt zijn, had niet Hij, Die machtig is, hem er uitgeholpen. Tot op de dag van heden heeft het plaats dat de blinde de blinde leidt en dan zijn het twee blinden zonder de Overste Leidsman en Voleinder des geloofs. Maar zo was het met David niet. Hij was niet door een blind zelfvertrouwen in het moeras gekomen van grondeloze modder waar men niet kan staan. Maar uit kracht van zijn ijver voor de naam en zaak des Heeren. Door alles heen en tegen alles in wat van de mens is, wees hij het volk met woord en daad op de enige en algenoegzame offerande van Jezus Christus. En daarmee kwam hij velen te veroordelen in hun vleselijk vertrouwen op wat uitwendige godsdienst. Daarom werd hij in de modder gesteld van haat en smaad. Wat hij niet geroofd had werd van hem geëist. U kunt er zeker van zijn, dat zijn vijanden zich over hem in deze modderpoel vrolijk gemaakt hebben. Niemand stak zijn reddende hand naar hem uit. Hij is voor zijn broederen een vreemde geworden en een onbekende voor de kinderen van zijn moeder. En toch is hij niet omgekomen in deze modderpoel. Het was in zijn hart een worstelen met de Heere, een vertrouwen op Zijn ontfermende liefde. Vanuit deze modderpoel heeft de Heere hem gesteld in een hoog vertrek. En in het venster van dat vertrek horen wij hem zingen: „Ik zal Gods naam prijzen met gezang en Hem met dankzegging groot maken. En het zal de Heere aangenamer zijn dan een os, of een gehoornde var, die de klauwen verdeelt”.

Het vertrouwen op de enige en algenoegzame offerande van Christus is iets anders dan het steunen op onze offerande waarin Gods vergevende liefde nooit gesmaakt kan worden. Laat ons dan tocht niet blijven staan in de vorm van de godsdienst, de uitwendige onderhouding van Zijn inzettingen. Het gaat om het ontmoeten en omhelzen van Christus in Zijn offerande. En daarmee alleen kunnen wij bestaan in het gericht om Gods vriendelijk aangezicht te aanschouwen. Wat is het heerlijk vanuit een bodemloze modderpoel gesteld te worden in een hoog vertrek en dan buiten het bereik van al zijn vijanden.„De naam des Heeren is een sterke toren; de rechtvaardige zal daar heen lopen en in een hoog vertrek gesteld worden”.

Maar David kon toch niet lopen in die modderpoel! Niet lopen? Dan juist lopen zij op zijn hardst. Het vluchten op de weg des geloofs naar de troon van Gods genade, kan Gode zij dank door een modderpoel niet verhinderd worden. Door de diepste diepte der vernedering heen heeft Christus die weg gebaand. En Hij leidt de bedroefden langs die weg tot de Vader.

Rechts verdrinken de blinden, die dachten gesteld te worden aan Gods rechterhand. En links worstelen de verstotenen, die naar het oordeel van hun tegenstanders geen uithelper hebben. Maar de Heere stelt hen vanuit hun smart in een hoog vertrek. Ps. 69.

A.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.