+ Meer informatie

„De Grieken een dwaasheid"

5 minuten leestijd

(2.)

HET WOORD IS AAN een van onze jonge vrienden met zijn inleiding gehouden op de vergadering van de ring Gouda van jongelingsverenigingen der Ger. Gem. op 12 dec. 1958.

Op de markt ontmoet Paulus de Griekse intellectuelen. Zij lachen om zijn boodschap. „Wat wil toch deze klapper zeggen." Anderen noemen hem een verkondiger van vreemde goden. Dat zijn de echte aanhangers van het Synkretisme. In hun ogen spreekt Paulus over een godheid Jezus en een godheid Opstanding. Zij willen er meer van weten en zo komt Paulus op de Areopagus. Deze hoogte was genoemd naar de oorlogsgod Azes. Vroeger zetelde er de rechtbank, nu echter is het de plaats waar een college van intellectuelen een forum vormt, dat toezicht houdt op religie en zeden. Waarschijnlijk heeft men Paulus' prediking willen beluisteren, om daarna uit te maken of Paulus mocht blijven prediken op de markt (Grosheide). Vers 34 wettigt de gedachte dat velen van de markt zijn meegelopen naar de Areopagus en nu dus het publiek uitmaken. Hier op de heuvel van de krijgsgod spreekt Paulus zijn machtig getuigenis uit.

Tegen de Epicureërs, die alle voortbestaan der ziel na de dood ontkennen, stelt hij de leer van het eeuwige Leven. Deze mensen, die tot stelregel hebben: „eet en drink en wees vrolijk, want morgen sterven wij, " wordt de boodschap gebracht: „De mens gaat naar zijn eeuwig huis" en „strijdt om in te gaan." Paulus ondervindt dat de Geest des Heeren hem tot een Helper is. Hij begint niet te spreken over Christus, dat zouden de Grieken nog niet begrijpen, maar prijst deze Atheners om hun overdreven godsdienstijver. In hun zucht om niets te vergeten, of misschien ook wel uit dank voor een redding door een naar hun mening onbekende godheid, hebben zij een altaar gebouwd voor „De Onbekende God." Daar sluit Paulus zich bij aan: „Deze dan, die gij niet kennende dient, verkondig ik ulieden."

Hij predikt hun God, als Schepper. Nog nooit hebben de Griekse filosofen, die in hun denken zelfs een monotheïstisch godsbegrip benaderen „Het Zijnde", hiervan gehoord. Zij zwijgen als Paulus deze geleerden toeroept dat de Heere niet woont in tempelen met handen gemaakt. Zij zwijgen als de apostel spreekt van de eerste mens, de zondeval en de bestemming, die de Heere de volken gegeven heeft; n.1. de aarde te bewonen. Paulus spreekt van de plichten van het oude Verbondsvolk: de Heere te dienen en Zijn geboden te bewaren.

Ook de alomtegenwoordigheid Gods vindt in de rede van de apostel een plaats: „Hoewel Hij niet ver is van een iegelijk van ons." God is een oneindige Geest, die overal is en geen beelden nodig heeft, doch gediend wil worden in geest en in waarheid; want door Hem alleen leven wij en worden wij in dit leven onderhouden. Het wezen Gods bepaalt Zijn dienst.

De mens is tot niets in staat. Wij zijn uit de hand van de Schepper voortgekomen, goed geschapen, doch hebben het beeld Gods vrijwillig verwoq^en. Duidelijk laat de apostel dit naar voren komen, als hij in het vuur van zijn rede de heiden Aratus citeert: „Wij zijn o, Zeus! van uw geslacht." Aratus denkt hierbij aan een zekere religiositeit in de mens, zoals het verband van het Griekse gedicht laat zien. Paulus ziet in deze woorden een veel diepere betekenis, maar dan betrokken op de Heere en Zijn schepsel, de mens, namelijk, wat wij kennen als de schepping van de mens naar Gods beeld.

Paulus heeft de Grieken God als Schepper en Onderhouder verkondigd. De onwetendheid is nu opgeheven. Een onwetendheid, die bestond uit het niet kennen van de enige en ware God. Nu openbaart de Heere zich de heidenen. De eis van bekering wordt door deze mensen gesteld. Een des te dringender eis, ook voor ons, omdat de Heere een dag heeft ingesteld, waarop de Heere Jezus zal oordelen. De opstanding van Christus is het bewijs, dat de voldoening voor de Zijnen voldoende was en is tevens het begin van Zijn verhoging tot het zitten aan de rechterhand Gods om te oordelen levenden en doden.

De Grieken hebben gezwegen. Bij deze woorden breekt de vijandschap los. Opstanding!

Dat is voor de denkende mens toch onmogelijk?

Inderdaad, het evangelie is de Griek een dwaasheid.

De Stoïcijnen, die het de grootste deugd noemden alles te aanvaarden en zich te beheersen, aanvaarden dit niet! Volgens hen is alles uit atomen opgebouwd. Bij de dood keert de uit atomen opgebouwde ziel naar de eveneens uit atomen opgebouwde logos of goddelijke kracht terug. Uw opstanding is ons een dwaasheid, Paulus! Uw Evangelie is ons een

dwaasheid! Anderen spotten niet, doch maken zich met een beleefd, in feite onverschillig: „Wij zullen U wederom hiervan horen" van de zaak af. Uw opstanding is ook ons een dwaasheid.

Paulus heeft de Areopagus verlaten. Hij heeft Gods boodschap gebracht. Zijn werk is gedaan. De Heere kent de vruchten.


*) Onwaarschijnlijk is m.i. de ter vergadering verdedigde gedachte, dat het laatste gedeelte van deze tekst nog een veel diepere spot uitdrukt dan het eerste, n.1. een weerzien na de dood, in de opstanding wanneer deze er volgens de Grieken zou zijn. Geen door mij gebruikte verklaring wijst in deze richting. Bovendien drukt de tekst toch een duidelijke tegenstelling in tussen spotten en niet spotten. Luther vertaalde: etliche sprachen aber. Zie ook vertaling N.B.G.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.