+ Meer informatie

VRAGENBUS

3 minuten leestijd

A. K. te R. vraagt de betekenis van Gen. 6:3.

Antwoord: Deze tekst moet u zien in haar verband.

De verzen 1 en 2 spreken, dat de mensen op de aarde begonnen te vermenigvuldigen en dat de zonen Gods de dochteren der mensen aanzagen en met hen in het huwelijk traden.

Het gaat dus in deze verzen over de gemengde huwelijken.

De belijders van de Godsdienst, die naar de naam des Heeren genoemd waren en die naam aanriepen, huwden met degenen, die werelds waren, vreemdelingen van God en Godsdienst. Het nageslacht uit de heilige linie van Seth hield zich niet afgezonderd, maar vermengde zich met het gevloekte geslacht van Kaïn. Dit riep het misnoegen Gods wakker.

Daarom waarschuwt de apostel Paulus in 2 Cor. 6 : 14 de gemeente des Heeren om toch geen juk aan te trekken met de ongelovigen. Dat was Israël verboden in Deut. 7, het was de onzalige aanleiding van Salomo's val en het had zulke schrikkelijke gevolgen voor de Joden na hun terugkeer uit Babel.

Daarom moeten de belijders der Waarheid er èn voor zichzelf èn voor hun kinderen een gewetenszaak van maken, om wat de huwelijken betreft, binnen de grenzen hunner belijdenis te blijven.

Nu zegt de Heere in het derde vers: „Mijn Geest zal niet in eeuwigheid twisten met de mens, dewijl hij ook vlees is. Doch zijn dagen zullen zijn honderd en twintig jaren.".

Hieruit blijkt dus, dat te voren Gods Geest wel getwist had met de mens, n.1. door de prediking van Noach (1 Petr. 3 : 19 en 20).

Voor schier allen was het tevergeefs geweest. Daarom zegt God, dat Hij niet altijd zal twisten.

Dat twisten houdt in een strijd van de Heilige Geest met zondaren door de overtuiging en bestraffing van het geweten, ten einde hen van de zonde tot God te belteren. Als de Geest wederstaan, uitgeblust wordt, dan zal Hij wel lang, maar niet altijd twisten en het gevolg daarvan is, dat de zondaar snel rijpt voor het verderf.

Nu volgt daarop de reden „omdat hij ook vlees is". Het is de verdorven natuur des mensen. Als de zondaar gedurende lange tijd het belang des vleeses heeft gediend en het met het vlees heeft gehouden tegen de Geest, dan onttrekt de Geest rechtvaardig Zijn werking en twist niet meer en de zondaar wordt aan het oordeel der verharding overgegeven. Niemand verliest het twisten van de Geest, dan zij, die het moedwillig verbeurd hebben.

Nietemin wordt hun uitstel gegeven „doch zijn dagen zullen honderd en twintig jaren zijn".

Zolang zou God nog uitstellen. Hij zou nog tijd geven om te komen tot berouw en bekering.

De gerechtigheid zegt: „Houw die boom uit", maar de goedertierenheid zegt: „Heere Iaat hem nog dit jaar".

De tijd van Gods geduld is soms zeer lang jegens tergende zondaren, maar niet onbeperkt. Uitstel is geen afstel, noch minder kwijtschelding. God verdraagt wel lang, maar aan Zijn lankmoedigheid komt een einde.

Daarom beware ons de Heere voor de verharding.

Zijn kloppen aan de deur van ons hart mocht die gezegende uitwerking hebben, dat wij als gans verlorenen in onszelf met boete en berouw tot Hem de toevlucht mochten nemen, met de bede: „Gena, o God! hoor hoe een boet'ling pleit en reinig mij van al mijn vuile zonden."

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.