+ Meer informatie

VALSTRIKKEN BATEN NIET

De God van Kruyt is de sterkste.

5 minuten leestijd

„Wat doet die vreemdeling toch in onze buurt? " zo vroegen de Toradja's zichzelf af. „Zijn komst is ons een raadsel."

Dat was het inderdaad. Kruyt dreef geen handel en zocht zijn eigen voordeel niet. Hij zei, dat hij was gekomen om hen te helpen en om in vriendschap met hen te leven. Maar zoiets kon eenvoudig niet. Wie deed dat nu?

Het kon niet anders of de blanke man was door de Nederlandse regering verbannen, want uit eigen beweging kwam je hier toch niet.

Deze veronderstelling miste echter de minste grond, want Kruyt was al enkele keren naar Gorontalo gereisd en telkens was hij toch ook weer teruggekeerd.

Een ander wist het beter: de blanke man was door het Nederlandse Gouvernement (Koempania) uitgezonden om voorbereidingen te treffen voor een mogelijke onderwerping van het land door de Koempania.

Met al wat in hem was verzette de zendeling zich tegen deze mening van het volk. Dat mocht nooit, dat ze zouden denken, dat hij in dienst stond van de Nederlandse regering. In liet begin wilden de Toradja's de zendeling verjagen, maar nu ook mevrouw Kruyt met haar zoontje was gekomen, dachten ze daar niet meer aan.

Toch zouden ze niets liever hebben dan dat die blanken weg gingen. Konden ze de familie Kruyt dan niet doden? zult ge vragen. Dat kon wel, maar er moest eerst een aanleidende oorzaak zijn om daartoe over te gaan, en. . . . die was er juist niet. Tot nu toe hadden ze bij Kruyt niets gevonden, dat hun toorn kon gaande maken, dus moesten ze wel van doodslag afzien.

Hoe moesten ze hem dan kwijt raken? Wel, dachten ze, we zullen het leven hier zo donker mogelijk voorstellen, zodat hij niet langer wenst te blijven. Wat moest hij in dat arme land toch doen? vroegen ze. Er was niets te verwachten dan ellende en armoede; hij kon hier niets bizonders krijgen. Maar vreemd, dat scheen de blanke man ook al niet te deren. Ik ben niet gekomen om wat te krijgen of om rijk te worden, gaf hij ten antwoord. Ik ben gekomen om u tot Christus te brengen; in Hem is alle geluk te verkrijgen.

Wat moeten we nu doen? vroegen de Toradja's elkander af. Het antwoordde luidde: laten verhongeren. Er werd een verbod uitgevaardigd, dat niemand meer iets aan de zendeling mocht verkopen. Kruyt werd dus geboycot. Dit verbod duurde echter maar een maand. Toen die tijd voorbij was, werd de toestand weer als voorheen. De blanken zouden niet verhongeren: ze hadden allerhande eetwaar meegenomen toen ze naar de Toradja's gingen; ze waren op alle mogelijke dingen voorbereid. Daar kwam nog bij, dat de bewoners zich moeilijk konden houden aan het verbod: ze waren zo verzot op de prachtige voorwerpen van de zendeling!

Nu ging het bij Kruyt, zoals het Nehemia was vergaan: men probeerde hem vreesachtig te maken. Er werd gezegd, dat er in het binnenland mensen woonden, die zeer bloeddorstig waren. Deze mensen nu waren van plan om een overval te doen.

Op zekere avond zat Kruyt in zijn hut te werken, toen hij plotseling een groot lawaai hoorde. Hij keek naar buiten en daar zag hij, dat een vijgtigtal gewapende mannen zijn woning naderde. De hoofden van de troep kwamen de luit binnen en vertellen heel geheimzinnig, wat er stond te gebeuren: koppensnellers waren in de buurt; er zou gewis een grote aanval beginnen vannacht. „Wat moeten we doen? " jammerden ze.

De zendeling wist niet dat het al gelogen was. Hij hield zich kalm en gaf de beste raad, die in zulke gevallen gegeven moest worden: „Dadelijk wachten uitzetten bij de toegangswegen naar het dorp en zo nodig versterkingen aanbrengen, " luidde zijn bevel.

Dat hadden ze niet verwacht. Ze hadden gedacht, dat hij zo verschrokken zou zijn, dat hij in allerijl de vlucht zou nemen. De gruwelijkste verhalen vertelden ze aan de zendeling, maar die blanke man bleef maar rustig. De bangmakerij had juist een tegengestelde uitwerking dan verwacht werd. Inplaats dat de zendeling de biezen zou pakken, rees hij in de achting van de Toradja's.

Kruyt schreef hierover: „Door deze en andere voorvallen rees ik in de achting van de mensen, want men schreef mijn houding toe aan moed en innerlijke kracht, waarvoor de natuurmensen altijd respect hebben. Terwijl ik toch niet anders dan in naïeveteit had gesproken. Ik heb altijd geweten, dat ik veilig was in Gods hand, maar ik zou te veel zeggen, als ik beweerde, dat mijn geloof in God mij deed blijven; " Ook heidense tovermiddelen hielpen niet. Er werd gepoogd om de zendeling met vrouw en kind ziek te maken, door een stukje ijzer, een doorn of een houtspaander in de nabijheid van het huis van Kruyt in de grond te verbergen; trapten ze er in, dan zouden ze wellicht gewond raken en aan de gevolgen sterven. Als ze ernstig ziek zouden worden, dan had de vijand gewonnen. Het lukte echter niet.

Later schreef de zendeling: „Mijn vrouw en ik, wij hebben God steeds gedankt, dat wij met onze kinderen steeds zo gezond mochten blijven, maar we konden in die eerste tijd niet bevroeden, hoe God die gezondheid niet alleen ons begenadigde, maar hoe Hij hiermee ook de komst van Zijn koninkrijk bevorderde."

De goden van de Toradja's waren niet sterker dan de God van de blanke. Een hogere Macht, zo dachten de bewoners, beschermde Kruyt en de zijnen.

M. NÏJSSE.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.