+ Meer informatie

Interview met br. D. Koole ouer de ambtsdragersconferenties TOERUSTING VOOR AMBTSDRAGERS

7 minuten leestijd

Achter Ambtelijk Contact en de redactie daarvan staat het Landelijk Comité ter voorbereiding van ouderlingen- en diakenenconferenties. Het bestaat al sinds 1929. D. Koole (1926) bekleedde van 1973-2003 het voorzitterschap. Zijn openingswoorden op de conferenties zijn nog altijd vermaard. Bij zijn aftreden voegde prof. dr. W.H. Velema hem toe dat hij ze vaak had aangehoord als een echo van de troonrede, maar dan toegespitst op het kerkelijk leven. We blikken met Koole terug op zijn betrokkenheid bij het comité.

Zijn werkzaam leven heeft Koole doorgebracht als procuratiehouder bij ING, belast met dienstverlening aan het exporterende en importerende bedrijfsleven. Vele malen verzorgde hij lezingen voor bedrijven, Kamers van Koophandel en enkele universiteiten. Op de ambtsdragersconferenties was de ervaren voorzitter altijd goed voor een smakelijke noot met een serieuze ondertoon. Zo hield hij zijn gehoor in 1981 voor dat hij zich kon voorstellen dat hun vrouw hen na een drukke werk- en vergaderweek de avond van tevoren had aangekeken ‘met een blik waarin iets te lezen viel van een keuze tussen voortzetting van hun huwelijksgeluk en het nut en genoegen van een ontmoeting met de ambtsbroeders in Amersfoort’. Als zij dan toch in vrede hadden kunnen afreizen, bewees dat allereerst dat de echtverbintenis nog altijd een stootje kon verdragen en vervolgens dat zij zich sterk betrokken wisten bij de Kerk van Christus. Over beide dingen sprak hij graag in het openingswoord zijn vreugde uit.

STAPELS BRIEVEN

Was het deze sterke betrokkenheid bij het kerkelijk leven die de conferenties een grote vlucht hebben doen nemen?

‘Ja, tot diep in de jaren tachtig was de betrokkenheid van ambtsdragers bij het landelijk kerkelijk leven groot. De landelijke conferenties fungeerden mede als een ontmoetingsplaats van bekenden. Daarbij was er sterke behoefte aan praktische toerusting tot het ambt. Vooral thema’s daarover, soms met min of meer prikkelende lading, garandeerden een volle kerk. Vaak kwamen er zo’n 400 bezoekers, met enkele uitschieters naar 500.

Stapels brieven heb ik door de jaren heen gekregen. De meeste waren opbouwend van aard. Tal van conferentiegangers deelden ook hun persoonlijke en gemeentelijke moeiten met mij. Ik heb van velen vertrouwen gekregen. Dat gaf moed en kracht om het werk te blijven doen.

In de jaren negentig zette de teruggang in. We kenden de voornaamste oorzaken, maar wisten niet hoe het tij kon worden gekeerd. Een generatie trouwe bezoekers was aan het wegvallen. Jongere ambtsdragers waren vaak minder verbonden met het kerkverband. Bovendien verkozen zij, mede als gevolg van het gestegen levenstempo, in veel gevallen hun gezin en andere sociale contacten boven een dag confereren.’

BEVINDELIJKE ONTBOEZEMINGEN

Het Comité heeft het destijds hoog opgenomen dat Bewaar het Pand vanaf 1994 eigen ambtsdragersconferenties is gaan beleggen, vooral over onderwerpen die met het persoonlijk geestelijk leven samenhangen. Die misten ze kennelijk bij de reguliere. Hadden ze niet een beetje gelijk?

‘Zolang ik me kan heugen leeft aan de rechterzijde van het kerkverband het gevoel dat het comité een nogal progressief gezelschap was. Als er een spreker van meer behoudende zij de was uitgenodigd, was er wel behoorlijke belangstelling. Kijk, we realiseerden ons ook wel dat de opkomst uit deze kring niet groot was. Maar door eigen conferenties te gaan beleggen heeft Bewaar het Pand (met respect voor al het goede binnen dit verband) de verdeeldheid in feite ‘geïnstitutionaliseerd’.

Het kan heel goed zijn dat er op momenten dieper doorgesproken had kunnen en moeten worden over persoonlijke geestelijke onderwerpen. Ik bestrijd echter dat er structureel niet bevindelijk over geloof en leven is gesproken. Op menig moment is dat gebeurd, bijvoorbeeld in de referaten over prediking en huisbezoek. Maar ook tijdens ontboezemingen tijdens de bespreking en in de wandelgangen. Meermalen heb ik de bespreking ook daarnaar toe geleid. Het kan zijn dat men zich niet in de terminologie heeft herkend. In het algemeen zeg ik echter: de broeders hebben het niet gehoord omdat ze er niet of nauwelijks waren.’

PLATFORM

Rond 1980 maakte prof. J. van Genderen eens de opmerking dat de conferenties eigenlijk nog het enige platform waren waarop broeders van uiteenlopende geestelijke structuur en signatuur binnen de CGK elkaar in vrede en openheid konden ontmoeten en met elkaar in gesprek waren. U merkte daarbij op dat daar zeker iets van waar was. Wat precies?

‘Ik kan me voorstellen dat sommigen het zo beleefden. De spanningen in de kerken liepen in die tijd hoog op. Tot op zekere hoogte acht ik de uitspraak waar. Niet tot grote hoogte. Daarvoor ontbraken vertegenwoordigers van de uiterste flanken te vaak. De brede middenmoot van het kerkverband is op de conferenties altijd sterk vertegenwoordigd geweest.

Naast de conferenties zijn er ook allerlei classisvergaderingen geweest waar men zich heeft bezonnen op het elkaar verstaan en de onderlinge verstandhouding. Vaak kregen dergelijke bijeenkomsten echter geen vervolg. Ieder bleef wie en waar hij was. Echt geestelijke eenheid is nu eenmaal niet kenmerkend voor de CGK. Bovendien trekt men zich nog altijd op eigen vesting terug en handelt men naar eigen inzicht. Ik zeg niet dat men alles overal hetzelfde moet doen. Een stuk gelijkgerichtheid in de beleving van de cruciale geloofsthema’s is echter wel voorwaarde voor een gezond kerkelijk leven. Op dit moment hebben wij als CGK naar mijn oordeel met een proces van desintegratie te maken, in deze zin dat veel plaatselijke gemeenten met voorbijgaan aan algemeen geldende regels bezig zijn aan de wijze van kerk zijn, in het bijzonder de liturgische vormgeving, een eigen invulling te geven.’

Als het kerkelijk samenleven zo moeizaam uerliep, konden de broeders van het comité dan wel door één deur?

‘De samenwerking in het comité herinner ik mij als altijd harmonieus en constructief. Er was verschil in visie op en beleving van wat de kerk van Jezus Christus belijdt en gelooft. Wat betreft de allesbepalende geloofswaarheden hebben wij ons echter altijd aan elkaar verbonden gevoeld. Van daaruit hebben we in grote eenstemmigheid en vanuit ieders eigen ambtelijke ervaring overwogen en besloten welke voorlichting voor de medebroeders in het land nuttig zou kunnen zijn.’

EXPERTISE

In de jaren ueertig hebben de diakenen enige tijd afzonderlijk uergaderd. Vanaf 1946 hebben zij zich uerenigd met het comité, waarvan zij de helft uitmaakten. Vele jaren belegde het comité in het uoorjaar een conferentie uoor diakenen, in het najaar voor ouderlingen. Na 1978 is er geen afzonderlijke diakenenconferentie meer gehouden. Zijn de diaconale thema’s erbij ingeschoten?

‘Het evenwicht in de samenstelling van het comité ging in de loop van de jaren verloren. Sommige diakenen werden tijdens hun zittingsperiode in het comité ouderling. Het bleek de jaren door uiterst lastig broeders bereid te vinden om lid te worden.

Er zijn wel conferenties geweest over diaconale onderwerpen. Zo was er in 1993 een conferentie gewijd aan het diaconale handboek Zichtbare liefde van Christus.

Op andere bijeenkomsten had het thema ook diaconale aspecten. De (oud-)diakenen brachten in het comité zelf echter nauwelijks diaconale onderwerpen naar voren. Op den duur is de vorming van diakenen, ook door middel van conferenties, vooral ter hand genomen door deputaten algemene diaconale en maatschappelijke aangelegenheden (ADMA) en het Diaconaal Bureau. Zij hadden meer expertise in huis en konden structuur aanbrengen in de voorlichting, mede door een eigen orgaan.’

ELK ANTWOORD

Meestal bestanden de conferenties uit een of twee lezingen met aansluitend een plenaire bespreking. Sloeg dat aan?

‘Op elke conferentie die ik mij voor de geest kan halen luisterden de aanwezigen aandachtig naar de lezingen. Een nabespreking in groepjes was zeker de eerste 25 jaar van mijn voorzitterschap niet aan de orde. De belangstelling voor de conferenties is vele jaren groot geweest. In 1982, toen prof. Van ‘t Spijker sprak over de positie van de vrouw in de kerk, was de kerkzaal in Amersfoort zelfs te klein. Ruimtelijk was een groepsbespreking onmogelijk; een experiment in 2005 bleek trouwens niet succesvol.

De wenselijkheid ervan werd ook niet bepleit. De aanwezigen hechtten er blijkbaar aan elk antwoord zelf uit de mond van de reagerende broeders te horen. Daarbij hanteerden we een strak beleid. De bijdragen uit de zaal waren open en eerlijk, maar nooit op de persoon gericht. Slechts een enkele keer is het gebeurd dat een ontstemde broeder vergat dat er in het boek Spreuken te lezen staat: “Wie zijn mond bewaart, behoudt zijn ziel”.’

TOEZICHT

Op de conferenties werden vele thema’s behandeld, zoals huisbezoek, dienst der genezing, conflictbeheersing in allerlei kerkelijke verhoudingen, omgaan met geld en goed. Vooral de prediking en het toezicht daarop lagen u na aan het hart.

‘Het is belangrijk dat de prediking wordt getoetst door de ouderlingen. Deze taak krijgt in de praktijk naar mijn overtuiging nauwelijks uitvoering. En dat laatste is aan veel prediking in onze kerken wel te merken… Veel jonge ambtsdragers ontbreekt het aan kennis van en inzicht in de Bijbel en aan besef van het feit dat een kerk die om de vragen van deze tijd heengaat zichzelf schade doet. Die vragen waren er vroeger ook, maar naar inhoud en intensiteit maken ze vandaag massaal “slachtoffers”.’

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.