+ Meer informatie

TROOST

14 minuten leestijd

Rommelmarkten krijgen in de plaatselijke kerken met regelmaat grote aandacht. Met enige trots worden in kerkbodes de opbrengsten daarvan vermeld. Het komt mij voor dat diezelfde aandacht niet ten deel valt aan de “troostmarkt”, die er zeker vandaag de dag veelvuldig wordt georganiseerd. Ik heb die term overigens niet zelf verzonnen, want hij dateert al uit de negentiende eeuw. Dat neemt niet weg dat de commercie, therapeuten van allerlei snit en begrafenisondernemingen bewust of onbewust - men spreekt dan relativerend van een gat in de markt - klaar staan om de gaten in het maatschappelijk, meer nog in het persoonlijk leven te vullen. In ieder geval moet er particulière of collectieve pijn worden verzacht.

Toch is de kerk door middel van veel bezoekwerk van al- of geen ambtsdragers veel op de genoemde markt aanwezig. Of zij goed in de markt ligt? Het is raadzaam dat niet af te meten naar de verkoopcijfers van boekhandelaren, maar naar de inhoud van het gebodene.

Nauw verwant aan “troost” zijn de gevoelens die worden opgeroepen door het begrip zingeving. Ook daarvan kan worden gezegd, dat er een oneindige hoeveelheid geschritten verschijnt om ons te helpen de zin van het bestaan, van ons leven in het bijzonder, te helpen (her)vinden. Het aantal jongeren en ouderen - want enerlei wedervaart ouderen en jongeren in dit opzicht - dat geen “zin” meer ziet in de werkelijkheid of in eigen bestaan, stijgt onrustbarend. Toch blijkt uit recent onderzoek dat de overtuiging, dat het leven een doel moet hebben en heeft en volgens “een” plan verloopt, stijgende is. Tegelijk geeft het te denken dat een gedachte, dat leed betekenis krijgt door het geloven, in dezelfde tijd (zo’n 15 jaar) in procenten uitgedrukt, gezakt is van 30 naar 16. Voorlopig heeft de troostmarkt het nog druk.

Bijbelse noties

Er is een veelvoud aan bijbelwoorden, die zich opdringen. Ik kies de invalshoek van verbond en verband. In de Schrift wordt ons verteld, dat de mens uit Gods hand voortkomt. Hij wil er wat mee. Hij kan er wat mee. Hij gaat ermee op weg. Hij geeft hem zin en samenhang. God en mens zijn aan elkaar verbonden en de Here God heeft die struetuur bedacht en als zegen de mens doen overkomen.

Zo staat van daaruit de mens in de wereld, mag hij de schepping zien en bewonderen en beheren. Hij mag relatie beleven naar alle kanten. Alles is gaaf en heel. Het ademt harmonie. Totdat die harmonie wordt verstoord. “Het vervloekte leven” doet zijn intrede en het heeft alles van een kettingbotsing. De harmonie gaat er uit en er is geen terrein waarop dat niet merkbaar is. Kennelijk kan de Here God daar niet in berusten. Veelzeggend is de geboortenaam Noach = deze zal ons troosten. God zegt het verbond met mens en wereld niet op. Hij zet zich in om schepping en schepsel te-recht te brengen. De schending van de geschonden werkelijkheid is iets waarbij God zelf zogezegd diep moet zuchten. Van daaruit is het zuchten van de schepping en van de Heilige Geest te verstaan, horen we via Paulus in Rom. 8.

Het is fundamenteel om het zo te zien: Troost is primair een actie van de HERE Die trouw blijft aan wat Hij is en wat van Hem uitgaat: liefde en harmonie, heelheid en trouw. Men zou kunnen zeggen, dat troost, die God schept en laat verkondigen, de voortgang van het leven toezegt en zelfs garandeert. Dat te stellen betekent natuurlijk niet, dat gebeukten en gebukten daarop altijd zicht hebben. Nog minder dat ze dat na korte tijd (moeten) hebben. Het houdt ook in dat troosters nooit met de gedachte op pad moeten gaan, dat dit uitgangspunt, eenmaal meegedeeld, nu voldoende is, omdat het keurig is aangezegd. Toch doet dit het uitgangspunt niet te niet. Telkens licht in de Schrift de activiteit van de HERE God op, als Hij krachtens Zijn verbond de mens als het ware binnen Zijn verband wil houden en zo nodig daarin opnieuw een plaats geven. Het uit het verband raken heeft alles te maken met de noties van de trits ongehoorzaamheid, schuld, ellende. Maar niet minder met de notie van gebrokenheid, onmacht, dat wat niet vermijdbaar en verwijtbaar is in persoonlijke zin. Ik zou schuld en gebrokenheid niet uit elkaar willen halen, maar ze wel terdege willen onderscheiden, zeker in de pastorale praktijk. Er is in de kerken met het onderscheid in de pastorale praktijk naar het mij voorkomt, veel te weinig rekening gehouden. Het leidt ertoe, dat gebrokenheid, leed, rouw en de lange lijst van woorden waarvoor geen woorden zijn, snel van een verklarend etiket werden en worden voorzien. Het is dan ten enenmale onmogelijk, dat een mensenkind iets van geborgenheid ervaren kan. Het aantal “thuislozen” is in de kerk dan wel erg groot en ik heb oprecht vrees, dat het aantal groeiende is. Dat is niet overeenkomstig Gods eigen inzet, die zo van meet af aan met barmhartigheid de uitwerking van zijn eigen oordeel achterna ging. Het is die inzet van de HERE, die de roep om vertroosting heeft gewekt. Naar vertroosting mag worden uitgezien, omdat de toezegging voortdurend wordt herhaald.

Toch kan troost niet worden verstaan, als de donkere achtergrond niet wordt gezien, gevoeld, beleefd, om niet te zeggen doorstaan. Wij behoeven slechts het troostboek -Jesaja 40-55 - op te slaan, om dat te ontdekken. Het is een en al ballingschap- en woestijn bestaan. Het is echter weer Gods eigen inzet om te laten roepen: troost, troost mijn volk.

Die niet-aflatende trouw van de HERE is aangelegd op de vertroosting Israëls, die voor elke gelovige Israëliet een basis was voor zijn/haar spiritualiteit, de waarachtige vroomheid.

Veelzeggend is in de H. Schrift dat twee werkwoorden zo gekoppeld aan elkaar steeds terugkeren: troosten en zich ontfermen. Het werkwoord “zich ontfermen” heeft vele afleidingen, maar één ervan is die, welke “baarmoeder” betekent. Het tekent de innerlijke betrokkenheid en menselijk gesproken zelfs de lijfelijke gevoeligheid van de HERE bij de nood van mensen. Zij gaan Hem van binnen - met pijn - ter harte! Het maakt stil om tegen deze achtergrond bij Paulus in 2 Kor. 1: 2/3 te lezen over de Vader der barmhartigheden en de God aller vertroosting. Stellig kan dat alleen maar tegen de achtergrond van het Oude Testament worden verstaan.

Zlngeving

We kunnen troost natuurlijk niet losmaken van zingeving. Ik zou kunnen stellen, dat troost leidt tot zingeving. In zekere zin mag troost een vorm van zingeving zijn. Ze moeten echter terdege van elkaar worden onderscheiden. Het moet duidelijk zijn, “dat het bij een zingevingssysteem gaat om het individuele geheel van opvattingen, normen, waarden enz., met behulp waarvan het individu zin en richting geeft in zijn leven”. Men kan dit zeker zo niet zeggen van een levensbeschouwing. Wel is het zo, dat een zingevingssysteem in een levensbeschouwing worfelt. Ook een levensbeschouwing is echter niet hetzelfde als godsdienst. Beiden geven echter een collectief van waarden en normen.

Het laat zich verstaan dat wat de bijbel ons als troost aanreikt, wel is aangelegd op zingeving, maar daar haar eindbestemming, Gods bedoeling niet vindt. Een paar kenmerkende verschillen: troost komt qua oorsprong van “boven”, hoe men dat dan ook tot uitdrukking wil brengen. Ze komt uit Gods hart! Ze wordt wel bemiddeld door mensen, althans, dat is vaak de uitdrukkelijke bedoeling. Zingeving is - ik bedoel dat niet denigrerend - uiteindelijk een marktprodukt, een horizontale catégorie, die op zich niet in alle opzichten verdacht is. Integendeel. In het humane karakter van de zingeving proeven we iets van Gods algemene goedheid. Het humane is niet het onchristelijke, noch het Christus-vijandige. Het is alleen m.i. niet het hele verhaal. Bij zingeving houdt het op bij “integratie”. Dat is niet weinig. En soms moet een mens bij dat humane gegeven blijven staan en zichzelf en zeker de ander in de handen van de Here God leggen, woordeloos, sprakeloos, nooit zonder pijn en toch, nooit zonder hoop.

Troost in de leegte

De laatste voorgaande zinnen brengen ons bij dat woord leegte. Ik behoef slechts de naam van Job te noemen. Jobs vrienden willen de ontstane leegte en chaos, het verdriet waarvoor geen woorden zijn, de waaroms naar de Here God toe, de opstandigheid over “Zijn duistere voorzienigheid” verklaren. En wel theologisch. Ook nog niet helemaal onzinnig. En toch volstrekt ernaast, al hadden ze dan zeven dagen gezwegen. Een een zwijgende inzet is de slechtste niet! Maar toen kwam het. Het werd Job aangezegd. Het werd hem uitgelegd hoe “het” in elkaar stak en hoe hijzelf in elkaar zat. En Job werd er alleen maar ongelukkiger, opstandiger en hulpelozer door. Waarom waren het zulke moeilijke vertroosters? Ze wisten van geen aarzeling. Ze hebben niet stamelend gevraagd. Ze hebben steeds hun rede hervat. En dan kwam het weer. Ze hebben zelfs daardoor een mechanisme in Job opgeroepen, wat we duiden met “uitageren”. Ze zijn, toen zijn ziel zo diep geraakt was en in de opperste aanvechting verkeerde, door zijn ziel gefietst op een weinig pastorale, zeg, op hardvochtige wijze. Als men werkelijk troost wil brengen, kan een enkelvoudige handeling, een hand, een woord, een gebaar, een nieuwe mimte doen ontstaan, die de ander in staat stelt verder te gaan. Met instemming haal ik een christen-psycholoog aan, die het weliswaar heeft over zieken, maar wiens woorden direct toepasbaar zijn bij het op pad willen, moeten en… mogen gaan om te troosten: “Wij zijn dorn als wij ungeduldig de zieken daarbij telkens voor de voeten lopen met onze adviezen, vermanende en troostende woorden. Daarmee vertragen we namelijk de verwerking. Wij willen hen doorgaans zo snel mogelijk krijgen in de toestand van gelovige overgave. Dat doen we voor onze eigen gemoedsrust (onderstreping van mij, dJ.).

Wij vergeten dat verzet en overgave polariteiten zijn, waarvoor ruimte moet zijn of moet worden gemaakt. Eiders (in een boekje van Lize Stilma - zie literatuur) schreef ik een bijdrage met haar over goedkoop troosten. Goedkoop troosten kent geen ruimte. Kent ook het zware werk van “uithouden” niet. Het kon wel eens zijn, dat troosters met “ware woorden” onware troosters zijn. Het kan zijn, dat zij hun eigen troosteloosheid, hun eigen opstandigheid, hun eigen leegte niet onder ogen (kunnen) (willen) zien. Dan werkt troost, zo het al die naam mag dragen, averechts. Heiaas zijn er vele mensen die mij mondeling en schriftelijk uit de kerken laten weten, hoe zeer zij in de leegte van hun leven, bij de kraters die zijn ontstaan, versteend en in de kou zijn gelaten. Dat moet leiden tot bezinning over godsbeelden, over eigen verdrongen gevoelens, over voorzienigheidsgeloof en wat in dat verband onder “Gods wil” moet worden verstaan. Het moet gaan over mijzelf, over de donkere kanten van mijn eigen bestaan, over verborgen drijfveren, over machtsgevoel en wat niet al.

Men versta mij niet verkeerd. Geen ambtsdrager behoeft zichzelf te etaleren. Evenmin zijn privacy geweld aan te doen. Om te troosten moet hij/zij de Here God én zichzelf kennen en niet te vlug menen dat hij God op zak heeft en zichzelf in de hand! Niemand kan echt op weg gaan en zeggen: ik ga naar de moede en de arme en de naakte, die niet in de diepte omhoog geschreid heeft: “Moede kom ik, arm en naakt…”. Deze diepe beleving schept ruimte en levert creativiteit op. Iemand schreef terecht: “Als religie de ruimte is waarin de ultieme vragen omtrent het bestaan aan bod komen, dan is religieuze troost de schepper van die ruimte”.

Ik ben er diep van overtuigd (geraakt), dat de Here ons zó tot een goed instrument kan maken. Maar dan moeten we in de kerken echt ophouden met het plakken van waarheden op mensen. We zullen Gods openbaring, de context en de autobiografie van de bijbelschrijver èn onze eigen gedateerde biografie in aarzelend doorleefd geloof moeten verstaan - al is het nog zo ten dele - om troost te bieden naar de Schrift en als weergave van de taal van Gods hart.

Troost op muziek gezet

Ik ben muzikaal niet terzake kundig maar voldoende afnemer in existentiële zin om te zeggen, dat in het bieden van troost muziek en zang een ontzaglijk grote betekenis heeft. Maar ook hierbij geldt: men bezie toch vooral de inhoud van liederen kritisch. Het gaat mij niet om bundeltjes. Oud noch nieuw mag op voorhand met het keurmerk van godzaligheid worden geijkt. En daarover mag de strijd in de kerk ook nooit gaan. Dat rooft de troost voor de troostbehoevende. De gemakkelijkheid - om slechts één voorbeeld te noemen - waarmee in programmai gezonden wordt: Rust mijn ziel uw God is Koning, wees tevreden met uw lot, is zo onbijbels, unrealistisch en bijna zou ik zeggen zó wreed, dat de ziel wel moet weigeren - als hij/zij daartoe nog de kracht heeft - hierdoor zich te laten troosten. Men zinge zo niet, men trooste zo niet, men bidde zo niet. We zouden ons moeten willen laten leren door hen die pastoraal theologisch, pastoraal psychologisch en musicologisch ons uit de droom kunnen helpen, om weer tot in ons uiterste de ware troost te kunnen (horen) zingen.

Ziekentroosters?

U kent wel de -verkorte - ziekentroost achterin het oude psalmboekje. Het is in 1571 voorzover mij bekend, opgedoken. Ds. Beijerus heeft Van Oldebarnevelt voor zijn berechting emit voorgelezen, maar kerkelijk gezag heeft het nooit gekregen. Niet omdat het niet “waar” is. Het staat bol van teksten, goede en mooie. Ds. Cornells van Hille, overleden in 1600 te Rotterdam, heeft zijn best gedaan. In 1579 is er zelfs een uitvoeriger uitgave in vijf afdelingen versehenen. De wel kerkelijk aangestelde ziekentroosters moesten hiermee en met dergelijk materiaal op pad. Er was al in 1531 een “Troost ende spiegel der siecken”. Ook was er de Haagse ziekentrooster Jacobus Schuts, volgens zeggen een eigenzinnig man, die zich niets van synodes e.d. aantrok. Dwars door alle vermaningen heen schreef hij echter een boek van 400 pagina’s “Het bescheiden deel der siecken, ofte een onderwysing, hoe yder siecken nae sijn staet behoort behandelt te worden, op datse op de rechte gronden de vertroosting des H. Geestes mochten ontfangen, en op een goeden weg ter Heerlijkheyt ingeleydt worden”. In 1749 verscheen nog een zevende druk… De ziekentroosters zullen veel goed werk hebben gedaan. Toch moet gezegd, dat het met materiaal als de ziekentroost methodisch zo niet kan. Het biedt ook niet de ruimte, waarover ik sprak. Het is een stuk dat in mijn oog ook mij moeilijk valt en veel te hoog. Dat doet aan de intentie niets af. Maar laat geen ambtdrager een méthode van troosten hanteren die daarop lijkt! Saillant is wellicht het detail, dat de Verenigde Oostindische Compagnie deze ziekentroosters als een soort tweedehands vlootpredikant op hun schepen plaatste als geestelijk begeleider. Ze waren goedkoper dan predikanten! Wie de ontwikkelingen van heden in de geestelijke verzorging bij krijgsmacht en zorginstellingen maar niet minder bij plaatselijke kerken kent, kan inzien, dat de geschiedenis zich herhaalt. En toch… een training voor ziekentrooster zou - mits goed doordacht - nog zo kwaad niet zijn. Maar dan niet omdat ze goedkoper zijn, wel opdat ze beter toegerust zullen zijn. Het volk ten baat… De begrijpelijk, maar ten onrechte veel bekritiseerde zondag 10 van de Heid. Cat. zal dan ook beter begrepen worden. Ze is ook niet het eerste couplet als iemand op het troostpad gaat. Mijn enige troost in leven en in sterven kan er wel eindigen. Maar men lijdt niet ongetroost en is niet hardnekkig en ook niet ongelovig als men zijn leven lang de catechismus haperend opzegt. Troosters moeten dan niet drammen. Er is “enige troost”!

N.B. Er valt veel meer te zeggen. Er zijn ook meer verbanden, die hier uit plaatsgebrek achterwege blijven. Wel noem ik nog enige literatuur, die voor verder lezen dienstbaar kan zijn, zonder dat ik elke zin daarvan onderschrijf:

1. Marinus van den Berg, Door je verdriet heengroeien. Kampen 1992.

2. Dr. G. Heitink (red.), Heil, heling, gezondheid. ‘s-Gravenhage 1990.

3. Dr. G. Heitink, Tussen zeggen en zwijgen. Kampen 1994.

4. Dr. W. ter Horst, Over troosten en verdriet. Kampen 7e dr. 1994.

5. Lize Stilma, Goedkoop troosten. Kampen 1991.

6. A. F. Troost, Morgen zal het Pasen zijn. Zoetermeer 1993.

7. W.H. Velema, Bloeien in de Woestijn. Leiden 1994.

8. W.H. Velema, Geloof en gevoel. Leiden 1992.

9. A.W. Velema, De Geestelijk Verzorger en de Uitzending. Beukbergen-Schrift No. 1. Huis ter Heide 1994.

10. N. van der Voet, Doorlopend bezoek. Zoetermeer 1993.

11. Mariet van Zanten-van Hattum, Leren omgaan met zingevingsvragen. Baarn 1994.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.