+ Meer informatie

IK DANK U DAT IK NIET ZÓ BEN ALS DE ANDERE MENSEN…..

10 minuten leestijd

Wat heeft die farizeeër (uit de gelijkenis) geweldig geboft, toen hij vlakbij in de tempel de tollenaar zag. Hij hoefde niet naar woorden of argumenten te zoeken, want het vergelijkingsmateriaal werd hem zomaar toegeschoven. Als die tollenaar er niet geweest was, ja hoe had hij dàn aan de Here God moeten vertellen wat voor een voortreffelijk mens hijzelf wel was. Zijn God had het wel erg goed met hem getroffen! Hij liep over van zelfrespect, en dat mocht God goed horen.

Over dat zelfrespect wil ik graag even verder nadenken in dit artikel. Heb ik het verzoek van de redactie goed begrepen, dan moet het gaan over de wijze waarop wij over onszelf mogen denken. Wij, christenen, die willen horen en weten van zonde en genade, van vergeving en liefde, van God ”die op het hoogst moet worden verheerlijkt” en van de mens ”die op het diepst moet worden vernederd”.

Van die hoogmoedige farizeeër moeten we natuurlijk niets hebben. Maar willen wij wel bij die tollenaar behoren? Niet alleen bij hem als hij in de tempel om genade bidt, maar ook als hij voluit zich zondaar noemt? Met andere woorden: ménen wij het werkelijk, als wij schuldige zondaars willen worden genoemd, of is dit een ’mooi’ woord geworden, prachtig bruikbaar in vrome tirades, in gebed en kerkelijk gesprek niet te missen? Het is een lelijk woord, hoor, vol dingen om je aan te ergeren?

Dat deze vraag mag worden gesteld, blijkt regelmatig in de praktijk. Velen horen rustig aan hoe de dominee, b.v. bij de behandeling van de wet in de catechismuspreek, uit het zesde gebod aantoont dat ”wij allemaal echtbrekers zijn, en weer later dat wij allemaal dieven zijn, maar van een protest hiertegen heb ik nooit gehoord (of het moest deze preek-trant betreffen, maar daarover gaat het nu niet). Maar gebruik deze aanduidingen niet in het gewone dagelijkse leven, of bij het huisbezoek! Want wij zijn niet iedereen! Hier klopt natuurlijk iets niet. Is er dan aan ons niets goeds, helemaal niets? Zijn wij totaal aan de ”wereld” gelijk?

Om tot die farizeeër uit de gelijkenis terug te keren: was die man wel zo heel erg fout toen hij bad: ”Ik dank U dat ik niet ben zó als de andere mensen”? Als hij eerlijk mocht zeggen: ”ik heb nooit aan die tollenaarspraktijken meegedaan, en daarvoor dank ik U, Here”. Was dat dan zo verkeerd? Mocht hij niet naar zichzelf kijken en blij zijn dat het in zijn leven anders toeging? Er is toch een verschil tussen de één en de ander? En moeten we in de kerk, in ons geloofsleven, die verschillen verdoezelen naar de ongunstige kant? Waar blijft dan ons zelfrespect?

Toch is uit die gelijkenis duidelijk dat die farizeeër het helemaal verkeerd zag. Lucas schaart hem bij ”sommigen die van zichzelf vertrouwden dat zij rechtvaardig waren” en bij ”een ieder die zichzelf verhoogt”, en dus niet-gerechtvaardigd naar huis gaat. En dat zijn mensen aan wie God een gloeiende hekel heeft.

Maar wat mag ik dàn denken van mijzelf? Wat zegt de Schrift hierover?

Allereerst dit: ik moet niet te min denken van mijzelf! Heel het getuigenis van de Bijbel over de mens laat uitkomen dat hij in Gods ogen een geweldige waarde heeft. Dat leert de schepping naar Gods beeld en gelijkenis. God wilde wat met die mens: Hij wilde door die mens worden ”gekend”, dus een voortdurende en innige omgang met die mens. Hij wilde in liefde samenleven met die mens en blij met hem zijn.

Dat doel heeft God nooit opgegeven. Hij heeft het door de gave van Zijn Zoon vastgehouden en overduidelijk gemaakt. Dat is het evangelie.

Dat is mijn waarde als mens voor God. Om van te duizelen. Onze Here Jezus Christus heeft dit heel duidelijk gezegd in de Bergrede, toen Hij de mens vergeleek met de prachtige bloemen op het veld.

Daarom is het beslist niet Bijbels om over onszelf te denken als iets goedkoops. We zijn zo verschrikkelijk duur gekocht, dat we onze eigen waarde hoog mogen aanslaan. We kunnen onze eigen waarde niet overschatten.

Eén van de fouten van de farizeeër was, dat hij zijn eigen waarde ging taxeren door vergelijking met de tollenaars, terwijl hij in de tempel stond, het huis waarin alles sprak van die andere taxatie, de taxatie door de God des Verbonds. Hij verhoogde zichzelf, zegt Lucas. En dat is in die omgeving een onnodige wanklank, en daarom dwaze taal. Wie in dàt verband gaat praten over tweemaal vasten en het geven van tienden negeert opzettelijk de geweldige openbaring van Gods wonderlijke taxatie. En wie mag staan in het christelijk geloof, maar zijn waardering voor zichzelf gaat zoeken in zijn anders-zijn-dan-anderen, is wel heel pietepeuterig bezig.

Maar nu de zonde! Heeft die ons niet gedevalueerd? En leert de Schrift ons niet onze zonde te overdenken, te beseffen? Is de werkelijkheid van ons zondaar-zijn niet volkomen in tegenspraak met Gods taxatie? En leert het geloof ons niet dat wij, als gevallen mensen, niets hebben om voor de Here van enige waarde te zijn?

Ja zeker! Het is dan ook niet de bedoeling om onze onwaardigheid even weg te praten met een zogenaamd ”blij” evangelie, dat nimmer een duurzame blijheid kan schenken. In de Bijbel wordt het één nooit met het ander weggepraat.

Kijk maar weer naar die tempel. Daar spreekt alles van Gods heiligheid, van vernieuwing en verlossing. De mens blijft duur in Gods waardering, en daarom is de verlossing zo duur. De dingen gaan daar niet vanzelf. De genade ligt niet voor het grijpen. Daar zijn voorhangsels. Daar is een volk dat buiten moet blijven als de priester zijn werk alleen doet. Daar blijft ook onder het Nieuwe Verbond de noodzaak van wedergeboorte, van het ”geheel anders” moeten worden. Daar is de roep om de Heilige Geest, die niet alleen toeëigent wat we in Christus hebben, maar die óók de wereld overtuigt van zonde, gerechtigheid en oordeel.

De tegenstelling lijkt groot, tussen de hoge menswaardering en het zondebesef. Hoe vinden we daar tussendoor onze weg, met behoud van beide?

Op verschillende manieren is hier een weg gezocht.

Er is getracht deze beide ”uitersten” tegen elkaar uit te spelen. De weg van het ”ja, maar”. Hoge waardering voor de mens? Dat is hoogmoed, humanisme, idealisme. Ja, maar de mens is gevallen, hij is een vijand van God geworden, naar aard en werken deugt er van ons niets. Zelfs het goede, dat God ons geeft, gebruiken wij tegen Hem. Of anderszins: er is wel veel kwaad, maar er zijn toch ook nog wel mooie dingen bij ons; God rekent de uitslag niet maar telt onze bedoeling alleen; ik vind in mijzelf toch wel goede dingen. Het één wordt weggestreept tegen het ander, of minstens vervaagd tegen de achtergrond van het ander.

Bij zo’n redenering kunnen factoren als karakter, aanleg, opvoeding, omgeving, de eenzijdigheden van de kerkelijke prediking hun ”verklarende” rol spelen. En natuurlijk spelen die een rol. Een mens is bij zijn geboorte al niet een onbeschreven blaadje papier, waarop van alles kan worden ingevuld. En een mens wordt gevormd door allerlei invloeden in zijn leven.

Maar hier dreigt wel een groot gevaar. Ik heb niets tegen de psychologie als wetenschap en ik heb voor psychologen soms een groot respect (al maak ik ook wel eens dingen mee, met name van psychotherapeuten, die mij verbijsteren; maar ja, dat heb je met theologen ook wel). Ik zal me niet graag ertoe laten verleiden om een oordeel te hebben over dingen die op dat terrein liggen. Doch één ding wil ik graag benadrukken: wat tot het geloven behoort, is niet louter een kwestie van zielkunde.

Ik denk hier vooral aan de ”drie stukken”: ellende, verlossing en dankbaarheid. Maar al te vaak (en niet slechts door psychologen, ook in de kerkelijke prediking kun je het tegenkomen) wordt deze trits verstaan als een keten van zielkundige actie en reactie: als een mens maar goed zijn ellende verstaat, dan gaat hij min of meer vanzelf zoeken naar verlossing en een Verlosser, en daaruit komt dan ook weer de dankbaarheid voort, eveneens min of meer vanzelf. Als God maar begint met ontdekking aan de ellende, dan reageert de mens wel verder. Zó heeft de Catechismus het zeker niet bedoeld. In Zondag 1 wordt niet gesproken over actie en reactie, maar over zaken die permanent beleefd worden in het verstaan van de enige troost. Het gaat bij het verstaan van onze menselijke waarde en het ware zondebesef niet om iets dat ook maar enigszins uit ons eigen hart voortkomt, en dus te beïnvloeden en zelfs te regelen zou zijn, het gaat hier om het werk van God de Heilige Geest.

Dit zeg ik niet om daarmee ons en ons werk buiten spel te zetten. Integendeel. Want de Heilige Geest woont in mensen en werkt in mensen. Hij werkt zelfs door mensen. En daarmee wil ik wèl gezegd hebben dat de Heilige Geest de wijze van ons denken en bezig zijn bepaalt.

Dit betekent allereerst dat de Heilige Geest, omdat Hij Zelf God de Heilige Geest is, nimmer iets zal afdoen van Gods volmaakte heiligheid. Hij is één met God de Vader, de Schepper. Hij is het daarom ook volmaakt ééns met Gods bedoeling met Zijn schepping ten aanzien van ons, mensen, en met Gods waardebepaling van de mens. En Hij is het ook ten volle eens met het werk van de Vader door de Zoon, die Zijn leven gaf tot behoud èn tot vernieuwing.

Het betekent ook dat de Heilige Geest ons nooit de permissie zal geven om onze menselijke waarde voor God te verkleinen. Integendeel, Hij leert ons onszelf te zien met de ogen van God van God uit. En zo wordt, juist omdat God de Heilige Geest ons beheerst, Gods belang, Zijn liefdebelang bij ons, ons eigen belang. De Geest maakt ons eens met de wijze waarop God ons ziet.

Maar dat betekent dan ook verder dat die zelfde Geest ons het ware zondebesef bijbrengt. Ook daarmee wordt de hand niet gelicht. Vooral daarin niet, dat zonde altijd is: zonde tegen God! Hij is het die erdoor beledigd wordt, en die er verdriet over heeft. En Gods verdriet wordt door de Heilige Geest òns verdriet. Zo klopt in beide, in de hoge waardering van de mens èn in het ware zondebesef, hetzelfde leven, nl. het leven van Jezus Christus, de ware wijnstok.

Daarom kan geen tegenstelling bestaan tussen beide. De hoge relatie tussen God en mens maakt de zonde tegen de God van die relatie zo ernstig. Hoe onbegrijpelijk hoog God de mens schat, blijft een blij wonder, boven alle verstand en begrip. Juist daarom blijft de zonde een donker, eveneens onbegrijpelijk raadsel, tegenover deze God. Het één zit aan het ander vast.

Dit heeft consequenties voor het pastoraat. De genoemde samenhang van zelfwaardering en zondebesef kan niet worden verstaan zonder het geloof, dat ons immers confronteert met God en Zijn Woord. Wie deze consequentie niet kent, zal hier onbegrijpend tegen aankijken. Voor een psycholoog is het in dit verband van groot belang dat hij, behalve natuurlijk vakbekwaam, ook gelovig is.

Voor de kerkelijke pastor is het van belang, dat hij hier goed onderscheiden kan tussen bijkomende factoren, zoals karaktereigenschappen, opvoeding, ligging en dergelijke. Hij moet met het Evangelie desnoods door al deze dingen heen kunnen breken.

En wat verder deze bijkomende factoren betreft: ze zijn er alle, maar de Bijbel noemt er slechts één heel expres: ”Indien gij niet wordt gelijk de kinderkens…”

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.