+ Meer informatie

OPENINGSWOORD AMBTSDRAGERSCONFERENTIE 3 APRIL 1982 IN DE ICHTHUSKERK TE AMERSFOORT

4 minuten leestijd

Geachte broeders,

Verheugend en tegelijk geruststellend vind ik het dat deze conferentie, waarop wij met elkaar willen nadenken over de wijze waarop de kerk van vroeger eeuwen de in de Heilige Schrift vervatte geloofswaarheden heeft verwoord, valt in wat wij de lijdenstijd noemen. Verheugend omdat het èn in de Heilige Schrift en in het spreken van de kerk in haar belijdenis, als het aankomt op het lijden en sterven van onze Here Jezus, om het meest centrale van het christelijk geloof gaat. Om datgene, waarvan wij kunnen zeggen: als dat er niet was geweest al het andere er ook niet geweest zou zijn.

Wij bevinden ons bijna aan het einde van de periode waarin de lijdensgang van de Heiland der wereld op bijzondere wijze voorwerp van onze overdenking is en waarin wij ons, in eerbiedige distantie, verbazen over het niet te vatten wonder dat God in deze weg tussen Hem en mensen en tussen mensen onderling verzoening heeft bewerkstel-ligd.

Behalve verheugend vind ik het ook geruststellend en wel in deze zin dat wij, gekomen uit allerlei richtingen, allerlei geestelijke liggingen vertegenwoordigend, behept met uit-eenlopende inzichten en opvattingen, toegerust met verschillende geestelijke verwor-venheden en denkend vanuit gevarieerde invalshoeken, één ding onmiskenbaar gemeen-schappelijk hebben, namelijk dit dat ons aller leven alleen dàn echt leven is wanneer het geheiligd is door dat ene offer waarop onze harten en Zinnen zich in deze weken bijzonder richten.

Ik acht het passend u en mijzelf aan het begin van deze conferentie, waarop over de oude geloofswaarheden ongetwijfeld gespierde taal zal worden gesproken en waarop best eens zou kunnen blijken dat deze gedachten niet op alle punten parallel lopen, de vraag voor te houden of het geloof in het kruis der verzoening in ons leven, uit genade, werkelijk een integrerende plaats inneemt. Wanneer deze vraag u zou verwonderen en door u zou worden aangemerkt als een zaak die eerder in de prediking van morgen-ochtend dan in het openingswoord van deze conferentie thuishoort, dan kan ik dat enerzijds zeer wel begrijpen. Anderzijds denk ik dat het zonder die vraag vandaag niet kan. Wie over geloofsgeheimen als waarover wij vandaag willen nadenken spreekt, zonder dat die geheimen in de weg van intensieve overweging, verwondering en aanbidding echt geestelijk eigendom zijn geworden, die zal in de gedachtenwisseling van vandaag niet echt vruchtbaar kunnen participeren. Zou van ambtsdragers kunnen gelden dat die geloofsgeheimen hun vreemd zijn? Ik laat het graag aan u zelf over die vraag van een antwoord te voorzien. Wel Staat vast dat ons als kerk en als ambtsdragers van die kerk voortdurend het gevaar bedreigt van de vanzelfsprekendheid waarmee wij met geloofs-zaken omgaan. Dat gevaar kan levensgevaarli jke vormen aannemen wanneer we als ambtsdragers op een routine-matige manier met de dingen van geloof en leven omgaan.

Ik vermoed dat we elkaar over de klassieke belijdenisgeschriften in deze conferentie heel wat te zeggen zullen hebben. Er zullen rechtzinnige dingen worden gezegd en wel-licht ook geluiden worden gehoord die een verminderde binding aan deze belijdenisgeschriften doen vermoeden.

Op voorhand wil ik graag twee dingen opmerken. Wanneer vandaag fundamentele af-wijkingen van de rechte leer der kerk aan de oppervlakte zouden komen, laat ons dan in ware christelijke broederschap openstaan voor correctie. Anderzijds wil ik de nood-zaak benadrukken van behoedzaamheid en bescheidenheid. In zaken van geloof en leven is er veel dat gezien in het licht van Gods Woord onwrikbaar vaststaat. Maar er is ook niet weinig waarvan wij moeten vermoeden dat het straks, als wij niet meer in raadsels maar van aangezicht tot aangezicht zullen mogen zien, anders zal blijken te zijn dan de voorstelling die wij er hier op nahielden.

Ons uitgangspunt voor het gesprek van deze dag kiezen wij in de lofzegging aan Hern, die ons liefheeft, en die wij liefhebben zonder Hern gezien te hebben, die ons uit onze zonden verlost heeft door Zijn bloed - en Hij heeft ons tot een koninkrijk, tot priesters voor Zijn God en Vader gemaakt - Hem zij de heerlijkheid en de kracht tot in alle eeuwigheden.

In de overweging van Christus’ lijden en sterven voor ons nodig ik u uit deze lof ook zelf in de mond te nemen met de woorden van het oude gezang:

Halleluja! Lof zij het Lam!
Die onze zonden op zich nam!
Wiens bloed ons heeft geheiligd!
Die dood geweest is, en Hij leeft!
Die ’t volk, dat Hij ontzondigd heeft,
in eeuwigheid beveiligt.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.