+ Meer informatie

UIT DE KERKELIJKE PERS

7 minuten leestijd

In het Gereformeerd Weekblad (Bout) troffen wij een bijdrage aan van ds. H. Visser te Katwijk. Hij schreef over de plaats van het Woord in het geloofsleven. Het laatste gedeelte gaat over invallende teksten of waarheden en het verschil tussen voorkomende en indalende waarheid.

„Waar het omgaat is dat wij leven uit de bron en niet bij losse invallende teksten of waarheden. Om het ontmoeten van Christus als de Bruidegom onzer ziel en deze ontmoeting geschiedt in onze verlorenheid. Om een vaste gang in het Woord. Want soms als ge van al de belevenissen op de hoogte gehouden wordt, dan vraagt men zich toch wel af: waar blijft Jezus?

Soms maakt men ook verschil tussen een voorkomende en een indalende waarheid. Een voorkomende waarheid is dan van minder betekenis dan een inkomende. Een voorkomende waarheid is een woord dat ons even te binnen schiet, maar het laat niets na. Als een vogel die over het water scheert en er trekt een flauwe rimpeling over het water als hij het oppervlak even met zijn vleugels raakt. Een inkomende waarheid grijpt dan de mens aan tot in zijn diepste wezen, het laat wat na, het is een spreken Gods waaraan niet te twijfelen valt.

Ik kan me in deze onderscheiding wel vinden, maar ik zou me ook kunnen voorstellen dat iemand uit zekere voorzichtigheid dit krijgen van woorden meer aanduidt als het vóórkomen van een waarheid, dan als „ik kreeg met kracht".

Gods Woord gaat toch wel met kracht gepaard, ook al zeggen wij het er niet bij. De normale voeding des geloofs is nog steeds de bediening des Woords en al wat daarbij hoort. Het beste tegenwicht tegen allerlei uitwassen blijft nog altijd de levende bediening des Woords.

Dit woorden krijgen in de prediking moet bij een gezond geestelijk leven regel zijn, naar luid van de eis en belofte des Heeren. Het krijgen van woorden en het nemen van woorden is geen tegenstelling in het geloof. En het echte nemen des geloofs is geen stelen, want het is slechts aannemen wat van Boven gegeven is. Van rustdag tot rustdag verkeren in het Huis en onder het Woord des Heeren dat maakt bijbelse christenen, die zich niet laten drijven op een enkele tekst, maar zich laten leiden door het Woord.

Hoort aandachtelijk naar Mij en uw ziel zal leven.

Wanneer wij deze stroom voorbijgaan en wil leven van het woorden krijgen alleen, is 't geestelijk leven wel zeer arm geworden en zijn we op een dwaalweg. Wanneer men dan bovendien nog het beekje afdamt van de stroom en zich onttrekt aan de geregelde Woordbediening en zich met het meenemen van anderen terugtrekt in een geestelijk gettho, dan is het water weldra troebel, een modderpoel gelijk.

„Mijn geliefden, wacht u hiervoor. Want het geloof in zijn eigen natuur een vaste grond zijnde, rust ook op de vaste grond van Gods onfeilbaar Woord" (A. Comrie)."

In De Wachter Sions, het weekblad der Gereformeerde Gemeenten in Nederland kwamen we onder het kopje „zeer opmerkelijk" het volgende tegen:

„Wat vele jaren geleden door een dienstknecht Gods, die nu reeds juicht voor de troon, is voorzegd, zien we in onze dagen in vervulling gaan. Zelfs mannen van naam vrezen met grote vreze en spreken die ook openlijk uit. Zo lazen we op de voorpagina van „Elseviers Weekblad" van 28 maart jl.: „Nederland zou een sociaal paradijs worden. Het werd een economische puinhoop. Het geld is op. Het aardgas raakt op. De werkloosheid stijgt. Het nationaal inkomen daalt. De koopkracht neemt af. De collectieve lasten nemen toe. De collectieve voorzieningen nemen af. De sociale premies stijgen. De sociale uitkeringen dalen. De consumptie stagneert. De produktie' daalt. Het bedrijfsleven maakt nauwelijks winst meer. Geen winst, geen investeringen. Geen investeringen, geen werk. Alleen schulden en toenemende tekorten; bij het rijk, bij de provincies, bij de gemeenten, bij de bedrijven, bij particulieren, op de betalingsbalans".

Laten we nu eens zien, wat ds. Kersten kort na de oorlog reeds heeft zien aankomen. We lezen op bladzijde 454 van zijn catechismus het volgende: „Soms zoudt ge u af moeten vragen: Wat moet er van de wereld worden? Ik zie dagen van armoede komen. Laten wij ons wachten voor weelderigheid. Reeds is er een zware druk op ons, reeds is er duurte van levensbehoeften. Velen zeggen: waar moet ik straks van leven? Mijn geld is op. Maar ik zie het daartoe komen, dat deze druk steeds zwaarder worden zal en dat wij gebukt gaan onder ons belastingstelsel. Straks kunnen vrij de helft van onze verdiensten wegbrengen voor sociale lasten en verplichte verzekeringen. Welke bedrijven zullen dat kunnen opbrengen? Vraag het eens aan de middenstand; vraag het de winkeliers, hoe zij aan hun bedrijfskapitaal komen en hoeveel zij overgehouden hebben, wanneer zij zich van hun belastingplicht gekweten hebben. Zij zullen het u zeggen, dat zij zich niet meer roeren kunnen. Nederland gaat zijn eigen graf graven en zal straks in zwarte armoede gedompeld worden. Waar ligt de oorzaak? In de zonde. Onze zonden zijn de oorzaak waarom de hand des Heeren tegen ons is".

Nederland is dus niet ongewaarschuwd gebleven. Het sociale paradijs werd gebouwd en het kon niet op. Maar de problemen groeien nu de leidslieden ook ver boven het hoofd. Wat zal er voor verwachting zijn, want er is ook een voortgaan in de zonden en in de wereldse ijdelheden. De oordelen kunnen niet uitblijven, als de maat der zonde wordt volgemaakt. We mogen wel met ds. Kersten zuchten: wat moet er van Nederland worden? De Heere mocht zich nog over ons en onze kinderen ontfermen en ons doen opmerken, eer het te laat is."

Ds. M. Groenenberg was een van de medewerkers van het gedenkboek van de Gereformeerde Bond „Beproefde Trouw". Hoe hij aankijkt tegen de viering van het vijfenzeventigjarig bestaan van de Gereformeerde Bond is te lezen in de rubriek „groen bekeken" uit Hervormd Nederland. Wij citeren het laatste gedeelte van zijn stukje dat als opschrift draagt: Minderwaardig.

„Maar nu toch nog iets wat ik met het woord „minderwaardig" op het oog had. Daarmee doelde ik niet op methodes, waarmee men elkaar binnen de kerk bestrijdt, al kunnen die niet altijd door de kerkelijke en bijbelse beugel. Nee, ik doelde op iets wat me wel vaker met enige verwondering vervulde, wanneer ik naar de Bond keek. Ik bedoel: het gebrek aan dankbaarheid. Ik kan me natuurlijk onmiddellijk in de theologie storten en er aan herinneren dat de catechismus verdeeld is in drie „stukken": ellende, verlossing en dankbaarheid, waarbij we tenslotte moeten bedenken dat we daaraan het minst toekomen: de dankbaarheid. En dat is natuurlijk zo. Maar telkens denk ik: waarom zeggen ze nu niet dat ze ergens dankbaar of blij of wat dan ook mee zijn? Waarom wel onmiddellijk klagen en het gevoel geven: we worden tekort gedaan! Het is weer eens niks! Ik denk er aan dat indertijd ds. Poot bij Kerk en Wereld werd benoemd, dan kun je zeggen: niks meer dan billijk! En dat is dan wel zo, maar ik had het gewoon leuk gevonden, ook voor ds. Poot, als daar eens stevig en vreugdevol over was geschreven. En toen ds. Gerssen na een spannende stemming toch nog was benoemd tot secretaris voor de Raad voor de verhouding van kerk en Israël. Is het mij ontgaan of was er toen een groot vertoon van dankbaarheid? Of toen ds. Spilt praeses van de synode werd. Of iemand uit die kring tot assessor werd gekozen, een toch niet onbelangrijke positie. Nee, geen applaus. Nooit applaus. Of ben ik toch te weinig ingeleefd in het levensgevoel van deze gereformeerde gezindte, dat ik niet weet: het is nu eenmaal een volk zonder applaus."

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.