+ Meer informatie

TER OVERWEGING

14 minuten leestijd

Dr. J. Wesseling, De Afscheiding van 1834 in Overijssel. Deel 1 De classis Zwolle. Uitg. De Vuurbaak b.v., Groningen.

Dit deel is het zevende in de serie die dr. Wesseling schijft over de Afscheiding van 1834. De eerste drie handelen over de Afscheiding in Groningen, het tweede drietal over de Afscheiding in Friesland. Nu is blijkbaar Overijssel aan de beurt. De schrijver die uit de archieven enz. veel interessant materiaal wist op te diepen, waardoor zijn studies boeiend en waardevol worden, houdt zich in dit deel bezig met de Afscheiding in noordwestelijk Overijssel en volgt de geschiedenis van de afgescheiden kerken en kruisgemeenten enz. tot omstreeks 1869. Achtereenvolgens komen Kampen, Mastenbroek, Genemuiden, Zwartsluis, Hasselt, Zalk, Rouveen, Staphorst, Steenwijk, Wanneperveen-Dinxterveen, Ambt-Vollenhove en Blokzijl aan de beurt. Ongetwijfeld zullen er lezers van ons blad zijn die onder de namen die de revue passeren, die van hun voorouders ontdekken. Is de geschiedenis van de kerk in de 19e eeuw op zich zelf al boeiend, die van de Afscheiding mogelijk nog meer. En zeker in het nu beschreven gebied. Alle deugden en ondeugden, alle zegeningen en zonden van de afgescheidenen schijnen in dat gebied wel hun brandpunt gehad te hebben! Hoe fel verbeten, niets ontziend kon men tegenover elkaar staan. Elkaar geestelijk af te schrijven en kerkelijk af te zetten, men draaide z’n hand er niet voor om als het in eigen geestelijke en kerkelijke kraam van pas kwam. En hoe vaak ging het nièt om wézenlijke zaken, maar om bijkomstigheden, uiterlijkheden - waarmee zo vaak de „poorten der hel” de gemeente proberen te overweldigen, omdat ze immers van de hoofdzaak weglokken. Er is in anderhalve eeuw nog niet zo heel veel veranderd! Dat te constateren kan een weliswaar schrale troost betekenen. Leerzaam is het in elk geval wel! Maar de geweldige jagers voor het aangezicht des Heren, toen en nu, laten zich er niet door leren, laat staan bekeren. Ook al deponeren ze vandaag de dag geen mestbulten voor de kerkdeur (blz. 89 - Genemuiden!), zich onttrekken aan de financiële verplichtingen (blz. 90) is nog een beproefd chantagemiddel! Hoe menselijk is het allemaal! Boeiend, maar ook om eronder kapot te gaan! Niet geregistreerd staan wie er allemaal onder door gingen (en gaan!). Laten we als ambtsdragers boeken als deze op ons inwerken, we zullen hopelijk wat meer inzicht en geduld in het heden krijgen, moed en vertrouwen dat de Here Zijn gemeente draagt ook door dieptepunten heen en Zijn Geest laat werken dwars door al dat menselijke gedoe heen. Dr. Wesseling vertelt ervan op een wijze die naar ’t mij voorkomt, gemoedelijker is dan in de voorgaande delen, maar niet minder indringend en vooral informerend. Bij het lezen komt het heden dan onwillekeurig op je af. Al was het alleen al om te ontdekken dat het woord „krans”, dat althans een veertig jaar geleden in Apeldoorn een „begrip” onder hoogleraren en studenten was, kennelijk uit Kampen stamt en toch wel ergens te maken heeft met theekrans en overeenkomstige samenstellingen van het woord „krans” (blz. 36). Graag aanbevolen!

Joh. de Haas, Gedenkt uw voorgangers. Deel I Abels-Zweedijk (1834-1880). Deel II Aalders-Zijlstra (1880-1915). Deel III Akkerhuis-Zijp (1915-1945). Uitg. Vijlbrief, Haarlem. Prijs per deel f. 20,-.

Men moet diep respect hebben voor het geduld en de toewijding van deze auteur die momenteel in Canada woont (bij Vancouver), om al de gegevens bijeen te brengen die nodig waren voor het schrijven van deze drie boeken over de voorgangers die de kerken voortgekomen uit de Afscheiding en Doleantie gediend hebben, voorzover deze voorgangers voor 1 januari 1946 overleden zijn. Meestal wordt verwezen naar literatuur waaraan de biografische gegevens zijn ontleend. Waarom dat niet altijd gebeurt, is niet duidelijk. Wat de chr. geref. predikanten enz. na 1892 betreft, ontbreekt er vrijwel niemand. Alleen M.E. de Koningh die de kerken van Onstwedde en Emmercompascuum naar artikel 3 K.O. diende, wordt niet genoemd. Viel zijn sterfdatum na de limiet die de schrijver zich stelde? Waarom hij de datum van 1 januari 1946 koos? Misschien omdat hij in 1947 emigreerde? Trouwens, het is ook niet duidelijk waarom 1880 en 1915 gekozen zijn voor de begrenzing van de drie delen onderling. In elk geval lijken de sterfdata déér geen rol te spelen. Daardoor is het wel eens gissen in welk deel iemand wordt beschreven. Zou er ooit een vierde deel uitkomen dat het „gedenken” prolongeert tot bijv. 1984 - totaal dan een periode van anderhalve eeuw - dan zou een naamregister niet ondienstig zijn. Tevens zou dan naar andere plaatsen in deze boeken verwezen kunnen worden, waar iets over iemand wordt weergegeven dat onder de betrokken naam zelf niet te vinden is. Het is natuurlijk onmogelijk alle gegevens op de juistheid te controleren. Soms is enige completering mogelijk: bijv. dat H. van der Zanden ook aan onze Theologische School heeft gestudeerd (deel III blz. 336); dat A. Koekoek ook van 1903–1915 de kerk van Nieuweroord als oefenaar diende (III, 133); dat ds. M. Koomans een prekenbundel heeft uitgegeven, waarvan zelfs een tweede druk verscheen (III, 139) - zo is er nog wel het een en ander te noemen. Soms is de weergave onjuist: bijv. ten aanzien van ds. G.J. Bloemendaal (II, 39). Deze overleed niet in 1914 te Doesburg nadat hij een beroep had aangenomen naar de Belgische Zendingskerk, vóór hij „daarheen kon gaan”, maar blijkens een In Memoriam en een overlijdensadvertentie in De Wekker van 11 februari 1916 in 1915 te Clear-Lake nadat hem door de Presb. Kerk van Amerika emeritaat was verleend; de kerk van Doesburg diende hij van 1905 tot 1914 (de classis Apeldoorn had hem geen emeritaat verleend toen hij meedeelde dat hij naar de Presb. Kerk zou vertrekken, maar alleen een „getuigschrift van goed gedrag” meegegeven). Of hij in 1877 predikant is geworden (nl. in de Presb. Kerk)? Het genoemde In Memoriam gewaagt van „ruim dertig jaar” „in den wijngaard des Heeren gearbeid”, wat kan betekenen dat hij omstreeks 1884/5 predikant is geworden. Ook al kunnen dergelijke onjuistheden natuurlijk vaker voorkomen, dat over het algemeen de indruk wordt gewekt van nauwkeurige weergave - vaak in bewoordingen van tijdgenoten - maakt deze boeken tot een naslagwerk zeer welkom voor ieder die iets wil weten van hen die de genoemde kerken dienden. Moge er een vierde deel komen mèt register om ook hen te gedenken die ná 1946 heengingen!

Dr. R. Kranenborg, Een nieuw licht op de kerk? Bijdragen van nieuwe religieuze bewegingen voor de kerk vandaag. 254 blz., f. 29,90. Uitg. Boekencentrum, ’s-Gravenhage. De schrijver heeft reeds verscheidene boeken over dit onderwerp op zijn naam staan. Dit boek is, als ik het vergelijk met zijn in 1982 verschenen „Oosterse geloofsbewegingen in het westen”, meer omvangrijk. Ik heb de indruk dat dit boek behalve een uitbreiding ook, voor een deel, een herziening van zijn standpunt is. Ik meen dat de schrijver aan het slot van het boek hierop ook zinspeelt.

Jezus wordt hier voorgesteld als de unieke guru. Deze benaming wijst behalve op het verschil, ook op de overeenkomst van Jezus met andere religieuze leiders. Dat is kenmerkend voor schrijvers standpunt. God is ook in de sekten aan het werk. Zo duidelijk heeft de schrijver dat eerder nog niet gezegd. Op de slotbladzijde gaat het erom dat in de sekten (bij voorkeur religieuze bewegingen genoemd) iets terecht komt van dienst, echte gemeenschap, echte gerechtigheid, van barmhartigheid en van vrede. Als deze verdwijnen ontstaat er een mentaliteit die haaks staat op het Evangelie. Hier zit het wezenlijke punt van gevaar, volgens de schrijver. En kruis en opstanding dan? Ik zie in dit boek een toenadering tot religieuze bewegingen naar analogie van wat prof. D.C. Mulder schrijft over de verhouding van christelijk geloof en andere godsdiensten.

De schrijver maakt duidelijk op welk punt de kerk van de bewegingen kan leren. Het omgekeerde komt nauwelijks aan de orde, al wordt het unieke van Jezus als feit wel genoemd.

Er zit veel informatie in dit boek. Doch die gaf de schrijver voor een groot deel reeds eerder! De kerk staat blijkens de kleurentekening op de voorkant, meer onder invloed van de religieuze bewegingen dan omgekeerd. Dat lijkt mij met schrijvers standpunt overeen te stemmen. Een instructief boek, dat men toch met gemengde gevoelens uitleest.

Drs. W. Bakker e.a., De Afscheiding van 1834 en haar geschiedenis. 272 blz. Uitg. Kok, Kampen 1984. Prijs f. 45,-.

Dit boek is in fors formaat en in mooie blauwe band uitgegeven. Het is niet de enige publikatie die in 1984 bij Kok over de Afscheiding verscheen. Het is wel, als ik het goed zie, het breedst georiënteerde. Kerkhistorici van professie werkten eraan mee: Aart de Groot schreef over het vroeg negentiende-eeuwse Nederland. J. de Vree behandelt De Nederlandse Hervormde Kerk in de jaren voor de Afscheiding. P.N. Holtrop: De Afscheiding, breekpunt en kristallisatiepunt. J. van Gelderen: Scheuring en Vereniging 1837 - 1869. W. van ’t Spijker: Theologie en spiritualiteit van de afgestudeerden. O.J. de Jong: Hervormde reacties op de Afscheiding. De hoogleraar in de sociaal-economische geschiedenis W.J. Wieringa: De Afscheiding en de Nederlandse samenleving. Daarnaast een lijst van de belangrijkste literatuur over het thema. Noten en een (personen)register. Tal van foto’s en reprodukties van titelbladen „verluchten” het boek. Uit het overzicht van de inhoud blijkt dat theologen van onderscheiden kerken hebben meegewerkt. Dat komt aan de breedheid ten goede. De betrokkenheid lijdt er onder. Het hoofdstuk van De Vree, bijvoorbeeld, concludeert dat de Groninger richting, het Reveil en de Afscheiding, alle drie onderdelen zijn van een grote beweging in de Hervormde Kerk. Een vertekening naar het mij voorkomt van de bedoeling zowel van de Afscheiding als van de Groninger richting. Een opmerking over het sociaal conflict, dat zich zo diep ingroef in de beleving en het leven der mensen, dat religieuze lagen raakte, opwoelde en in beweging bracht (blz. 82; Holtrop) lijkt mij een miskenning van wat De Cock en de zijnen bewoog.

De tegenstelling De Cock en Scholte gaat dieper dan die van conservatief-restauratief en een open creatief vermogen (Holtrop, blz. 86).

Deden de afgescheidenen aan burgerlijke ongehoorzaamheid, zoals Van Gelderen op bladzijde 111 stelt? Er was een sociaal-maatschappelijke kloof tussen Reveil en Afscheiding (blz. 193). Doch Van ’t Spijker maakt duidelijk dat de visie op kerk en confessie tussen beide stond. Het opstel van Van ’t Spijker vind ik het beste. Toch is zijn lezing op het symposium (intussen ook gepubliceerd) strakker van opbouw. Net of hij daar meer greep op de stof heeft.

Onwillekeurig vergelijkt men deze bundel met die van de vrijgemaakten (ook in ons blad besproken). In deze laatste bundel zit meer verwantschap. Er is soms innerlijke tegenspraak tussen de artikelen. Toch een bundel die duidelijk bij het geheel van de literatuur ter herdenking van de Afscheiding in 1984 behoort.

Dr. J. van Bruggen, Ambten in de apostolische Kerk. Een exegetisch mozaïk. 191 blz., f. 29,50. Uitg. Kok, Kampen 1984.

Het is niet zonder reden dat in de ondertitel de term mozaïk gebruikt wordt. De afbeelding op de voorkant vertoont een mozaïk. Belangrijker nog is het feit dat dit boek bestaat uit hoofdstukken die elk voor zich of samen (3 en 4; 5 en 6) gelezen kunnen worden.

De thema’s zijn: Apostelen en de twaalf (1); De taak van „de zeven” (2); Oudsten in Jeruzalem (3); Oudsten in iedere plaats (4); Diakonessen op het spoor van de diakenen (5); Weduwen in ere (6); Gaven in de gemeente (7); Mozaïk-meditatie (8).

Het is een boek dat getuigt van belezenheid, van oorspronkelijk denken, van het gaan van eigen wegen, met de afwijzing van traditionele paden. Dat blijkt reeds daaruit, dat schrijver meent dat mannen en vrouwen diakenen kunnen zijn, zonder dat dit een ambt is als van predikanten en ouderlingen. Terugplaatsing van de mannelijke diakenen en naar voren halen van de vrouw als diaken beoogt de schrijver.

Handelingen 6 zou niets met het diakenambt te maken hebben. Er zijn 70 apostelen geweest en niet maar 12.

Juist deze resultaten roepen bij mij nogal wat vragen op. Heeft 1 Corinthe 9: 1 voor het apostelambt niet iets specifieks te zeggen? Kan men het diaconaat als ambt laten vallen? Is het niet veel breder verworteld in de ambtsgedachte van het Nieuwe Testament? Is de inzet van Handelingen 6 toch niet specifiek diaconaal? Heeft Marcus 16:17 geen wijdere strekking dan de eerste jaren van de kerk? Deze vraag is te klemmender als men let op het moment waarop de woorden gesproken zijn.

Het is hier niet de plaats om dit alles uit te werken. Het boek lijkt mij voor predikanten waardevol ter kritische overweging (op blz. 187 wordt ingehaakt op een discussie binnen onze kerk over de ambten open voor de vrouwen). Het boek vraagt om een uitgewerkte en weloverwogen ambtsleer. Is het verantwoord over dit onderwerp als in mozaïk te schrijven? Niettemin zit er veel stof tot nadenken en discussie in.

Tekst en toelichting: Een praktische bijbelverklaring. Dr. L. van Hartingsveld, Openbaring. 132 blz., f. 22,50. Dr. A. van Selms, Job. 210 blz., f. 29,50. Dr. J.A. Loader, Prediker. 154 blz., f. 23,50. Dr. LA. Snijders, Spreuken. 196 blz., f. 28,50.

Alle vier Uitg. Kok, Kampen 1984.

Dit is een nieuwe bijbelverklaring. Zij is bedoeld om gebruikt te kunnen worden in de plaats van de bekende „Korte Verklaring”. Zoals bekend hebben vrijwel alle delen van die verklaring herdrukken beleefd. De uitgever wil hetzelfde doel vasthouden, maar een andere weg bewandelen. Kortere, toelichtende tekst, meer toegespitst naar de bedoeling en de boodschap van de bijbelschrijvers, met minder verantwoording over de keuzen die de uitleggers moesten maken.

Opvallend is de opzet: Inleiding aan het begin, een slotbeschrijving of epiloog aan het eind (niet overal). Daarnaast een heldere indeling van de stof, die soms gelijk is aan de hoofdstukindeling van het bijbelboek. Zo’n eenheid heeft een eigen titel, met trefzeker geformuleerde ondertitels, die de onderverdeling binnen de hoofdstukken weergeven. Door deze heldere indeling kan men snel de weg in de toelichting vinden.

Het is uiteraard onmogelijk deze vier delen in details te bespreken. De verklaring van Openbaring munt uit door vermelding van teksten uit Oude en Nieuwe Testament (met een register van aangehaalde teksten achterin). Hier en daar verrassende inzichten. Soms ook verwarrend. Johannes zou zich vergist hebben, doordat hij de wederkomst van Jezus in verband zag met gebeurtenissen uit zijn eigen tijd. Een verklaring, die wel eerder gegeven werd, maar geen recht doet aan Johannes als instrument van de Geest. Ook de uitleg van de 144.000 als „de besten van de militia Christi” voldoet mij niet.

Prof. Selms (overleden nog voor de verschijning van dit boek) heeft ook in de serie de „Prediking van het Oude Testament” (Callenbach Nijkerk) het commentaar op Job geschreven. Het is duidelijk dat de tweedelige uitgave bij Callenbach de wetenschappelijke basis voor deze toelichting is. Toch is de opzet van dit commentaar volstrekt anders. De hoofdfiguur van het betreffende hoofdstuk wordt telkens sprekend (in de eerste persoon) ingevoerd. Ik heb de indruk dat de schrijver Job zich tot vlak voor het einde van het boek ziet rechtvaardigen. Zie vooral de toelichting op de bekende verzen 19: 25 en ook op 16:19. Ikgeloof dat hier bij Job een andere dimensie in het geding doordringt.

De verklaring van Prediker heeft mij niet alleen teleurgesteld maar ook met tegenzin vervuld. Het is eigenlijk het ongeloofsboek in de Bijbel. Het laat zien waartoe een mens zonder Christus komt.

Predikers argumentatie wordt meer dan eens niet meer steekhoudend genoemd. Wie op het laatste vers wijst, om toch nog iets van de vreze des HEREN bij Prediker te vinden, krijgt ten antwoord dat het slot niet van de schrijver is; zelfs niet van de eerste bewerker, doch van de tweede bewerker die het met de kritiek op het oorpsronkelijke boek van de eerste bewerker niet eens was. Ik moet zeggen dat ik niet begrijp dat de redactie deze verklaring in de serie een plaats gegeven heeft. Technisch is het hier en daar verrassend, maar voor de visie op Prediker als Bijbelboek, en daarmee op de Bijbel zelf, is het fnuikend.

Meer waardering heb ik voor de toelichting op Spreuken. Men vindt er gemakkelijk zijn weg in. De opzet is, als van de hele serie, helder. Op verwantschap met Spreuken in Egypte wordt de nadruk gelegd, op de eigen verwerking wordt eveneens gewezen. Steeds wordt hedendaagse, niet strikt exegetische literatuur vermeld of daaruit geciteerd. Dat verhoogt de actualiteit, met een soms wat eenzijdige interpretatie. Wat mij betreft moeten toelichting en toepassing wel duidelijk onderscheiden blijven.

De totaalindruk is, dat van de resultaten van het moderne bijbelonderzoek soms in ruime mate, soms in mindere mate gebruik wordt gemaakt. Het gebeurt op een heldere manier, in tamelijk korte toelichting. Men weet snel wat de exegeet wil zeggen. Ik zou het veel waard gevonden hebben als de redactie (met name op het punt van het historisch-kritisch onderzoek) wat duidelijker lijnen (en beperkingen) had aangegeven. Als negatief voorbeeld wijs ik op Prediker. Nu is de afstand tot het standpunt van de schrijver van de Korte Verklaring soms wel erg groot.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.