+ Meer informatie

DE GEMEENSCHAP DER HEILIGEN

6 minuten leestijd

(2)

Maar dat wil niet zeggen dat er geen verwijdering kan ontstaan onder Gods kinderen, tot grote schade van het geestelijk leven.

Bij Job en zijn vrienden had dat plaats door elkander niet te verstaan in de zware geloofsbeproeving, waarin één hunner werd gesteld door de Heere. Maar al liep de weg van Job door de diepte van de duisternis heen, waarin de Heere Zich voor hem als verborgen hield, daar was en bleef evenwel in zijn hart een steunen op Gods trouw, zodat hij niet in de wanhoop is omgekomen. Dat deed Job uitroepen: „Doch Hij kent de weg die bij mij is; Hij beproeve mij, als goud zal ik uitkomen.”

Maar desniettemin werd Job door zijn vrienden in zijn oprechtheid verdacht. De onderhouding van de gemeenschap der heiligen kwam daarop te stuiten zodat het twistvuur steeds feller begon te branden. Het stond vast voor de vrienden dat een mens die zulke zware slagen door de Heere werd toegebracht, het kindschap miste. En wat hem door zijn vrienden werd aangedaan was wel het smartelijkste in zijn lijden. Het is erg genegeerd te worden, afgesneden te zijn van de gemeenschap der heiligen. Dat is krenkend voor het leven der genade.

„Want ik weet,” zegt Job, „mijn Verlosser leeft en Hij zal de laatste over het stof opstaan.” Het ruist door alles heen: „Ik ben de Alpha en de Omega, het begin en het einde, de eerste en de laatste.”

En toch werd het twistvuur steeds heter, maar Job hield zijn vrienden vast. Hij kan het werk Gods dat in hem verheerlijkt is, niet verloochenen. En de Heere bevestigde dat door de vrienden met brandoffers tot Job te zenden, opdat hij voor hen zou bidden. Zodat de brand werd geblust, de gevangenis geopend. En Job kwam er gelouterd uit tot beschaming van zijn vrienden. Doch gans anders was het met de twist tussen de herders van Abraham en Lot, die voor de onderhouding van de gemeenschap der heiligen schadelijk was. Een twist die door Lot, daar hij met Abraham was gekomen in het beloofde land, beëindigd had moeten worden. De Heere had het land niet Lot maar aan Abraham beloofd. Met weinig moeite had hij dan ook het twistvuur kunnen blussen. Maar hij wilde inplaats van de mindere, de meerdere zijn. Lot deed naar zijn overtuiging de allerbeste keus door de vlakte van de Jordaan te kiezen, die uit de aard der zaak wel de meest vruchtbare was. Daardoor kon hij zich niet meer met de innerlijke vlakte des geloofs geven aan Abraham tot onderhouding van de gemeenschap der heiligen. En dat terwijl de vader der gelovigen zich daarin kwam te verloochenen.

Toen Lot door Kedar-Laomer met al zijn bezittingen werd weggevoerd. heeft Abraham zodra hij daarvan kennis kreeg, zijn onderhorigen gewapend om hem te bevrijden uit die wrede hand. En op dat pad van broederliefde mocht Abraham toen Lot verlost was, Melchizedek ontmoeten tot onderhouding van de gemeenschap, waarvan wij tot op de dag van heden genieten tot onderwijzing in het Goddelijke verlossingsplan: „De Heere heeft gezworen, en het zal Hem niet berouwen: Gij zijt priester in eeuwigheid naar de ordening van Melchizedek.”

Eveneens hield Abraham Lot vast in het gebed als zijn boeder, toen hem door de Heere de verwoesting van Sodom en Gomorra werd aangekondigd. Bij het bidden om het behoud van de rechtvaardigen ging het ook om het behoud van Lot en zijn gezin.

Maar toen Abraham stond op het gebergte biddende tot behoud van Sodom, zag hij naar die plaats en de Heere wees die aan tot behoud van Lot.

Abraham stond hier als het ware op hem te wachten, opdat de onderhouding van de gemeenschap der heiligen hersteld zou mogen worden. Dat vond niet plaats daar het voor Lot bezwaarlijk was zich naar die hoogte te begeven. En zie, hij ging onder Gods toelating naar Zoar, waardoor zijn kinderen gekomen zijn in de duisternis van het heidendom.

De Heere wil dat we verlangen naar de onderhouding van de gemeenschap der heiligen, om „door het onderling geloof” vertroost te worden. Dat innig verlangen elkander in de Heere te mogen ontmoeten is een vrucht van het nieuwe leven. De Heere wil niet dat we als een eenzame mus op het dak zitten te kwijnen. Dat was voor Kleingeloof in al zijn verdriet nog een zoete vertroosting, een maaltijd voor zijn geestelijk leven, bij Gods kinderen te mogen verkeren en inzonderheid als er feestvreugde was door de blijken en bewijzen van Zijn trouw.

Door af te dwalen van de gemeenschap der heiligen komt men in onvruchtbare streken. Dat doet het hart steeds verder wegzinken in zorgeloosheid. En dat vervreemdt ons steeds meer van de Heere tot verachting in de genade. Blijft er bij ons weinig of geen tijd meer over voor geestelijke gesprekken, dan krijgt de wereld met haar begeerlijkheden steeds meer de overhand. En dat bedroeft de Heilige Geest; het is een uitblussen van Zijn vuur, een uitdoven van Zijn licht, een komen in de duisternis.

De gemeenschap der heiligen hebben we als een gouden kleinood grotelijks te waarderen. Het is een verborgen omgang met de Heere en Zijn volk, tot verheerlijking van Zijn Naam en tot versterking van het geloof. Maar die alleen veilig is in de hand des Heeren. Zelfs in het leven van Paulus werd het niet verhinderd, dat een kleine verwijdering ontaardde in verbittering. Er ontstond verwijdering toen Markus Paulus op een zendingsreis ontijdig ging verlaten om af te reizen naar Jeruzalem. En dat werd verbittering toen. Barnabas wilde dat niet hij, doch Markus met Paulus een nieuwe zendingsreis zou ondernemen. Met het gevolg, dat Barnabas Markus medenam en naar Cyprus afscheepte. „Maar Paulus verkoos Silas en reisde heen, der genade Gods van de broederen bevolen zijnde.”

Maar Gode zij dank, dat deze verbittering door verzoening in Christus is te niet gedaan. Uit 1 Corinthe 9 :6 en 2 Timotheus 4 : 11 blijkt dat Paulus in liefde streed voor de Naam en zaak des Heeren met Markus en Barnabas en door hem gewaardeerd werden.

Een oudvader heeft gezegd, als een paard een struikeling heeft gemaakt, dan gaat het met des te meer fierheid lopen. En dat geldt ook Gods kinderen op de weg van heiligmaking tot onderhouding van de gemeenschap der heiligen, met de voorzichtigheid van de rechtvaardigen. Het was Paulus wel tot droefheid, dat de broeders hem in zijn eerste verantwoording tegenover het gericht van de Keizer verlieten, maar dat gaf geen verwijdering. Dat blijkt ons uit 2 Tim. 4 : 16: „In mijn eerste verantwoording is niemand bij mij geweest, maar zij hebben mij allen verlaten. Het worde hun niet toegerekend.” In zelfverloochening mocht hij dat verdragen, met de bede dat het hun niet toegerekend mocht worden. En daarvan zegt Jacobus: „Ziet, wij houden hen gelukzalig die verdragen; gij hebt de verdraagzaamheid van Job gehoord, en gij hebt het einde des Heeren gezien, dat de Heere zeer barmhartig is en een Ontfermer.” Maar, „naardat de mens is, zo is zijn macht.”

De onderhouding van de gemeenschap der heiligen vereist zelfverloochening en verdraagzaamheid. Daarom kan het gaan op de weg van heiligmaking niet gemist. En het geheim daarvan is in dit woord: „als ik zwak ben dan ben ik machtig.”

Soest

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.