+ Meer informatie

Al weer een lege plaats

12 minuten leestijd

De ambtsdrager en de verwerking van rouw in de gemeente

Misschien is een opmerking van tevoren op haar plaats. De redactie verzocht mij om een artikel over rouwverwerking. Er zullen wel lezers van ons blad zijn, die op de vormingscursus van deze winter de lessen van prof.dr. W.H. Velema over dit onderwerp gevolgd hebben. Het artikel van vandaag bedoelt geen concurrentie; het mag ook wat meer op ambtsdragers gericht zijn; overigens zal er naar ik hoop het een en ander herkenbaar zijn.

Altijd actueel

Er zijn tijden in de gemeente, waarin het ene sterfgeval op het andere volgt. Daardoor kan voor een ambtsdrager de begeleiding van het ene gemeentelid wel eens door een volgend sterfgeval verdrongen worden. Dat kan bepaalde perioden van ons pastoraat wel eens extra zwaar maken.

Elk sterven in onze omgeving confronteert ons ook met de dag van onze eigen dood; met het ouder worden gebeurt dat in toenemende mate.

Geen sterven is ook zó erg als dàt sterven, dat in uw onmiddellijke nabijheid gebeurt; dat geldt uzelf; het geldt ook uw gemeenteleden. Bedenk maar het verschil tussen grote rampen ergens ver weg in de wereld, of een auto-ongeluk dat u in de krant leest, èn een sterven dat u zelf van heel nabij meemaakt.

Het ene sterven in de gemeente is tragischer dan het andere. Het ene sterven gaat u ook persoonlijk meer aan dan het andere.

Maar we bedenken steeds: ieder gemeentelid, dat van nabij rouw te verwerken krijgt, heeft behoefte aan bijstand vanuit de gemeente, met name vanuit de ambten, hoewel natuurlijk niet alleen daarvandaan. Als gemeentelid heeft iemand ook recht op die begeleiding: als één lid lijdt, lijden alle leden mee.

Mogelijk?

Velen van ons zullen zichzelf afvragen: Maar ben ik daartoe in staat? Heb ik voor mijzelf wel voldoende klaarheid? Gaat het niet boven mijn macht? Welke troost zou ik ook kunnen aandragen? Mensen zijn moeilijke vertroosters, zo zegt de Schrift al. Wat moet ik zeggen? Hoe vind ik de juiste woorden? Hoe vind ik ook de juiste houding?

En verwachten gemeenteleden niet veel te veel van mij? Kan ik nu meevoelen met wat er in hen omgaat? Kan ik Schriftwoorden vinden? Kan ik woorden van gebed vinden? Ik zou haast niet weten wat ik moet zeggen en niet moet zeggen. En als men mij de vragen van het „waarom” stelt, wat moet ik dàn zeggen?

Komen ook niet juist bij het sterven de vragen van eeuwig wel of eeuwig wee dubbel ernstig naar voren? Zal men ontvankelijk zijn? Of blijft het bij enkele indrukken en gaat het leven daarna weer verder?

Loop ik ook niet het gevaar van ambtelijke afstomping? Heb ik mijzelf misschien een aantal zinswendingen aangeleerd en moet de routine van gewijde woorden mij te hulp komen?

Verheldering

Het is nodig dat we voor onszelf wat helderheid krijgen in de moeilijke dingen die ons bezighouden. Hoewel ik hier niet een psychologisch verhaal kan en mag houden, is het toch erg nuttig om iets van de psychologie van het beleven van ziekte en verlies te leren en in ons hoofd en hart te houden.

In de vormingscursus, die ik hierboven noemde, geeft dr. W.H. Velema het proces aan, dat in de godsdienstpsychologie wel getekend wordt van een ernstig zieke die met de dood geconfronteerd wordt: het begint met dat te ontkennen, daarna ontstaat woede, vervolgens een marchanderen, gevolgd door een periode van depressie. Pas daarna ontstaat de aanvaarding. Dr. Velema geeft in aansluiting daaraan de volgende variatie: de realiteit niet onder ogen willen zien - aan anderen de schuld geven - met eigen schuld niet klaar kunnen komen - het leven niet kunnen loslaten - gelovige overgave. We zien, dat daarmee de verwerking voor Gods aangezicht onder woorden is gebracht.

In een rouwproces vallen gelijke stadia aan te wijzen. Natuurlijk is het maar een schema, maar we kunnen er toch veel aan hebben om hieraan te denken.

Zelf zou ik, denkend aan mijn ervaring, op het volgende willen wijzen. Dikwijls is de eerste reactie op het bericht van een sterven, zeker als het onverwacht komt, die van een ontkenning. Het kan niet waar zijn. Daarop ontstaat bij de één een toestand van verslagenheid, die bijna tot een verdoving en ontreddering kan leiden. Lichaam en geest lijken verlamd. Bij de ander komt een vreemde doortastendheid, haast een onnatuurlijke kalmte. Er moet gehandeld worden en veel geregeld. Het kan ook na elkaar plaatsvinden. Bij een slopende ziekte gaan we schuldigen zoeken, bij een ongeval gaan we de schuldvraag stellen. En meestal gaat degene, wie de rouw treft, de schuld bij zichzelf zoeken. Hoe had ik het anders moeten doen? En wat ben ik te kort geschoten. Of anderen mij al opbeuren, dat helpt niet. Het moet wel gebeuren, het doet ook wel goed, maar het helpt niet.

Als alles voorbij is, komt er een grote leegte. Er komt een vreemde tegenstelling in het leven: behoefte om alleen te zijn en behoefte aan bezoek. Het is er alle twee: het ene bezoek staat tegen, naar het andere bezoek wordt gesnakt. En dan komt er een lange periode van toenemend verdriet. Terwijl onverstandige omstanders denken of zeggen: Is het nu nog niet een beetje over?, moet integendeel gezegd worden, dat de eenzaamheid extra pijn doet. Voor de anderen is de wereld en de tijd verder gegaan; wie rouw verwerken moet, is in zekere zin stil blijven staan. Door Gods genade mag dan de aanvaarding wel komen, maar het verdriet blijft en het doet vaak schrijnend zeer. En het litteken blijft in het leven altijd zichtbaar, en vaak bij tijden voelbaar. Natuurlijk stel ik mij bij dit alles een èrg verdriet voor: een levensgezel(lin), een kind, iemand die we zó liefhadden en voor ons gevoel niet missen konden, een vriend die in ons leven zóveel betekende. En hoeveel, dat gaan we pas beseffen als hij of zij er niet meer is.

Natuurlijk doet niet alle sterven ons evenveel verdriet. Soms mag er echt dankbaarheid zijn, dat verder lijden bespaard bleef. Soms mag er echt gesproken worden van een voltooid leven: oud en der dagen zat in de heel positieve zin, die dat woord in de Schrift heeft.

Ik spreek dan nog maar niet van die gevallen, waarin verhoudingen zó verstoord waren, dat het sterven voor anderen een opluchting is. Er kan zo veel scheef zijn gegroeid, ook binnen de gemeente, ja zelfs bij Gods kinderen.

En natuurlijk is het van overwegende betekenis, of we vast vertrouwen mogen, dat we onze geliefde aan de Here hebben mogen teruggeven. Als we daar een groot vraagteken bij zouden moeten zetten, moet ons verdriet nog veel groter zijn.

Praktij

Nu krijg je als ambtsdrager, als familielid, als vriend, bericht van een dodelijke ziekte; van een overlijden; van een dodelijk ongeval. Wat dan? Die eerste fase van ontkenning komt ook over jou. Maar het helpt niet: je moet erheen. Je wilt er ook heen. Je zou geen minuut meer rust hebben.

Je probeert je voor te bereiden. Je zoekt tijd voor een gebed. Niet alleen allerlei gedachten gaan door je heen, maar vooral allerlei gevoelens. Kun je die de baas blijven? Kun je je gedachten ordenen? Wat moet ik doen? Wat moet ik zeggen? Ik zal toch wat moeten zeggen? Wat ben ik arm. Vind ik Schriftwoorden? Hoe zal ik de boel er aantreffen? En waarbij moet ik misschien hulp bieden bij het treffen van maatregelen? Bij het gesprek met de begrafenisondernemer, bij het opstellen van de rouwkaart. Here, help mij. Ik kan het eigenlijk niet.

Het zal u wel helpen, als u wat meer ervaring hebt, maar elk sterven, elke familie is anders. Hopend op en biddend om de leiding van de Heilige Geest gaat u erheen.

Ik ga ervan uit, dat het een moeilijk en tragisch sterfgeval is. Ga erheen en geef de mensen een hand en probeer hen in de ogen te zien en zeg weinig Ga erbij zitten en treur mee. U kent wel uw gemeente, uw wijk en u weet wat voor vlees u in de kuip hebt, nietwaar? U denkt des te meer en u voelt met hen mee en dat voelen de familieleden. Als u er geen raad mee weet, zeg dat dan ook tegen hen. Als u niet weet wat u zeggen moet, zeg dan ook dat u niet weet wat u zeggen moet. Ondertussen mag u hopen, dat de Geest u wegen zal wijzen om te gaan in het gesprek. Ik kan daar geen ge-spreksvoorbeeld van geven; ik kan wel een paar dingen zeggen vanuit de Schrift en met inachtneming van het stukje psychologie van hierboven.

Een eerste zou kunnen zijn, dat we hebben te zwijgen. Ligt dat woord tussen berusten en aanvaarden in? De een voelt zich opstandig worden, de ander wil of kan berusten. Maar als ambtsdrager weet u, dat berusten geen bijbels woord is en geen schriftuurlijke houding. In de Schrift wordt geworsteld met God. In de Schrift wordt ook gezegd: Waarlijk mijn ziel, keer u stil tot God. Van Hem is mijn verwachting. We lezen ook: Ik ben verstomd, ik doe mijn mond niet open. Ga verder niet in op moeilijke theologische vragen als: Was dit nu Gods wil? Wat is de zin van dit sterven, van dit verlies? Zeker, ik weet het verschil wel tussen Gods verborgen en Gods geopenbaarde wil. Maar bewaar de zin-vragen maar tot latere gesprekken die u nog zult hebben. Het sterven zelf is zinloos, de dood is de laatste vijand. Maar de Here kan uit iets kwaads iets goeds doen voortkomen.

Luister liever dan dat u veel zegt. En laat dan de Schrift spreken. Als u geen duidelijk getuigenis hebt over het toebehoren van de gestorvene aan Christus, wees dan uiterst terughoudend over zijn of haar eeuwige bestemming, ook al mocht u daar voor uzelf een mening over hebben. Het is meer dan eens voorgekomen, dat mensen, aan wie tijdens hun leven geen deelhebben aan het heil werd gegund, na hun dood door dezelfde familieleden de hemel in geprezen werden. En laat ons aan de andere kant nooit meedoen aan het hard oordelen dat ook voorkomt. Oordeel niet.

Mag er hoop zijn? Laat dan de troost van Zondag 1 ons bovendien ook leiding en richting geven bij onze rouwverwerking. Als we inderdaad het eigendom van Christus mogen zijn, dan hebben we in feite nooit recht op elkaar gehad. We kregen elkaar wel te leen, maar niet in eigendom. Mag de Here zijn eigendom niet op zijn tijd terugvragen? Het is wèl een hele les om dat te leren, maar het moet onze grondhouding zijn, vanwaar uit we denken en spreken, wenen en troosten.

Elk sterven is een roepstem. Het leven is dat ook, maar we horen zo slecht. Dus is het sterven zo dichtbij ons een roeping extra, meermalen door God als een middel gebruikt om anderen tot nadenken en bekering te brengen. Maar overschat de werking niet: men gaat zo gauw weer over tot de orde van de dag. Verwacht meer van de gestadige werking van de verkondiging van Gods Woord en van doorgaande gesprekken op huisbezoek. nu ook op de rouwbezoeken.

Vervolg

Want u blijft komen. Dat geeft wel eens een botsing van plichten, maar als u dat uitlegt zal men dat accepteren. Probeer wel trouw te zijn en schakel anderen in. Een wijkouderling kan hulp van een collega vragen. Heel dikwijls zijn er ook wijkzusters, wijk-dames van de gemeente bedoel ik, die geweldig veel uit handen kunnen nemen in goed overleg.

Na verloop van tijd hebt u het idee, dat de rouw wat gaat wennen. Dat zou een vergissing zijn. De rouw blijft. Zeker, niet altijd. Een tweede huwelijk, een volgende baby kan wel weer eens nieuwe glans aan het leven geven.

Maar heel vaak wordt de leegte alleen maar groter. Alleen de Here kan die vervullen. Maar als Hij Man der weduwen en Vader der wezen is, is Hij dat niet op menselijke maar op Goddelijke wijze. Ja, altijd beter, maar anders. Alleen in het geloof te ontvangen en te verwerken.

Waarschijnlijk zult u ook later in de verdere gesprekken de gewenste antwoorden op moeilijke vragen niet vinden, althans niet voor het menselijke verstand. Hoofdzaak is, of de rouwverwerking dft mag betekenen, dat we aan Gods kant komen te staan. Dat noem ik het aanvaarden. De Here heeft gezegd: Ik zal u niet begeven en Ik zal u niet verlaten. De Goede Herder heeft zijn leven voor de schapen gegeven. Hij heeft beloofd, dat niemand ze uit zijn hand zal roven.

Laat altijd uw gedachten en uw woorden gevangen gegeven worden aan het spreken van de Here in de Schrift. Daarin moet u zich oefenen. Er zijn zoveel Psalmen. Er is een Evangelie naar Johannes bijvoorbeeld. Zie wat Paulus schrijft over het leven met Christus en het sterven. Wij wandelen door geloof en niet door aanschouwen. De Here wil dat de zondaar zich bekere en leve. Hij heeft zijn eigen Zoon niet gespaard. Wij begeren des te meer bij de Here onze intrek te nemen. Het sterfelijke moet onsterfelijkheid aandoen. Verhardt u niet maar laat u leiden. Vertroost, vermaant elkander met deze woorden. Neemt de gehele wapenrusting Gods aan. Door de tuchtiging mogen wij geoefend worden. Verlaat niet wat uw hand begon. Here, Zone Davids, ontferm u mijner. Zij zullen het Lam volgen, waar het ook heen gaat.

Ik noem maar een paar woorden. U zoekt maar op waar ze staan en u leest de verbanden maar. Er blijft ontzaglijk veel over, vermanend, waarschuwend, troostend, heenwij-zend, bemoedigend.

Uiteindelijk blijven wij moeilijke vertroosters. Maar daarom zullen wij het nog niet nalaten om te gaan. Ook en juist als we het moeilijk vinden.

Wij zijn het niet zelf, die de tranen van de ogen afwissen, maar we mogen wel ambassadeurs zijn van Hem, die dat eenmaal wèl en definitief zal doen.

En alles wat we aan anderen voorhouden, hebben we zelf even hard nodig.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.