+ Meer informatie

PROFETIE EN TONGENTAAL (2)

7 minuten leestijd

In een tweede artikel ter bespreking van het boekje “Profetie en tongentaai” wordt in hoofdlijnen nagegaan wat de auteur verstaat onder tongentaai. Van Vlastuin stelt tegenover de pinksterbeweging dat tongentaai niet het kenmerk is van de vervulling met de Heilige Geest en tenslotte trekt hij goede lijnen vanuit de Gereformeerde theologie en stelt kritische vragen aan de charismatische groeperingen en aan de pinksterbeweging.

Tongentaal

In dit artikeltje willen we ingaan op wat dr. W. van Vlastuin schrijft over tongentaai. Tongentaai is een karakteristiek verschijnsel in de pinkstertheologie en de charismatische beweging. Wat is tongentaai eigenlijk? In de kerkgeschiedenis zijn verschillende verschijnselen als tongentaai benoemd. We lezen op blz. 92 het volgende: “Tongentaai kan een hoorwonder zijn. We horen dan in onze eigen taal spreken, terwijl er in een vreemde taal wordt gesproken. Het is gezien als een taalwonder, zodat iemand in een concrete andere taal spreekt, boven zijn natuurlijke vermogens. Ook het onverstaanbaar brabbelen kan tongentaai heten. Dat is dan de taal van de engelen.”

Op de pinksterdag is er verwondering over de sprekers. Eenvoudige Galileeërs spreken talen waarvoor zij niet gestudeerd hebben. De Heilige Geest overstijgt de Babylonische spraakverwarring die er is tussen de volken. Het Woord van God zal niet alleen tot de Joden, maar het zal tot alle volken uitgaan. Daarom laat de Geest de grote werken van God in andere talen verkondigen. Een nieuwe bedeling is ingetreden. Tongentaai is een onweerlegbaar teken dat de Heilige Geest ook op de heidenen wordt uitgestort.

Van Vlastuin kiest positie tegenover hen die tongentaai verstaan als spreken met uitschakeling van het verstand. De auteur stelt dat verstand en Geest niet tegenover elkaar staan. Door de verlichting van de Geest gaan we de Schriften verstaan. Hoe voller iemand van de Geest is, hoe meer het verstand wordt verlicht. Tongentaai gaat niet buiten het verstand om.

Er is ook een opvatting die tongentaai verbindt met het onverstaanbare lallen van een dronkaard. Ook deze opvatting wordt door de auteur weerlegd. Hij stelt dat de spotters op de pinksterdag niet reageerden op onverstaanbare klanken, maar op de inhoud van de boodschap. Ze verstonden de boodschap heel goed, maar verwierpen deze. Men zei van de

Heere Jezus dat Hij een wijnzuiper was. Dat zei men niet omdat Hij in onverstaanbare tongen sprak,maar omdat ze Zijn boodschap zo goed verstonden. In Jesaja 28: 7 wordt gesproken over valse profeten die dronken waren. De spotters met Jezus en de apostelen maakten de boodschap verdacht als dronkemanstaal van de valse profeten.

De auteur wil ook niet weten van verschil tussen tongentaai van Jeruzalem en Korinthe. Hij wijst er daarbij op dat de taal van Pinksternen niet eenmalig is gesproken. Precies hetzelfde als op de Pinksterdag geschiedt in het gezin van Cornelius (Hand. 10:45-47). In Efeze herhaalt zich dit verschijnsel nogmaals (Hand. 19:6). Zou Lukas dan een ander verschijnsel op het oog hebben dan Paulus? Op blz. 102 concludeert de auteur het volgende: “De tongentaai in de gemeente van Korinthe verschilt niet van de vreemde talen op de pinksterdag (Hand. 2:4). Dit verklaart tevens dat vertaalde tongentaai van gelijke waarde is als profetie. We zagen reeds dat de apostelen op de pinksterdag profeteerden. Dit profeteren doen ze in vreemde talen. Tongentaai is eigenlijk profetie die in een vreemde taal wordt geuit.” In Hand. 19:6 staat ‘En als Paulus hun de handen opgelegd had, kwam de Heilige Geest op hen; en zij spraken met vreemde talen en profeteerden.’ Het spreken in vreemde talen is dus verbonden met profeteren. Het is een hebraïsme waarin het ene woord een uitleg vormt van het andere woord. De tongentaai is een vorm van profetie.

We zien het werk van de Heilige Geest in de tongentaai. De Heilige Geest openbaart aan de spreker de verborgenheden van Gods koninkrijk. De Heilige Geest geeft daarbij het vermogen om deze geheimenissen in een vreemde taal te vertolken. Tongentaai is een teken van de komst van Gods Koninkrijk.

Het kenmerk?

De Heilige Geest deelt gaven uit aan wie Hij wil. De pinksterbeweging ziet tongentaai als het eerste teken dat men de doop met de Geest heeft ontvangen. Maar de gave van de Geest is niet tongentaai, maar een nieuw hart. De Geest schrijft de wetten van God in het hart. Het werk van de Geest is gericht op bekering, geloof en vergeving. De Geest is er om Christus te verheerlijken in de verkondiging en in het hart. De Geest brengt tot de kennis van Christus en van het heil door Hem verworven.

Wie tongentaai ziet als het beslissende kenmerk voor de doop met de Heilige Geest, overwaardeert de tongentaai.

Tongentaai komen we in het boek Handelingen maar driemaal tegen: in Hand. 2:4, 10:45 en 46 en 19:6. Dit zijn grote momenten van doorbraak van het Evangelie. Als tongentaai het beslissende kenmerk is voor het ontvangen van de Geest, zou dit zeker in Hand. 8 vermeld moeten zijn. Het boek Handelingen leert ons niet dat iedere christen moet staan naar het spreken van tongentaai. Niet iedere christen hoeft dezelfde gaven te hebben. Dus hoeft ook niet ieder de gave van tongen te bezitten. Tongentaai en vervulling met de Heilige Geest zijn niet hetzelfde. Toen Petrus en Johannes zich moesten verantwoorden voor de Joodse raad over de wonderlijke genezing van de kreupele werd Petrus vervuld met de Geest maar sprak geen onverstaanbare tongentaai, maar in duidelijk verstaanbare woorden (Hand. 4:8). De vervulling met de Heilige Geest gaf vrijmoedigheid om het Woord van God te verkondigen. Stefanus werd tijdens zijn steniging vervuld met de Geest (Hand. 7:55) maar heeft niet in tongentaai gesproken. De auteur schrijft op blz. 111 “Tongentaai is geen noodzakelijk kenmerk van de vervulling met de Geest.” Tongentaai is geen bewijs van geestelijke groei. Juist in de gemeente van Korinthe, waar sprake was van tongentaai, was ook twist, tweedracht, ontucht en tuchteloosheid (1 Kor. 3:1-3). Al Gods kinderen bidden door de Geest met onuitsprekelijke zuchtingen, maar niet al Gods kinderen bidden in tongen (Rom. 8:26).

Op blz. 115 lezen we het volgende: “Op verschillende momenten in de heilsgeschiedenis wilde de Heere twijfelende Joden ervan verzekeren dat er in Christus een nieuwe stand van zaken is aangebroken. Tongentaai was geen teken voor de gelovigen, maar voor de ongelovigen (1 Kor. 14:22). Het was geen bewijs voor gelovigen dat zij een bepaald geestelijke niveau hebben bereikt, maar het was een teken voor ongelovige Joden dat God op een nieuwe manier handelde.”

Gereformeerde scharnierpunten

In een slothoofdstuk trekt de auteur lijnen vanuit de Gereformeerde theologie. Heel wat vragen en zaken worden in dit hoofdstuk aangesneden. Teveel om allemaal te noemen. We doen slechts een greep uit de veelheid van gegevens en gedachten die aangereikt worden. Terecht stelt de auteur dat onze cultuur zich kenmerkt door behoefte aan emotie en ervaring. Onze tijd is ook sterk individualistisch. Zo bezien is de roep om profetie en tongentaai te begrijpen. De roep om geestelijke gaven gaat veelal gepaard met een relativering van waarheid en leer (blz. 125). Met een beroep op de Heilige Geest komt de waarheid op het tweede plan te staan. De charismatische eenheid is geen eenheid in de leer, maar een herkenning in de ervaring. De Bijbel relativeert de waarheid niet. De auteur haalt een spreuk van Luther aan op blz. 127: “Liever valle de hemel, dan dat een kruimel van de waarheid verloren ga.” Het is verleidelijk meer te citeren. Op blz. 135 lezen we deze behartenswaardige woorden “Het Evangelie is niet dat wij versierd worden met de gaven van de Geest, maar dat we verlost worden van Gods toorn. We zoeken geen zichtbare, uiterlijke en tijdelijke gaven, maar ons hart is inde hemel, waar Jezus Christus is.” We besluiten met het slot van het boek op blz. 140 weer te geven: “Het is een ernstig manco van het charismatische denken als de indruk wordt gewekt dat we geestelijk arm zijn als we Christus als onze Verlosser kennen en dat we pas rijk zijn als we veel geestesgaven hebben. De gemeenschap met de Gever is meer dan alle gaven. In Christus hebben we alles, ook als we charismata missen. We missen alles zonder het geloof in Christus, ook als we rijk aan gaven zijn (Matth. 7;22). De christen is gezegend met alle geestelijke zegeningen in de hemel in Christus (Ef. 1:3).

Elke theoloog die het heil voorbij het kruis van Christus zoekt, moet huiveren: ‘O, gij uitzinnige Galaten, wie heeft u betoverd, dat u de waarheid niet gehoorzaam zou zijn; die Jezus Christus voor de ogen tevoren geschilderd is geweest, onder u gekruisigd zijnde?’ (Gal.3:1). Welke gereformeerde of charismatische theoloog zou dan niet huiveren? Alleen in deze huiver roemen we nergens anders in dan in het kruis van Christus (Gal. 6:14).”

N.a.v. Dr. W. van Vlastuin, Profetie en tongentaai, paperback, 757 blz., € 13,50, Uitgave Den Hertog, Houten, ISBN 90-331-2016-x. Hersteld Hervormde studies deel 2. Ondertitel: De gaven van de Geest en de gereformeerde traditie.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.