+ Meer informatie

Nabeschouwing over de Toradja's

5 minuten leestijd

zijn verijdeld geworden in hun overleggingen en hun onverstandig hart is verduisterd geworden. (Rom. 1 : 21)

Het staat voor ons wel vast, dat we niet zo maar lukraak onder de heidenen het evangelie kunnen brengen, maar dat we aansluiting moeten zoeken bij het streven en denken van de bevolking, om langs clie weg het beoogde doel te bereiken.

Het is heel eenvoudig om maar te zeggen, clat de heidenen geloven, dat alle dingen bezield zijn (animisme). Het zou dan zo zijn, dat er een opklimming is van het lagere tot het hogere, dus eerst geloven aan zielen en geesten, vervolgens het dienen van vele goden, om tenslotte te komen tot cle aanbidding van één God. Zo is het wel bij cle beschaving van een volk, maar geenszins op godsdienstig terrein. Hier is geen vooruitgang maar een achteruitgang. Wij zijn immers eenmaal versierd met het Beeld van God, maar dat is dooide zondeval verloren gegaan, en nu is er nog enige kennis overgebleven aangaande God, de Schepper van hemel en aarde. Maar omdat de zinnen verblind zijn geworden, schept de mens zichzelf goden om die te gebruiken om boven de ellende van het leven uit te komen, om iets groots te worden en hier op aarde een soort paradijs te verkrijgen. Deze gedachtegang laat ons zien, clat het schepsel geëerd wordt boven de Schepper.

Om bij de Toradja's te blijven (waarover de laatste artikelen gingen), de Toradja's hebben wel een besef (overgebleven krachtens schepping) van een almachtig God, maar clie God is voor hen een verre God, die Zich eigenlijk met het ondermaanse niet inlaat, maar het bestuur van alle dingen aan de lagere geestenwereld overlaat. Het godsdienstig denken is clan ook niet op die verre God gericht, maar het wordt bepaald door hetgeen hier op de aarde plaats grijpt. Twee voorname dingen in dit leven zijn: geboren worden en opgroeien met daar tegenover het sterven. Vandaar worden offers gebracht aan de geesten en is er een ingewikkelde plechtigheid ontstaan in verband met het sterven: de offers aan de voorouders spelen een grote rol.

De grote Schepper van al het zichtbare is volgens hen goedig, zodat men weinig van Hem heeft te vrezen. Daar komt nog bij, clat Hij in een ver land woont, in het „midden der hemelen". In deze gedachtegang herkennen we cle leer van het deïsme, de leer, clat God zich niet met Zijn schepping bemoeit; God heeft, met eerbied gezegd, de klok opgewonden en die loopt nu vanzelf af.

Leven, dood en vernieling zijn zaken, waartegen ze zich moeten beschermen, en vandaar cle velerhande offers en gebeden bij geboorte, ziekte en dood. Onder de Toradja's doen dwaze verhalen cle ronde, die heenwijzen naar cle gelukstaat in het Paradijs, maar schrikkelijk verwrongen. Hoor slechts:

„In de begintijd (cle tijd van vrede en geluk) was er een hemelladder waarlangs de mensen op en neer konden gaan naar cle hemel om contact te houden met de hemelheer (Poeang Matoea). Hem konden ze hun wensen bekend maken en de schepper van al 't geschapene, was altijd bereid om cle mens mildelijk te zegenen. Toen cle eerste mens op deze aarde geen vrouwen vond en zijn nood de hemelheer klaagde, zond deze van de hemel de timmerman om acht bamboezen te kappen, clie hij met vlees bekleedde. De hemelheer blies met cle wind van de hemel op deze vleesklompen, waardoor ze gingen ademen en tot acht vrouwen werden. Aan deze vrouwen stelde de timmerman de eis, clat zouden ze in hun leven zondigen, en hun zonde niet belijden, dan zou cle wind haar lichamen weer verlaten en daarmee cle dood over de mensen komen....

Op zekere dag werd dit hemelgeluk verbroken, doordat de hemelheer de verbindingsladder tussen hemel en aarde deed ineenstorten. Een slecht mens, de incarnatie van leugen en bedrog, Seratoe Soemboenpio geheten, was naar boven geklommen om vuur te halen, Hij zag de gouden vuurslag van Poeang Matoea liggen en nam clie mee naar de aarde. Toen cle hemelheer zijn tondeldoos miste, ontstak hij in toom en stootte de hemelladder neer, die in stukken op de aarde viel. Een grillig gevormd rotsgevaarte in Mengkendek, het afgebroken voetstuk van clie hemelladder, wijst als een vinger ten hemel, cle mensen herinnerend aan de schone tijd van weleer."

Uit dit alles blijkt wel, dat bij de Toradja's dood en ellende slechts gekomen zijn door cle overtreding van een zeker persoon en dat daardoor de heilstaat verloren is gegaan en dat de mens nu ligt onder de gevolgen van het noodlot, waaraan hij geen schuld heeft. Dat die overtreder onze

eerste voor-ouder was, ja zelfs ons verbondshoofd, in welken wij allen gezondigd hebben, dat weet de Toradja niet; dat wij door Adams overtreding kinderen des toorns zijn geworden, is hem ook niet bekend en zodoende heeft hij geen zonde-kennis.

Dit bedenkende, verbazen wij ons niet, dat de heidenen komen tot de vergoddelijking van de natuur, en tot de verering van geesten en tot de verheerlijking van de mens. Onuitsprekelijk groot is het voor ons, dat we geboren zijn in een christenland, waarin, eeuwen geleden, het christendom werd gebracht. Waarom waren wij geen Toradja's toen we werden geboren? Waarom stond onze wieg niet in Midden-Celebes? Zien we het grote voorrecht in, dat we in een beschaafd en gezegend land onze bakermat hebben? Dan kan het niet uitblijven, dat we de zending nog langer gaan beschouwen als een „zaakje" dat er maar losjes aanhangt!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.