+ Meer informatie

Gods verkiezend welbehagen (3)

7 minuten leestijd

Boven Artikel 1 van de Dordtse Leerregels staat: Van de Goddelijke verkiezing en verwerping. Paragraaf 1 begint dan met: dat ‘alle mensen in Adam gezondigd hebben, en des vloeks en eeuwigen doods zijn schuldig geworden.’ Het lag voor de hand dat daarna gesproken zou worden over de verkiezing en verwerping, maar eerst wordt nog in de paragrafen 2 tot en met 5 gesproken over de liefde Gods in Christus, de prediking en het geloof. Hiermee wordt duidelijk dat men vanuit de Schrift niet over de verkiezing kan spreken zonder over Christus en Zijn werk te spreken. Zoals ook Paulus zegt: ‘Gelijk Hij ons uitverkoren heeft in Hem, voor de grondlegging der wereld, opdat wij zouden heilig en onberispelijk zijn voor Hem in de liefde’ (Ef. 1:4). De verkiezing in Christus betekent, dat die verkiezing enkel en alleen genade is en dat het geloof in Christus de weg is om tot zekerheid van onze verkiezing te komen. Calvijn zegt: ‘Indien wij in Hem uitverkoren zijn, zullen wij de zekerheid van onze verkiezing niet in onszelf vinden, en zelfs niet in God de Vader, indien wij ons Hem alleen en zonder de Zoon voorstellen. Christus is dus de spiegel, waarin wij onze verkiezing behoren te aanschouwen en dat ook zonder bedrog mogen doen’ (Institutie III,24,5). Wanneer Paulus spreekt over ‘in Christus’, dan moeten we denken aan de gemeenschap met Christus, waarin en waartoe de Zijnen verkoren zijn. De belijdenis, dat de Vader ons heeft uitverkoren in Christus voor de grondlegging der wereld, is de belijdenis van Gods eeuwige verkiezende liefde. Dat is die liefde, die ons in Christus is geopenbaard en die de bron is van alle heil en zaligheid.

De woorden ‘voor de grondlegging der wereld’ wijzen erop dat de verkiezing er dus is, voordat de wereld er was, voordat wij er waren. Zo wordt iedere grond van de verkiezing in onszelf weggenomen. Was er geen verkiezing, dan zou niemand zalig worden. In de verkiezing ligt dan ook de vastheid van de zaligheid voor het geloof; het ligt vast in God. De zekerheid van de zaligheid is niet anders dan de zekerheid van de eeuwige liefde van Hem, Die ons in Christus heeft verkoren. Wat de Heere bewogen heeft om Zijn enige Zoon te geven is vrijmachtige liefde! Er was niets in ons wat Hem bewogen heeft. Maar Hij was in Zichzelf en om Zichzelf bewogen om Zijn Zoon als Zaligmaker te geven. Dat is het Evangelie. Genade voor de grootste der zondaren! Maar is dan de leer van de verkiezing geen belemmering en beperking voor de prediking van het Evangelie? Kan men Gods genade welmenend aanbieden aan mensen, waarvan je niet weet of zij uitverkoren zijn? Over de manier waarop het Evangelie van Gods genade voor vijanden moet verkondigd worden, zeggen de Dordtse Leerregels dat ‘de belofte des Evangelies zonder onderscheid moet verkondigd en voorgesteld worden met bevel van bekering en geloof’ (DL Art. 2, par. 5). Gods verkiezing en Gods bevel van bekering en geloof zijn daarbij niet met elkaar in strijd.


Door de uiterlijke prediking worden wij allen tot bekering en geloof geroepen, terwijl de Heilige Geest, Die geloof en bekering werkt, toch niet aan allen gegeven wordt.


We moeten dan denken aan wat er staat: ‘De verborgen dingen zijn voor den HEERE onze God, maar de geopenbaarde zijn voor ons en voor onze kinderen tot in eeuwigheid, om te doen al de woorden dezer wet’ (Deut. 29:29). Wat betreft Gods geopenbaarde wil, Jezus zegt: ‘En dit is de wil Desgenen Die Mij gezonden heeft, dat een iegelijk die den Zoon aanschouwt en in Hem gelooft, het eeuwige leven hebbe; en Ik zal hem opwekken ten uitersten dage’ (Joh. 6:40). Wat God in Zijn verborgen wil besloten heeft is ons onbekend. Luther heeft gezegd: ‘Heel Gods verborgen wil gaat ons niets aan.’ Wij hebben ons alleen aan de geopenbaarde wil van God te houden. Zijn Woord is betrouwbaar. De leer van de dubbele predestinatie mag op geen enkele manier ten koste gaan van de prediking en de nodiging van het Evangelie. Wij mogen niet willen indringen in Gods verborgen besluit.

Door de uiterlijke prediking worden wij allen tot bekering en geloof geroepen, terwijl de Heilige Geest, Die geloof en bekering werkt, toch niet aan allen gegeven wordt. Het is niet helemaal logisch te krijgen! Je gaat door eigen schuld verloren en je wordt door genade behouden. Zeker, er blijft een spanningsveld tussen Gods eeuwige verkiezing en de verantwoordelijkheid van de tijdelijke mens. Het is niet mogelijk om die beide tot een logisch begrijpbaar geheel te beschrijven. In dit verband wordt weleens de volgende illustratie gebruikt: het is ermee als met het binnengaan in een kamer waar aan de buitenkant boven de deur staat: ‘Komt allen tot Mij die vermoeid en belast zijt en Ik zal u rust geven.’ Terwijl de mens die de deur binnengaat en omkijkt naar de binnenkant van de deur erboven ziet staan: ‘Gij zijt uitverkoren van voor de grondlegging der wereld.’

De verkiezing maakt de prediking van de belofte van het Evangelie op geen enkele manier minder ruim. Door middel van de prediking van het Evangelie aan allen werkt God het besluit van Zijn eeuwige verkiezing uit. In de weg van de prediking van het Evangelie realiseert God het besluit van Zijn verkiezing. Zouden we dan daar niet moeten beginnen? Vele plaatsen in de Schrift leren ons, dat de Heere het gebruik van Zijn Woord wil zegenen. Zeker, Gods verkiezing vernedert de mens. Daardoor wordt hij op zijn plaats gezet als verloren zondaar voor God, die zelf niet maar het minste kan bijdragen aan zijn zaligheid. De verkiezing is geen inperking van Gods barmhartigheid. Ondanks dat God rechtvaardig is, is de verkiezing ook weer heel erg ruim! Het is straks een schare die niemand tellen kan. Uit alle geslachten en talen en volken en natiën. Er is in wezen niets ruimer dan de vrije, verkiezende genade en liefde van God. Want ondanks onze zonden en schuld mag er dan nog hoop en troost zijn, zelfs voor de voornaamste der zondaren, omdat God Die rechtvaardig is, ook een God is van genade.


Uit een brief van Luther, geschreven aan een zekere Barbara Lisskirchen:

‘Uw geliefde broeder, Hieronymus Weller, heeft mij meegedeeld dat ge zeer te lijden hebt onder de aanvechting van Gods eeuwige voorbestemming. Dat doet mij leed. Christus, onze Heere, moge u ervan verlossen. Amen. Ik ken deze ziekte zelf heel goed; ik heb er onder geleden tot op de rand van de eeuwige dood. Nu wil ik, behalve voor u te bidden, u ook raadgeven en troosten. Onder al de geboden Gods is dit het hoogste, dat wij ons zijn lieve Zoon, onze Heere Jezus Christus, voor ogen stellen; die moet voor ons hart onze dagelijkse en allervoornaamste spiegel zijn, waarin wij zien hoe lief God ons heeft, en hoezeer Hij als een goede God voor ons gezorgd heeft, dat Hij zelfs zijn lieve Zoon voor ons gegeven heeft. Hier, zeg ik, hier leert men de ware kunst van de verzoening (met God) en nergens anders! Daar moet ge zijn om in Christus te geloven. Gelooft ge, dan zijt ge geroepen, en zijt ge geroepen, dan zijt ge ook gewis uitverkoren. Laat u deze spiegel en troon der genade niet ontnemen, zodat de ogen van uw hart haar niet meer zien.’


Melissant, ds. N. van der Want

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.