+ Meer informatie

BESTEDING VAN ONS GELD

13 minuten leestijd

De praktijk

Er is veel in een mensenleeftijd veranderd.

In het begin van de 20e eeuw verdienden de mensen in ons land in het algemeen weinig. Om rond te komen moest het heel zuinig aan. Er was veel armoede.

Na de eerste wereldoorlog kwam er economisch gezien een opleving. Al vrij gauw echter is daar weer een tijd van bezuiniging op gevolgd. De dertiger jaren waren crisisjaren. Er was veel werkloosheid. Van overheidswege kon weinig steun geboden worden. De kerk kon ook niet veel doen.

Na de tweede wereldoorlog is er een tijd van hoogconjunctuur (economische bloei) gekomen. leder heeft wel begrepen, dat het niet zo kon blijven. Toch heeft men zich er geheel op ingesteld. Het ging vanzelf. Het zou enorm moeilijk zijn teruggezet te worden in de situatie van twintig jaar geleden. Stel u voor dat de auto weg moest en dat het thuis veel soberder moest met het interieur en met tal van gebruiksvoorwerpen. Hoe zou het zijn als u niet meer kon besteden wat nu gebeurt voor ontspanning, hobby, sport, tuin, muziek(instrumenten), uitgaan, uit eten gaan, verjaardagen, cadeaus, partijtjes? En in het verlengde daarvan de vakantiebesteding, met voor sommigen zelfs het bezit of huur van caravan, boot, vakantiehuis of een tweede huis?

Het levensonderhoud vraagt veel. Eten, drinken, kleding. Wat de kinderen nodig hebben in hun opgroei; en voor school fiets, tas, boeken en andere leermiddelen. Alles is duur. Dan de grote posten van huishuur, rente en aflossing hypotheek, pensioenpremie, verzekeringen, belastingen; andere vaste kosten, lasten, verplichtingen.

Ik noem alleen het meest voor de hand liggende.

Daarbij wil ik wijzen op het gevaar van het overschrijden van de grenzen, waardoor men in de schuld raakt. Dat wordt op allerlei manier in de hand gewerkt. Let op de reclame van banken en andere instellingen!

Voorheen, met een zeer beperkt gezinsbudget, probeerde men als het even kon toch nog iets te sparen. Kleine bedragen, met stuivers en dubbeltjes of kwartjes bijeengebracht. Kleine spaarpotjes, om als er iets wezen moest ook iets te hebben. Voor kerk en de christelijke school ging men tot het uiterste.

Nu, met een ruimer budget, zou te verwachten zijn dat er meer gespaard wordt. Toch gebeurt het niet of niet voldoende, omdat steeds meer wordt aangeschaft wat het leven veraangenaamt en vergemakkelijkt. Aan sparen komt men dan niet toe.

Terwijl men vroeger door sparen trachtte het bedrag bijeen te krijgen, waarvoor het noodzakelijke gekocht kon worden, schaft men nu meteen aan en betaalt later. Dienovereenkomstig zijn ook de aanbiedingen. De catalogi geven met grote cijfers het kleine bedrag aan, dat per maand te betalen is en met bescheiden cijfertjes wordt het aantal termijnen aangegeven. In het buitenland was het al lang zo. Gingen jonge mensen trouwen, dan schaften zij in één keer aan alles wat zij wilden hebben. Betaling was een zaak van regeling. In de grote zaken vindt men het haast vreemd dat je „kas” betaalt, ook bij vrij normale aankopen. Jongeren houden nu weer meer de inrichting van hun huis sober, maar schaffen dan soms aparte dingen aan die veel geld kosten.

Het is mogelijk een verre reis (b.v. vliegtocht) te bespreken en de hoofdsom van de kosten later te betalen. Hoeveel rente zal er betaald moeten worden bij alle koop op afbetaling? Wie geld heeft maakt geld, maar wie niet heeft moet extra betalen.

Nog een stuk praktijk

Het kopen van een huis legt een gezin doorgaans aan banden. De vrouw besluit ook uit werken te gaan. Dat is niet nieuw. Ook in het buitenland wordt het veel gedaan. Het is nu eenmaal nodig om de kosten van huis (huizen), auto (auto’s), boot en wat al te kunnen betalen. Het gebeurt mede omdat het de vrouw niet helemaal bevredigt huisvrouw te zijn. Meer nog uit allerlei emancipatieoverwegingen, doch daarover gaat het nu verder niet. Ik vind het erg dapper van de vrouw, om bij haar gezinswerk nog werk voor anderen te willen doen ten behoeve van haar gezin. Als het gezin er niet onder lijdt, met name de kinderen niet, dan kan kritiek achterwege blijven.

Er is iets anders, waarop ik wel de aandacht wil vestigen. Vroeger kon men geen leningen aangaan zonder onderpand of borg. Tegenwoordig kan dat op grond van je inkomen. Je hebt een salarisrekening bij de bank. Die geeft een bepaald rentepercentage. Alles loopt over de bank. Je krijgt je geld per week of maand niet meer mee in een loonzakje. Dat was ook niet alles, want dan had men de neiging om er meteen iets van af te nemen voor dit of voor dat. Bij de bank staat het veiliger en het is ook niet zo erg als daar de balans even doorslaat naar rood.

Men kan van bepaalde diensten gebruik maken, benzine e.d. kopen, met overlegging van een kredietkaart, bewijs van lidmaatschap of betalen met cheques of girobetaalkaarten. Dat is erg gemakkelijk, maar als men het niet nauwkeurig bijhoudt, loopt het fout. De rekeningen of afrekeningen laten het wel zien. Het valt altijd tegen. Heb je een kredietrekening bij de bank, dan is er wat speling. Anders overtreffen de debet-be-dragen de credit-posten. Bij de girodienst eveneens.

Bij kredietmaatschappijen ben je nog veel duurder uit. Als het fout gaat, wordt er beslag gelegd op het gekochte. Het wordt dan een behoorlijke schadepost.

Het komt mij voor dat speculatie niet het terrein is, waarop een christen zich moet begeven. Loterij en kansspelen liggen nog meer voor het grijpen. Het wordt de mensen gemakkelijk gemaakt. Een vast bedrag kan de rekeninghouder regelmatig door bank of girodienst laten overschrijven. Per post komen aantrekkelijke aanbiedingen, met enthousiaste reacties van gelukkigen. Waarom zou u niet eens een kans wagen?

In hoever deze zaken in contacten of op huisbezoek ter sprake kunnen komen, zal afhangen van de behoefte van betrokkenen om er over te praten. Het is fijn elkaar wat te kunnen helpen en sterken in de levensstrijd. Bij de besteding van ons geld moeten wij ons sterk laten leiden door het beginsel van Gods koninkrijk. Daarbij mag de dagelijkse bede wel zijn: Leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van de boze.

Wat doen wij voor de Heere en de naaste?

Als lid van de kerk zijn wij mede verantwoordelijk voor betaling van de kosten voor de instandhouding van het kerkelijk leven. Dat is al een hele post. Voor kleine gemeenten is dat zeker een opgave. De offervaardigheid in die kleine gemeenten is vaak verrassend groot. Niet omdat er zoveel rijke leden zijn. Men is rijk in liefde. Er zijn zelfs leden, die wat bijverdienste zoeken om iets extra’s te hebben voor de kinderen, de kerk en voor aparte gevallen. Daartegenover zijn er leden, die hun reserve aan geld zo beleggen en vastzetten, dat zij vrijwel nooit iets extra’s kunnen geven en dat als excuus er bij zeggen. Er moet bovendien heel wat opgebracht worden ten behoeve van de diverse kerkelijke kassen, waarvoor de generale synode periodiek minimumbedragen per kas en per lid vaststelt. Voor 1980 bedraagt dit minimum ruim veertig gulden per lid en per dooplid. Aan het opbrengen van die minimumbedragen wordt in de regel trouw voldaan. Bij speciale bekendmaking van de collecten voor bedoelde kassen, komt er nogal eens iets extra’s uit. Voor de theologische hogeschool en de emeritikas zijn de collecten soms niet toereikend en moet de kerkelijke kas plaatselijk bijspringen.

Er zijn leden, die voor de plaatselijke kerk niet zo uitbundig geven, maar van tijd tot tijd met extra giften komen voor de zending e.d. Het zou kunnen zijn dat er plaatselijk ruimte is voor bijzondere activiteiten ten behoeve van het werk der bestaande depu-taatschappen. Of dat men voor een bijzonder doel geld bijeen wil brengen. Dat moet dan wel in overleg met de betrokken instanties.

Laat men niet vergeten de jonge leden en doopleden die verdienen, in te schakelen. Er behoeft niet gewacht te worden tot ze getrouwd zijn. De jeugdtijd is trouwens de beste tijd om de rechte geldbesteding te leren. Dat is vormend voor heel het leven. Jonge mensen hebben wellicht idealen. Zij moeten leren werken aan de verwezenlijking daarvan, als het moet, door de jaren heen. Ook moet geleerd worden wat aan geld beschikbaar komt, niet meteen te besteden en zeker geen verplichtingen aan te gaan voor lange tijd.

Heel belangrijk is wat wij bijdragen door de diaconie, dat is de dienst der barmhartigheid. Voor de diaconie werd voorheen ook niet al te veel gecollecteerd, maar als er een speciaal beroep op de gemeente werd gedaan, dan bleef men niet achter. Sinds de armenwet 1919 gewijzigd is en de algemene bijstandswet ruimte heeft gebracht om via sociale diensten in nood geholpen te worden, is de taak van de diaconie vergemakkelijkt. Er zijn geen werkelijk arme mensen meer en daarmee is het werk van de diaconie zo goed als van de baan, meent men. Gemeenten die voorheen in elke dienst voor de diaconie collecteerden, doen het nu slechts eens per maand of nog minder. Intussen is gebleken dat er voor de diaconieën nog veel werk is overgebleven. Men is ook nog meer de taak van de diaconie gaan zien en gaat meer de gemeente in om bestaande nood te ontdekken. Bij echtscheiding of wanneer het op echtscheiding aangaat, is het gezin vaak in moeilijkheden. Men kan vrouwen, die uit noodzaak buitenshuis aan de slag moeten, op weg helpen ook voor het behalen van een diploma. Gezinnen die naar het buitenland geëmigreerd zijn, keren terug en zitten aan de grond. Sociale zaken kan het niet helemaal opvangen en vestigt via de maatschappelijk werker de aandacht van de kerk op de noodsituatie. Er zijn noodgevallen, waarbij hulp wordt ingeroepen, binnen de kring van eigen gemeente of daarbuiten. Daarbij komt nog dat door bezuiniging van overheidswege op het terrein van het maatschappelijk werk stichtingen voor maatschappelijk werk weer een beroep op de kerken gaan doen, met name voor de gezinszorg.

In samenwerking met plaatselijke kerken wordt meermalen hulp geboden aan de kerk in het buitenland, zoals in Hongarije. Doordat leden van de gemeente, betrokken bij het ontwikkelingswerk in de wereld, stuiten op ontstellende nood, komt er van tijd tot tijd een diaconale actie ter leniging van die nood. In die zin bracht mijn eigen gemeente een flink bedrag aan geld bijeen voor de bouw en inrichting van een kinderkliniek in Dacca, Bangladesh. Dat ging heel spontaan en via onze leden daar was er een goede controle op de uitvoering van het plan.

Onze kerken hebben een deputaatschap voor hulpverlening in binnen- en buitenland, De bedoeling is die hulpverlening te koppelen aan het brengen van het evangelie. Er wordt reeds enige jaren geholpen in bepaalde langlopende projecten. Hiervoor wordt jaarlijks in februari een collecte gehouden. Voor 1980 wordt f. 1,70 gevraagd per lid en dooplid. In toenemende mate wordt door diaconieën, verenigingen en individuele leden gevraagd een deelproject te mogen accepteren boven de verplichte bijdragen.

Wie hier wat doen wil, kan terecht.

Daarnaast kan particulier veel gedaan worden. Wij moeten oppassen dat wij als kerk niet gaan behartigen wat op de weg ligt van het ambt der gelovigen. De kerk mag en moet wel stimuleren tot het werk van de christelijke zorg op allerlei terrein, maar de kerk zelf moet niet alles zelf willen aanpakken. Diakenen kunnen namens de kerk een bestuursfunctie hebben in organisaties voor maatschappelijk werk, maar de diaconie pakt niet zelf het maatschappelijk werk aan. Zo kan het ook zijn dat wij als kerkverband niet deelnemen aan bepaalde acties tot hulpverlening, maar dat wij de leden wijzen op de mogelijkheid iets te doen. Plaatselijk besluit men soms mee te doen aan een interkerkelijke actie.

Particulier kan men te kust en te keur dienen. Het Nederlands Bijbelgenootschap, de Vereniging tot verspreiding van de Heilige Schrift, de Stichting Ned. Gideons, de Internationale Bijbelbond, bijbelscholen, de Kruisbanier, het vrijwillige offer (evangelisatiewerk onder studenten), Pro Rege, P.I.T., stichtingen als De Hoop, de Regenboog, Chr. Drugsbestrijding, de Bond tegen het vloeken, de Vereniging tot drankbestrijding, Ons kindertehuis e.a. verdienen onze steun.

Voor onze steun komen zeker in aanmerking Bartimeüs, Sonneheerdt, het Hoogeland, de Ondergrondse kerk, de Stichtingen Woord en Daad, Redt een kind, Licht in het oosten, Oost Europa Contact, Internationale christelijke handreiking.

Ook noem ik Ned. Hartstichting, Nat. Rheumafonds, Koningin Wilhelminafonds voor de kankerbestrijding, Ned. Astmafonds, het Rode Kruis, leprabestrijding.

Er zou meer te noemen zijn. Ik deed een greep uit het vele.

Wie dienen wil en kan heeft gelegenheid te over.

Er zijn ook spontane acties waarop wij spontaan reageren omdat de wezenlijke nood ons hart raakt. Deputaten A.D.M.A. hebben de diaconieën wel eens een lijst verstrekt van instellingen, die zij positief konden aanbevelen. Men kan zich om advies wenden tot het bureau van deputaten. Mogelijk is de lijst al langer geworden.

Nadere motivering

Tot steun zijn wij geroepen. In het oude huwelijksformulier wordt de man opgewekt om getrouw en naarstig te arbeiden, opdat hij zijn huisgezin met God en met eer zou mogen onderhouden en ook daarenboven iets heeft om de nooddruftige mee te delen. De Heidelbergse catechismus eindigt de verklaring van het achtste gebod met: dat ik trouw arbeide opdat ik de nooddruftige helpen moge. Een belangrijk gegeven. Eigenlijk ook het doel. Helpen wie hulp nodig heeft. Helpen behoort tot het beelddrager van God zijn. God is de grote Helper in nood. Jezus ging het land door, goeddoende. Hij is gekomen in de wereld om ons te verlossen uit de grootste nood.

In de bede „Geef ons heden ons dagelijks brood” krijgen we de naaste nog extra op ons hart gebonden. Soms dringt de liefde de Heere een extra offer te brengen, zoals Maria van Bethanië deed. Dat was wel een uniek geval, maar we kunnen er van leren.

De gemeente te Jeruzalem leefde na de uitstorting van de Heilige Geest zo, dat niemand iets te kort kwam. Wij moeten helpen vanuit Christus. En wat wij doen, moet blijmoedig gebeuren, in echte liefde voor Hem. Wie niet heeft, kan niet geven. Wie niet geeft, hoewel hij heeft, zal ook een tijd hebben dat hij niet meer heeft.

Christus merkte bij de schatkist te Jeruzalem een weduwe op, die het laatste wat zij had er in wierp. Al haar leeftocht! Ze deed het in vertrouwen dat de Heere verder zorgen zou.

Hoe ver moeten wij gaan?

Onder het Oude Testament moest Israël tienden de Heere opbrengen van alle veld- en boomvruchten en van het vee. Het getal tien is aanduiding van het volledige. Israël sprak er de overtuiging in uit, dat het alles dankte aan Jehova.

Door Maleachi (3 : 10) liet de Heere zeggen: Brengt al de tienden in het schathuis, opdat er spijs zij in Mijn huis; en beproeft Mij nu daarin, zegt de Heere der heirscharen, of Ik u dan niet opendoen zal de vensters des hemels, en u zegen afgieten, zodat er geen schuren genoeg wezen zullen. Kennelijk was er droogte, die misoogst ten gevolge had. Deed men wat de Heere vroeg, dan zou er regen komen, zodat er een rijke oogst verwacht mocht worden. Het tegendeel is dat de hemel toegesloten wordt.

In het Nieuwe Testament laat de Heere de Zijnen vrij.

De gelovige mag zelf bepalen wat hij afstaat voor het koninkrijk van God. Dat is een vrijheid niet tot minder, maar tot meer. Bij groter mogelijkheden zal men toch ook het eerst denken aan wat de Heere voor Zijn dienst nodig heeft.

Het is noodzakelijk dicht bij het Woord Gods te leven. Dicht bij Jezus. Dan leven we ook dicht bij de naaste.

Vlak bij Christus’ kruis doet God een ieder zien hoe Zijn werk en rijk worden gebouwd.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.