+ Meer informatie

Om joden „te betuigen dat Jezus de Christus is"

6 minuten leestijd

„De meeste mensen schamen zich het Evangelie", zo heeft de bekende ds. Robert Murray M'Cheyne ooit geschreven in een preek over Romeinen 1 vers 16. Misschien rees bij iemand een dergelijke gedachte toen de hervormde synode vorige week besloot een belangrijke bepaling uit de kerkorde van 1951 te vervangen. Ik bedoel de passage —kort gezegd— dat de kerk joden uit de Heilige Schrift betuigt dat Jezus de Christus is. Het merendeel van de synodeleden wijst „zending onder joden" af. Voortaan zoekt de kerk het gesprek met Israël „inzake het verstaan van de Heilige Schrift, in het bijzonder betreffende het Koninkrijk Gods en het getuigenis dat Jezus de Christus is". Deze laatste formulering zou ook vertaald kunnen worden als: Jood en christen zoeken samen naar de waarheid. En het gevaar is groot dat het getuigenis daarbij wordt ontdaan van zijn Goddelijke autoriteit.

De belangstelling voor deze kerkordewijziging hangt ongetwijfeld samen met de positie van Israël tijdens de Golfoorlog. De laffe manier waarop Saddam Hoessein dat land in die oorlog wilde betrekken, deed aandacht en sympathie voor Israël groeien. Het verdriet -of is het de ergernis?- over de wijziging van de getuigenisparagraaf in de kerkorde ontvangt door die aandacht en sympathie een extra accent.

Hoe zwaar?

Hoe zwaar moeten wij aan de gewraakte wijziging tillen? Heel zwaar! De verandering weerspiegelt de tendens van vrijblijvendheid in de theologie die anno 1991 —veertig jaar na de 'nieuwe' kerkorde— de toon aangeeft. Ook al wees men dan in de synode bijna unaniem de tweewegenleer af.

Het zou —zo beweert men— te arrogant zijn, of niet wijs en verstandig, om te betuigen dat de nieuwtestamentische Jezus de beloofde Messias is. Maar heeft Jezus Zelf in de synagoge te Nazareth Zijn zending niet verbonden aan de messiaanse profetie van Jesaja? Hoewel het Hem, menselijk gesproken, bijna Zijn leven kostte. Christus' optreden was wijs, scherp soms, maar niet vrijblijvend.

Toch moeten wij voorzichtig zijn met mogelijke verontwaardiging over de wijziging van het kerkordeartikel. Gereformeerden uit alle kerkelijke denominaties koesteren vanouds toch eigenlijk een niet geringe voorkeur voor de Dordtse Kerkorde (DKO). En wat staat er in de DKO over zending onder joden? Helemaal niets. De hervormde synode heeft dus wijziging aangebracht in een passage die in die DKO nimmer een plaats had. En dat een dergelijk artikel geen plaats had in de DKO is tekenend voor de betrekkelijk geringe aandacht om joden te bereiken met het volle Evangelie.

Binnenkerkelijk

De synode had het de vorige week druk. In verband met nog andere kerkordewijzigingen vergaderde zij in dubbele samenstelling. Behalve 'Israël' stonden ook een wijziging in taakstelling van het instituut Kerk en Wereld en het hete hangijzer van het onderscheid tussen „bestuur en beheer" op de agenda. Die laatste kwestie is een sterk met de historie verweven en dus typisch hervormde, binnenkerkelijke aangelegenheid.

Dat kan men van de wijziging in de kerkorde terzake van het getuigenis aan de Joden niet zeggen. Niet alleen een mogelijke toekomstverwachting voor het volk der joden, maar ook het feit of en de wijze waarop hun de boodschap van het Evangelie moet worden gebracht, staan in het centrum van de belangstelling. Er is vooral in de kerken van de gereformeerde gezindte de achterliggende maanden ongewoon veel gebeden of God de verharding die voor een deel over Israël gekomen is, wil wegnemen.

Missionair elan?

Ons protest tegen de kerkordewijziging —of dat nu klinkt in hervormd-gereformeerde of in 'afgescheiden' kring— zou doen vermoeden dat er onder ons sprake is van een groot missionair elan. Van een innerlijke gedrevenheid om joden —waar ook ter wereld— „te betuigen dat Jezus de Christus is". Maar: is er eigenlijk wel zo veel zendingsdrang ten aanzien van de joden in de gereformeerde gezindte? Wij hebben -voor en na de eeuwwisseling— in onze Nederlandse geschiedenis mannen gekend als Kropveld, Van Os, Korf, Ten Boom van Van Nes. Zij fungeerden voluit als zendeling onder de joden. Nu is het aantal joden in Nederland drastisch teruggelopen. Maar ook in theologisch opzicht is die tijd voorbij. En wat hebben wij er vanuit de gereformeerde gezindte tegenover gesteld? Ik dacht vooral -hoewel niet alleen— materiële hulp.

Materiële hulp

Materiële hulp kan uiterst noodzakelijk zijn. Toch meen ik dat dergelijke hulpverlening niet altijd tot de taak van de kerk behoort. Misschien wel tot die van individuele christenen. Ik dacht dat het de taak van de kerk is, daar waar zij structurele hulp verleent, deze hulp vergezeld te doen gaan van het christelijk getuigenis. Met noodhulp, voor eerste levensbehoeften, kan dat anders liggen.

Wat doen wij, vanuit de gereformeerde gezindte, zo vroeg ik? Wij helpen orthodoxe joden bij het in stand houden van een ziekenhuis. Wij helpen orthodoxe joden bij de beveiliging van hun scholen. Wij helpen slachtoffers van de holocaust in psychische problemen. Wij helpen joden die uit de Sowjet-Unie naar het land Israël kwamen om daar een nieuw thuis te vinden. Ik wil er geen kwaad woord van zeggen. Integendeel.

Moeilijkheden

Echter: materiële hulp of diaconaat is toch niet hetzelfde als de joden te betuigen dat Jezus de Christus is? Hoewel het elkaar ook niet hoeft uit te sluiten. Maar wij zijn toch in de gereformeerde gezindte nog niet zo ver dat wij diaconaat vereenzelvigen met missionaire elan? En als blijkt dat daarvan onder ons feitelijk geen sprake is, is ons protest tegen het schrappen uit of wijzigen van de hervormde kerkorde dan nog wel geloofwaardig?

Ik weet heel goed dat het niet mogelijk is om -als enige kerkgemeenschap dat al zou willen- een evangelist of (maar alleen dat woordgebruik wordt al veroordeeld) zendeling naar Israël te sturen. Maar zoeken wij in de gereformeerde gezindte dan wel andere wegen?

Ik zou graag ijver zien om joden te betuigen dat Jezus de Christus is. Niet vastgelegd in kerkorde of belijdenisgeschrift. Dat hoeft van mij niet. Maar voortvloeiend uit een wezenlijke, innerlijke betrokkenheid op Gods eer en het heil van onze naaste. En als die heilige ijver niet gevonden wordt, zijn we dan met al onze materiële hulp —zoals zo vaak- weer niet bezig geestelijke armoede te verbergen?

Eerst de jood

M'Cheyne zette boven zijn preek over Romeinen 1 vers 16: „Eerst de jood". „De meeste mensen schamen zich het Evangelie van Christus. De wijzen, omdat het geloof van de mens eist en geen spitsvondige redeneringen - de groten naar de wereld, omdat het alle mensen voor God gelijk maakt - de rijken, omdat het moet aangenomen worden zonder geld en zonder prijs - de blijgeestigen, omdat zij menen al hun vreugde daarvoor te moeten vaarwel zeggen; en zo wordt de blijde boodschap dat de eniggeboren Zoon van God in de wereld gekomen is tot een Borg voor verloren zondaren, veracht, in de wind geslagen - de mensen schamen er zich voor. Wie schamen zich dit Evangelie niet?"

M'Cheyne zette als thema boven deze preek: „Onze schuld aan Israël". Over deze inzet, over dit thema, moeten wij allen eens nadenken. Zowel synodeleden die de kerkorde wijzigen als mensen bij wie de ware missionaire ijver ontbreekt.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.