+ Meer informatie

EMANUELS ONDERTROUW

5 minuten leestijd

9.

Hier volgt de zesde brief, het antwoord van Emanuël op de brief van de bruid.

Mijn zuster, o bruid.

Het is Mij aangenaam geweest een briefje uit uw hand te ontvangen. Ik heb hetzelve terstond in- en overziende (met verbetering en Mijn rekommandatie daarbij doende) Mijn Vader ter hand gesteld, Die nevens Mij getoond heeft een welgevallen in hetzelve te hebben en gij moogt u verzekeren Ons nooit ongenoegen te zullen geven, hoeveel maal ook zulks van u hervat wordt. Ja, Ik betuig u, dat ge voorzoveel in u is, misnoegen veroorzaakt van u zo menigmaal te laten hinderen van Ons niet die en dergelijke geduriglijk toe te zenden. Ik weet zeer wel, dat uw bekommering om zulks niet wel te doen u veelszins terug houdt, maar heb toch van Mijn Vader noch van Mij niet langer zulke onbetamelijke gedachten, alsof Wij minder liefde en barmhartigheid hadden dan mensen, die boos zijn omtrent hun kinderen. Want wat vader is er, die het verzoek en geschrift van zijn kind verwerpen zal, omdat het niet zo ordentelijk en al stamelende gesproken is! Of, omdat de letters niet zo net en de woorden zo wel niet geschikt noch gespeld zijn, bijzonder als daarbij komt, dat het wenst zonder fouten te mogen spreken of schrijven, en dat het zijn misslagen beklaagt en daarover zijns vaders gunst verzoekt; immers zal er zo’n vader (indien er enige liefde in hem is) nergens gevonden worden.

Schrik dan en schaam u van ooit te denken, dat Wij, Die oneindige liefde en ingewanden van barmhartigheid hebben, uw woorden en brieven verwerpen zouden om dergelijke bijkomende fouten, welke ge beklaagt, wenst te verbeteren en waarover ge Onze gunst en meedogen verzoekt. Neen, neen, wacht toch van Onze liefde wat beter en gedenk, dat Ik in Mijn geschrift u gezegd heb: indien gij, die boos zijt, weet uw kinderen goede gaven te geven, hoeveel te meer zal de hemelse Vader goede gaven geven die Hem daarom bidden. En houd u dan verzekerd, dat Wij het beste van uw begeerten voldoen zullen. Maar houd ook in gedachten, dat Ik na de kennis die Ik van uw gestalte en staat genomen heb, best weet, wat u volgens dezelve (en om Mijn oogmerk te bereiken) van node is en dat Ik alles schoon maak op Mijn tijd. Geloof ook, dat Ik als een goed en wijs Medicijnmeester u veeltijds groter weldaad bewijs wanneer ge zelf het tegendeel meent te ondervinden, dan wanneer Ik u veel zoetigheid deelachtig maakte.

Uw gebrek is kwaadaardig en tot in het gebeente doorgedrongen en daarom is het nodig, dat u dikwijls een bittere drank wordt toegevoegd, niet alleen om u zoveel zekerder te genezen, maar opdat ge ook enigszins zoudt gewaar worden hoe bitter het is uw Maker te verlaten. Ook om medelijden te leren hebben met anderen, die verzocht worden. En wel voornamelijk, opdat ge eens van al uw gebrek verlost en al Mijn weldaden deelachtig zijnde u des te gevoeliger daarover mocht verblijden en Mij en Mijn Vader te hartelijker en te zuiverder liefhebben en danken.

Ik weet wel, dat ge begerig zijt om van dit alles gevoelige verzekering te hebben, maar geloof, dat Ik uw woonplaats tot een treur-en strijdperk geordonneerd heb en dat die verkwikkende ontmoetingen (welke Ik somtijds deze of gene van Mijn ondertrouwden deelachtig maak) wel bekwaam zijn om het hart (in de tijd des genietens) wat te verheugen en op te beuren, maar geenszins om zich daarop te verzekeren, nademaal de verzekering daarop gefondeerd zijnde met het ophouden dier zoetigheid zekerlijk bezwijken zou.

Maar Mijn Woord is zeer vast en altijd hetzelfde. En daarin heb Ik verklaard, dat allen, die uit eigen ondervinding als alleszins schuldigen, naakten, blinden en ellendigen met verlegenheid tot Mij komen om alszodanigen met Mij te willen ondertrouwen, opdat zij Mij en Ik haar geheel en al tot een eigendom mochten worden en om alzo door Mij van al haar kwaad verlost en Mij tot een welbehagende bruid gemaakt te worden, zekerlijk van Mij zullen worden aangenomen en in Mijn vrede- of huwelijksverbond worden ingelaten: want al, die tot Mij komt zal Ik geenszins uitwerpen.

En Ik zweer u, dat bergen zullen wijken en heuvelen wankelen, maar het verbond Mijns vredes zal niet wankelen tot in eeuwigheid. Laat dat de grond zijn van uw verzekering en gij zult bevestigd worden.

En houd overzulks alles voor een werk van de oude bedrieger en voor het verstand van een dwaas, dat u hierin terughoudt, dewijl het nooit uit Mijn mond gevloeid is noch in Mijn hart is opgekomen dezulken van Mij af te drijven. En al is ’t ook, dat ge zowel in ’t geloof, als in andere deugden veelszins uw gebrek zult gewaar worden, zo geloof, dat Ik genegen ben om al uw gebrek te genezen, niet zal nalaten (Mij blijvende aankleven) te blijven, Die Ik ben, uw liefhebbende en getrouwe Bruidegom.

En nadat ge nog een weinig gestreden en in de woestijnen omgedwaald zult hebben, zal Ik u brengen daar Ik ben en u doen genieten verzadiging van vreugde bij Mijn aangezicht en lieflijkheden aan Mijn rechterhand eeuwiglijk. Vaarwel.

Deze brief mist zijn uitwerking niet. Dat hopen we later te zien.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.