+ Meer informatie

IK MAG ER ZIJN

7 minuten leestijd

Vroeger leerden de meeste kinderen vooral te zwijgen als ouderen spraken en klein over zichzelf te denken. Zelfgenoegzaamheid was uit den boze. ‘Je moet nog veel leren!’ Diezelfde kinderen hoorden in de orthodoxe kerken preken over de onwaardigheid van mensen voor God (vanwege de zonde) en dat ze zich moesten bekeren. Dan nog zou hun geloof geen gewicht in de goddelijke weegschaal leggen. Alleen door onverdiende genade wordt een mens behouden. God is de gans Andere en de mens is minder dan een stofje aan de weegschaal. Op de school van de Heilige Geest ga je elk jaar een klas achteruit: je wordt steeds kleiner. Als je klein van jezelf denkt, kun je ook doen wat God vraagt voor de omgang met medemensen: liefhebben en jezelf verloochenen. Ook dat wordt nooit een verdienste. Op je sterfbed ben je nog slechts een bedelaar aan Gods genadetroon.

EEN NIEUW GELUID

Dankzij de humanistische psychologie is de kijk op opvoeden veranderd. In onze tijd bevestigen ouders hun kinderen. Ze worden al geprezen voor ze iets gedaan hebben. ‘Je kunt het, toe maar!’ Ze mogen meedoen met het gesprek met ouderen en hun eigen mening geven. De boodschap in de kerk is op veel plaatsen ook veranderd. In veel christelijke bijeenkomsten zijn we drukker met ‘hoe vind ik mijzelf?’, dan met de vraag ‘hoe krijg ik een genadige God?’ God wordt gepredikt als de God die ons bevestigt in wie wij zijn. God is niet zo vaak meer de God die vraagt dat wij ons tot Hem bekeren. De mens en zijn ontplooiing staan centraal. Wij hebben God nodig om onszelf te worden. Pastoraat is er dan niet om mensen te doen thuiskomen bij God, maar om ze te doen thuiskomen bij zichzelf. Veel gesprekken zijn op de mens en zijn gevoelens gericht. Ze gaan wel over God, maar dan vooral over hoe God ons dient als we verdriet hebben, ons onveilig voelen of nog anders in de knoop zitten. De (kinder)liederen vallen ook op. ‘Je bent een parel in Gods hand!’ klinkt als een Bijbeltekst, maar is het niet. Iedereen kent deze woorden, dankzij een lied van Elly en Rikkert, waarin duidelijk gemaakt wordt dat een kind niet hoeft te denken dat het een ‘oen’ is. Je ziet dit ook terug in het christelijk (vormings)onderwijs. De boodschap is: mens, je bent begaafd, ontplooi jezelf, God aanvaardt jou! Wees jezelf, er zijn al genoeg anderen! Samengevat: ‘Je mag er zijn!’ Daarbij past een assertieve levenshouding tegenover medemensen.

KRITIEK

Prof. A. van de Beek vindt het eigentijdse zoeken van zelfbevestiging een ontkenning van wat Gods Woord over de mens zegt. Gods Woord tekent de mens in zijn afhankelijkheid, gebrek en schuld.1 In vergelijking daarmee is de boodschap ‘Je mag er zijn!’ maar oppervlakkige humanistische praat, vooral als die nog uitgebreid wordt: ‘Je mag er zijn, zoals je bent’.

ZIJN WE NU GELUKKIGER?

Het vreemde is dat ook in onze tijd er nog genoeg mensen tobben met de vraag of ze er wel mogen zijn. Er wordt beweerd dat orthodoxe preken mensen een somber zelfbeeld kunnen bezorgen. Laten we maar toegeven dat dat kan, vroeger en nu. Als je te vaak hoort dat je niets waard bent in jezelf, kan je gezonde zelfvertrouwen beschadigd worden. Dan ontbreekt er wel iets in die preken, omdat de nietswaardigheid van een mens nooit de enige boodschap mag zijn. Er is ook nog de grootheid van Gods genade. Ik zou echter de Nederlanders niet de kost willen geven die nog nooit een (eenzijdige) orthodoxe preek gehoord hebben en toch zichzelf in de weg zitten. Vanaf hun jeugd hebben ze gehoord dat ze er mogen zijn en toch hebben ze een negatief zelfbeeld ontwikkeld. Bij elk mens heeft dat een eigen oorzaak. Sommigen zijn ook beschadigd door trauma’s die ze hebben opgelopen. Toch is er ook iets algemeens over te zeggen. Dr Frits de Lange schreef in een artikel in Trouw (9 februari 2009) dat veel mensen depressief worden omdat in onze samenleving de lat zo hoog ligt. En veel mensen vinden zichzelf niets waard omdat ze niet zo goed scoren als anderen. Vroeger worstelden mensen met God, maar nu worstelen ze met zichzelf. Voortdurend moeten ze zichzelf ontwikkelen en zichzelf verbeteren om mee te komen. Daarvan worden mensen moe. Als ze falen, krijgen ze een afkeer van zichzelf. Ze voelen zich ‘losers’. Ze mogen er dan van zichzelf eigenlijk niet meer zijn.

WAT IS ONS MENSBEELD?

Wat kunnen we hiervan vinden? Stel ik niets voor? Moet ik als gelovige steeds kleiner van mezelf gaan denken? Of mag ik mijzelf zien als een belangrijk en uniek persoon met gaven, die ik mag ontwikkelen? Is het geloof nodig om God te leren kennen of is het er (ook) om mezelf beter te kunnen aanvaarden? Ik ben blij met het reformatorische spreken over de mens. Laten we de tegenstelling daarvan met het humanistische mensbeeld goed zien, maar niet onnodig scherp maken. En vervolgens denk ik dat we met een reformatorisch mensbeeld – en dat is een Bijbels mensbeeld! - sterk staan in een wereld waarin mensen opgezweept worden om uit zichzelf te halen wat erin zit. Als we ‘Je mag er zijn!’ Bijbels invullen, komen we verder. We hoeven niet terug naar vroeger. We hoeven zelfontwikkeling niet te bestrijden. Assertiviteit is in principe niet verkeerd. We kunnen de boodschap van toen actueel maken. Ik zou bijvoorbeeld kunnen proberen ‘Je mag er zijn!’ in te kleuren vanuit de vierslag van de Heidelbergse Catechismus: troostellende-verlossing-dankbaarheid. Dan komt daar geen treurig mens- en zelfbeeld uit te voorschijn. Dat is juist realistisch positief. Ik neem nu echter een iets andere invalshoek.

‘IK MAG ER ZIJN’ IN BIJBELS LICHT

De vraag ‘hoe ben ik mijzelf in Bijbels licht?’ kunnen wij het beste vroeg in de morgen persoonlijk overdenken. Dan doen we als David, die Gods goedertierenheid aan het begin van de dag wil horen (Ps. 143:8). Hij heft zijn ziel op tot God en vertrouwt erop dat de Here de weg die hij te gaan heeft voor die dag bekend zal maken. Als wij nu eens hetzelfde doen op de rand van ons bed of in onze stille tijd, wat mogen we dan geloven? We tobben even niet over onszelf, over onze zorgen over de taak die wacht en de eisen die daarbij aan ons gesteld worden. We kijken niet bij onszelf naar binnen, maar richten ons tot God.

Dan is het eerste wat wij mogen geloven: ‘Ik mag er zijn vandaag. God is mijn Schepper. Hij kent mij. Hij heeft mij eens mijn leven gegeven. Ik ben naar Zijn beeld geschapen. Hij geeft mij ook deze nieuwe dag. Wat een geweldig geschenk is dat; ik zeg er amen op! Deze Schepper wil ook vandaag voor mij zorgen als mijn hemelse Vader, of ik nu naar mijn werk ga of naar de dokter moet. Hij is erbij. Als ik er van Hem mag zijn, wat zal ik dan tobben over wat de mensen van mij vinden of wat ik van mijzelf vind?’

Het tweede wat wij mogen overdenken is: ‘Er kan veel misgaan vandaag, ook doordat ik dingen fout doe. Ik ben een zondig mens. Ik weet dat God mij toch niet van zich afstoot, maar mij juist naar Zich toetrekt. Christus heeft het met Zijn offer mogelijk gemaakt, dat ik vergeving ontvang. Wat heerlijk dat de Heiland Zich in het Woord aan mij bekend gemaakt heeft. Ik ben niet alleen in de naam van de Vader maar ook van de Zoon gedoopt! Ondanks mijn zondige aard en mijn zondige daden, mag ik er zijn. Dankzij Christus. Wat zal ik mij dan vandaag druk maken of ik in de ogen van de mensen goed genoeg ben? Ik leef niet van prestaties maar van genade!’

Het derde wat wij mogen weten heeft met de Heilige Geest te maken. Ook in Zijn naam zijn wij immers gedoopt. ‘Ik mag ook vandaag geloven dat ik een mens van grote waarde ben. De Here God schakelt mij niet uit, maar schakelt mij in. Zijn Geest wil in mij wonen en mij een instrument maken in Zijn dienst. Hij bekeert mij tot God. Hij maakt mijn leven elke dag nieuw. Daarom bid ik dat de Geest door mij heen werkt en dat er door mij iets zichtbaar mag worden van God. Ik mag met mijn gaven ieder die ik vandaag ontmoet dienen. Als Gods Geest zelfs in mij wil werken, zal ik er dan tegenop zien als mensen misschien kritiek op mij hebben? Ik zal ernaar luisteren, maar mijn status is onbedreigd. Dat God door Zijn Geest in mij werkt, is mijn hoogste eer.’

Als wij ‘s morgens vroeg ons leven bezien in het perspectief van de Drieënige God, krijgen wij een goede dag. Als dat niet alleen in ons hoofd zit, maar ook de beleefde werkelijkheid van ons hart is, worden we bewaard voor veel negatief gepieker over onszelf. En zeg nou zelf: is deze invalshoek niet prachtig voor pastorale gesprekken met mensen die tobben met een negatief zelfbeeld?

Nico van der Voet (1958) is theoloog en onder andere docent ethiek aan de opleiding Pastoraal Werk van de Christelijke Hogeschool Ede. Hij publiceert regelmatig over thema’s op het snijvlak van geloof en psychologie

1 A. van de Beek, Ontmaskering, christelijk geloof en cultuur, Zoetermeer 2001, blz. 42v.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.