+ Meer informatie

De Christinnereis is voor jong en oud

8 minuten leestijd

39

Toen de pelgrims de volgende morgen ontwaakt uit de zoete rust des slaaps allen weer bijeen waren, verzocht Christinne aan haar zoon Jacobus om een hoofdstuk te lezen, en hij las Jesaja 53. Toen hij met het lezen geëindigd had, vroeg Eerlijk waarom er geschreven staat van de Zaligmaker: „Hij was opgeschoten uit een dorre aarde”, en „Hij had geen gedaante noch heerlijkheid”.

Hierop hernam Stoutmoedig: „Het eerste kan ik, naar ik meen, hiermede beantwoorden, dat het volk der Joden tot hetwelk Jezus kwam, bijna alle levenskracht en godsdienstzin had verloren. Het andere betekent geloof ik meer de verblinding der ongelovigen, die wereldsgezind als zij waren, geen oog hadden om enigszins te zien in het hart van onze Koning en daarom alleen letten op Zijn uitwendige, nederige verschijning. Zij waren als mensen die niet weten dat edelgesteenten met een onaanzienlijk omkleedsel bedekt zijn, en die als zij zulk een steen in handen kregen, hem als volkomen waardeloos zouden wegwerpen”.

Ja, wij hebben de kostelijke ogenzalf der genade nodig om Christus in de dierbaarheid van zijn Persoon en bediening recht te leren kennen. Het is door de zalving van de Heilige Geest als het hart zegt: „Al wat aan Hem is, is gans begeerlijk. Zulk één is mijn Liefste, ja zulk één is mijn Vriend, gij dochters van Jeruzalem”.

Nu zei Gajus: „Daar wij Stoutmoedigheid bij ons hebben, die zijn wapenen meesterlijk weet te hanteren, stel ik voor, dat wij, als wij voldoende gespijzigd zijn, met hem uittrekken om te zien of wij iets goeds kunnen uitvoeren. Op enige afstand van hier woont een reus, Verdelger genaamd, die deze landstreek zeer onveilig maakt, en ik weet enigszins waar hij zich schuil houdt. Hij is het hoofd van een bende rovers, en het zou een weldaad zijn als wij de omtrek van deze booswicht konden verlossen”.

De geestelijke belangen van de pelgrims hebben wij altijd in afhankelijkheid van de hulp des Heeren te behartigen. Wij hebben hen zoveel mogelijk bijstand te verlenen in de strijd en tot troost te zijn in hun droefheid. Allen bewilligden hierin en begaven zich op weg; Stoutmoedig gewapend met zwaard, helm en schild, de overigen met speren en knotsen.

Toen zij gekomen waren aan de plaats waar hij zich ophield, bleek het dat hij juist zijn woede koelde aan een zekere Kleinmoedig, die zijn knechten onderweg hadden overvallen en aan hun meester overgeleverd.

De geweldenaar scheen wel voornemens hem te verscheuren en te verslinden, want hij had de aard van een menseneter. Zodra hij dan ook Stoutmoedig en zijn vrienden aan de ingang der spelonk zag, vroeg hij wat zij daar te maken hadden.

Stoutmoedig: „Wij hebben uzelf nodig! Wij zijn gekomen om u te vergelden al de ellende, die gij zovele pelgrims hebt berokkend en wraak te oefenen omdat gij hen van des Konings heirbaan hebt weggesleept. Kom eens uit uw spelonk!”

Daarop wapende hij zich en kwam naar buiten. Toen begonnen zij te strijden; het gevecht duurde omstreeks een uur, waarna zij ophielden om adem te scheppen.

Verdelger: „Wat hebt gij hier op mijn gebied te maken?”

Stoutmoedig: „Wij zijn gekomen om de verslagen pelgrims te wreken, zoals ik u reeds zei”. Nu grepen zij opnieuw naar de wapenen en bij de eerste aanval moest Stoutmoedig terugwijken. Maar terstond sloeg hij weer op zijn tegenstander los, die nog wel zijn slagen afkeerde, maar toch eindelijk moest zwichten. Tenslotte sloeg Stoutmoedig hem met een slag het hoofd af en zo had hij tevens Kleinmoedig uit het geweld van dat monster bevrijd. Zij namen hem nu ook mee naar Gajus’ woning en toonden daar ook het hoofd van de verslagene. Later werd het ten toon gesteld tot een afschrikwekkend voorbeeld voor andere vijanden.

In de grond der zaak was Kleinmoedig bevrijd uit de greep van helse ketterijen. De arme man was er niet tegen opgewassen, zodat hij er door met machteloosheid werd geslagen. Maar Stoutmoedig mocht die helse ketter verslaan, hem treffen in zijn leugenachtig hart. En dat gaf Kleinmoedig weer moed en kracht verder te gaan op Sion aan.

Nu richtten zij tot Kleinmoedig de vraag wat de oorzaak was, dat hij in de handen van de geweldenaar was gevallen.

Toen zeide de arme man: „Ik ben een ziekelijk man, en daar de dood gewoonlijk elke dag bij mij aanklopte, begreep ik dat ik tehuis nooit weder gezond zou worden. Nu ging ik als pelgrim op reis en ben hier gekomen van de stad Onzeker, waar mijn vader geboren is evenals ik. Lichaamskracht bezit ik niet, en ook geen geesteskracht, maar ik wens de weg van een pelgrim, zij het dan ook slechts kruipende, af te leggen. Toen ik aan de poort kwam aan het begin van deze weg, ben ik daar zeer vriendelijk ontvangen, geen enkele aanmerking werd gemaakt op de zwakte van mijn lichaam of van mijn geestesvermogen, en bij mijn vertrek werd mij allerlei medegegeven dat ik op reis zou kunnen nodig hebben en de wens mij toegevoegd dat ik de hoop tot het einde toe mocht behouden. Aan het huis van Uitlegger gekomen werd mij de grootste vriendelijkheid bewezen, en daar hij het bestijgen van de heuvel Moeilijkheid voor mij te zwaar vond, heeft hij mij door zijn dienaars die laten overdragen”

Wat kan de Heere het kleinmoedigen soms gemakkelijk maken. Dan worden zij op vleugelen der arenden gedragen en tot Hem gebracht om te delen in het licht van Zijn vriendelijk aangezicht.

„Inderdaad heb ik in mijn kleinmoedigheid van meer dan één pelgrim hulp en troost genoten, al had niemand lust zo langzaam voort te gaan als ik genoodzaakt ben te doen. Maar niemand ging mij voorbij, zonder mij een bemoedigend woord toe te spreken en te zeggen, dat het des Heeren wil is kleinmoedigen te vertroosten, en zo gingen zij op hun eigen manier verder.

Toen ik in de Aanvalslaan was gekomen, plaatste die geweldenaar zich tegenover mij en eiste dat ik tegen hem zou strijden. Nu daartoe ontbrak mij de macht geheel en al, dus als een weerloze prooi viel ik in zijn handen. Maar ik geloofde vast dat hij mij niet zou kunnen doden. Wel sleepte hij mij in zijn hol, maar omdat ik niet gewillig met hem was gegaan, was ik vast overtuigd dat ik er weer levend uit zou komen”.

Zie, dat is nu het onaantastbare leven der genade dat de Heere aankleeft. Gesteld in de staat des geloofs werd hij door het geloof in de kracht Gods bewaard. En al waren zijn omstandigheden van alle kanten hopeloos, daar was en daar leefde in zijn hart een hopen op des Heeren onveranderlijke trouw. Van dat leven moest Verdelger afblijven, het is de wortel der zaak.

Kleinmoedig: „Eenmaal was ik verzekerd dat, zolang ik niet gewillig in ’s vijands handen viel, doch alleen voor het geweld boog, de vijand geen macht over mij zou behouden. Ik gevoelde dat hij mij beroven zou gelijk het dan ook geschied is, maar ik heb er het leven afgebracht en daarvoor zal ik mijn Koning en u altijd dankbaar zijn. Dat ik aan nieuwe aanvallen bloot sta, daarvan ben ik zeker, maar ik ben vast besloten die tegemoet te gaan, te lopen als ik lopen kan, en te kruipen als ik niet kan gaan. Mijn keus is beslist, dank zij Hem, Die mij heeft liefgehad! Mijn pad ligt open voor mij, mijn hart is aan de overzijde der rivier, waarover geen brug ligt, al ben ik ook, gelijk gij ziet, een arme en zwakke van geest”.

Met vermaak hebben wij mogen luisteren naar de geloofstaal van Kleinmoedig. Hij heeft tot verheerlijking van de Heere een lofzang mogen zingen. Mogen zingen van de wegen des Heeren. Waarom de vijand hem heeft kunnen beroven, doet hier niet ter zake. De vijand ten spijt is hij rijker uit zijn hol tevoorschijn gekomen, dan dat hij er in is gegaan. Daniël is rijker uit de leeuwenkuil opgekomen dan ter neder geworpen, daar hij er met nieuwe blijken van Gods trouw uit opgekomen is. Kleinmoedig doorworstelde in het hol van de leeuw een zware beproeving en hij heeft niet gewankeld. En dat heeft de Heere met blijken van Zijn liefde en trouw bekroond. Hij is er door versterkt in het geloof en bevestigd in de staat der genade. Zijn jeugd is vernieuwd zodat hij de reis moedig mag voortzetten. Voorts is het tot versterking van het geslacht der kleinmoedigen dat Stoutmoedig de overwinning mocht behalen op Verdelger. Maar daarmede is dat geslacht der boosheid nog niet tot de laatste man toe uitgeroeid. Daar zijn er nog meer die op ons loeren en daar hebben wij rekening mee te houden. „Zijt niet hooggevoelende, maar vreest”.

Nijkerk

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.