+ Meer informatie

HET LIJDEN VAN DE WERELD EN DE SMART VAN GOD

8 minuten leestijd

VRAGEN ZONDER ANTWOORD

De vragen van mensen in het lijden van de wereld komen niet tot een einde. Onze geseculariseerde cultuur richt die vraag niet automatisch tot God. Vaak komt men slechts tot de conclusie dat het onmogelijk is dat er een God is. En verder houdt men zich praktisch staande in de vicieuze cirkel van geweld en leed rondom. De niet aflatende stroom berichten over natuurrampen of oorlogsgeweld en onderdrukking, en de gigantische aantallen slachtoffers die worden genoemd bieden zelfs een pantser van gewenning.

Tragedies van ziekte en dood binnen de eigen levenssfeer maken het echter vaak anders. Ook dan blijkt doorgaans dat nood niet leert bidden. Men vindt al of niet een weg om verder te kunnen, maar dat in het lijden een deur open kan gaan naar God, dat gebeurt nauwelijks. De vragen die iemand naar de keel kunnen grijpen vinden geen antwoord. En als een gelovig christen in zulke situaties probeert vanuit het evangelie bij iemand binnen te komen, merkt hij dat hij maar weinig kan zeggen.

Trouwens, christenen kennen net zo goed vragen die geen antwoord lijken te hebben. Ook gelovigen roepen soms dat de belijdenis van zondag 10 uit de Catechismus hun wat te snel gaat. De erkenning van Gods almachtige en alomtegenwoordige kracht, en van Zijn vaderlijke hand (antw. 27), brengt hen niet zo gladjes bij het ‘in alle tegenspoed geduldig en in voorspoed dankbaar’ van het volgende antwoord van de Heidelberger. Met de nadrukkelijke erkenning in art. 13 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis van het feit dat veel in Gods handelen ons verstand te boven gaat, stemmen ze dan wat makkelijker in.

TROOST?

Er is door gelovige voorgangers al veel geschreven over de spanning onder deze belijdenis. Enerzijds belijden we het geloof in Gods almacht, anderzijds is de worsteling die ook gelovigen ermee door kunnen maken niet te ontkennen. Ook de theologische bezinning ontkomt niet aan de realiteit en de weerbarstigheid van het lijden. In de voorzienigheid van God krijgt de thematiek van ‘God en het lijden’ een plaats. Dikwijls wordt Augustinus aangehaald: Ook wat tegen Gods wil ingaat, valt er toch niet buiten. Kunnen we wel verder komen? In het verlengde daarvan ligt ook het thema van de ‘theodicee’. Letterlijk wil dat zeggen: de rechtvaardiging van God. Kan ons denken iets begrijpen van Gods heerschappij temidden van de baaierd van verdriet en leed in deze wereld? Is redelijkerwijs te verdedigen wat de Here God doet, en wat Hij toelaat? En geeft dat dan ook troost en uitzicht? Dikwijls is gezegd: probeer het maar niet. Onze beperkingen schetsen nog niet de vaagste contouren van Gods beleid over een gevallen wereld. Misschien kan een mens die verlangt God lief te hebben met zijn verstand wel wat verstandige en zelfs wijze dingen zeggen. Toch komen de vragen niet tot rust.

SOMS IS ZWIJGEN BETER

Op het niveau van het pastoraat in de gemeente wordt — gelukkig — dikwijls beseft, dat zwijgen beter is dan spreken. Het advies om niet te vragen waarom, maar waartoe biedt als regel meer schade dan troost. We kennen de vele situaties wel van ongelooflijk leed, en van schrijnende vragen. Ik geeft geen voorbeelden, maar pastores weten heel best wanneer ze geen sluitende woorden hebben. Soms kun je later een beetje een hand reiken. Dat de vrienden van Job, die hem kwamen troosten, om te beginnen zeven dagen en zeven nachten lang alleen zwijgend present waren, zegt wel iets (Job 2:11–13).

Ik wil in dit artikel niet proberen de diepte en breedte van de vragen die hier liggen te overzien. Eigenlijk alleen maar uit de Schrift iets opdiepen over het hoe van Gods nabijheid temidden van de schuld en de nood van de wereld. Daarin zitten wel een paar handvatten voor de troost die nodig is. Op zijn minst zien we Gods bemoeienis wat dichter bij het verdriet van mensen komen, én bij hun schuld.

GODS HEEFT ZICH TOCH NIET TERUGGETROKKEN

‘Gods vaderlijke hand’ is niet vanzelfsprekend in deze wereld. Na de zondeval lezen we hoe Gods oordeel de mens en de aarde treft. De woorden moeite, smart, heersen, vervloekt, zwoegen, zweet, doornen, distels, stof, en daarmee de gedachte aan de dood, beheersen de passage die erop volgt (Gen. 3:16–19). En toen zond de HERE God de mens weg uit de hof van Eden… (Gen. 3:23). En nadat we lezen van Kaïn en Abel en van de woekering van boosheid in de geslachten die volgen, volgt de ‘mededeling’ dat het de HERE berouwde dat Hij de mens op aarde gemaakt had, en ‘het smartte Hem in zijn hart’ (Gen. 6:6). De conclusie is: ‘Ik zal de mensen die Ik gemaakt heb, van de aardbodem uitroeien.’ Dat betreft dan mensen, vee en krui-pend gedierte en de vogels. Daar vervalt elke vanzelfsprekendheid over de hand van God die nabij is. God trekt zijn handen van de wereld af en heeft daar goede reden voor.

Waar halen we dat makkelijke praten vandaan over een lieve God, en een lieve Jezus die zielige en verdrietige mensen een goed leven wil geven? Natuurlijk wil God geen geweld en geen ziekte en geen dood… Maar als dat de uitstraling van onze boodschap is, moeten we er wel bij zeggen, dat God de Heilige is, die ook geen zonde wil. En het verbazend noemen, dat Gen. 6:6 niet het slotwoord van de Bijbel geworden is. God heeft zijn hand niet teruggetrokken, want er volgt: ‘Maar Noach vond genade in de ogen des HEREN’ (Gen. 6:7). Met eerbied gesproken — dat de HERE toen verder ging heeft Hem veel gekost. Gods liefde neemt Zijn grootheid en majesteit niet weg. Daar zit een diepte in die onbegrijpelijk is. God bewoont een ontoegankelijk licht. En toch is de Here niet onbewogen verheven. Het berouw en de smart van God doen iets van die diepte oplichten.

RUIMTE VOOR WAAROMS

Betekent Gods berouw dat Hij tegen Zichzelf ingaat als Hij toch de mens blijft opzoeken? In zekere zin is dat waar. We lezen op nog een paar plaatsen in de Bijbel, dat God niet doet wat logisch te verwachten was. Juist bij het lijden en de waaroms van mensen. Het boek Job is er een groot getuigenis van. De verwijten van Job aan de HERE, en zijn vragen, gaan heel diep. Hij roept uit dat God hem onrechtvaardig behandelt, en met willekeur. Zijn vrienden vermanen hem ernstig. Menige kerkenraad zou dat niet minder doen. Maar de slotsom van de HERE is dat niet Job, maar de vrienden vermaand moeten worden. Zelfs mét al zijn opstandige vragen heeft Job toch recht gesproken van God (Job 42:8)! In Klaagliederen gebeurt net zoiets. Door Gods Geest geïnspireerd roept een profeet (Jeremia?) dingen tegen God die ons doen verbleken. ‘Hij is mij een loerende beer… Hij heeft zijn boog gespannen en mij gesteld tot doelwit voor zijn pijl… Hij liet mij de tanden op kiezel stuk bijten… Gij hebt mijn ziel het heil doen derven, ik ben vergeten wat geluk is.’ (Klaagl. 3:10–17). Daarop volgt dan wel de erkenning van Gods gunstbewijzen. En ook dat het goed is dat de man zijn juk in zijn jeugd draagt. (Klaagl. 3:22,27) In het vervolg van het hoofdstuk wordt de toonzetting meer die van een gebed. Het is niet minder moeilijk geworden, maar de hand van God is er bij. De bittere klachten en de waaroms zijn intussen wel blijven staan. Gods Woord geeft ook plaats aan de diepste ellende die tégen God wordt uitgeschreeuwd!

Daartussen staat dan nog de wonderlijke uitspraak: ‘Immers niet van harte verdrukt en bedroeft Hij de mensenkinderen.’ (Klaagl. 3:33). God laat lijden over de wereld komen, maar Hij doet het niet van harte. God doet Zichzelf geweld aan…

GODS BENAUWDHEID

Tegen dezelfde achtergrond — de ballingschap — lezen we bij Jesaja (63:9): ‘In al hun benauwdheid was ook Hij benauwd’. Daar laat de God van de Bijbel Zich kennen als de Vader van Jezus Christus. Inderdaad doet God Zichzelf geweld aan. Dat is de lijn vanaf Genesis 3. De barmhartigheid roemt, tot in de hemel toe, tegen het oordeel. God laat zijn volk toe net als Jakob soms met Hem te strijden. God zou er zelf bijna aan onderdoor gaan, als bij Pniël (Gen. 32). Maar juist zo is Hij wonderlijk nabij.

Daarvan horen doet ons niet gering denken van Gods heiligheid. Het schenkt wel diepe verwondering over Gods bemoeienis met zondige mensen. God participeert in de last waar wij verdiend onder bezwijken. Daar verschijnen de contouren van de Man van Smarten van Jesaja 53. In Hem komt de Vader Zelf ons nabij. Die Heiland droeg de ziekten, de smaad, en de ongerechtigheden die bij ons horen. En Hij spreekt tot ons van een juk dat zacht, en een last die licht is (Matt. 11:30). Zacht en licht omdat Hij het droeg.

Hieruit distilleren we niet een godsbeeld dat in het lijden van de wereld een redelijk antwoord biedt op onze waaroms. Er gebeurt iets anders: de gestalte van de Here Jezus komt op ons toe vanaf het kruis van Golgotha. Ons waarom — onmeetbaar versterkt — op zíjn lippen. En Hij zegt tot gelovigen en ongelovigen: Komt tot mij die vermoeid en belast zijt.

En wie hóórt, weet, en laat zich troosten: Hij maakt echt alle dingen nieuw.

Troost bieden in de diepste vragen — het voorrecht van wie zelf door Hem vertroost werd (2 Kor. 1:4).

Prof.dr. J.W. Maris (1941) is hoogleraar dogmatische vakken in Apeldoorn.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.