+ Meer informatie

HOE GEKLEED? - I

10 minuten leestijd

Het is voorstelbaar dat heel wat lezers van ons blad bij het zien van dit thema zich zullen afvragen of de redactie bij het bedenken van nieuwe onderwerpen voor Ambtelijk Contact een beetje in verlegenheid is geraakt en maar eens heeft teruggegrepen naar thema’s die zo’n dertig jaar geleden de geesten nog konden beroeren. De vraag hoe en hoe uniform ambtsdragers in de zondagse samenkomsten van de gemeente gekleed dienen te gaan, is in de meeste plaatselijke kerken allang geen vraag meer. Ik elk geval wordt er op de meeste plaatsen geen principieel punt meer van gemaakt. Zo’n vijfentwintig tot dertig jaar geleden kon het dat nog wel zijn. In de zondagse samenkomsten werd in die tijd door veel ouderlingen en diakenen uniforme, donkere kleding gedragen, al of niet met streepjesbroek. Wie in die tijd tot het bijzondere ambt werd verkozen en benoemd, kon worden geconfronteerd met de geschreven of ongeschreven regel dat men zich in zijn zondagse uitrusting zou aanpassen aan wat ter plaatse onder de breeders gebruikelijk was, namelijk een donker pak. Voor wie voor het eerst tot het ambt werd geroepen, betekende dat dikwijls een behoorlijk zware financiële investering in de ambtelijke dienst, tenzij in de eigen omgeving, bijvoorbeeld bij een vader of een oom, een passend of bijna passend pak in de vereiste kleur toevallig beschikbaar was. Zelf herinner ik mij deel te hebben uitgemaakt van een kerkenraad, die financieel minder bedeelde breeders bij hun aantreden als ambtsdrager in de aanschaffingskosten tegemoet kwam.

Van meer of minder uniforme, in elk geval donkere ambtskleding is nu alleen nog sprake in christelijke gereformeerde kerken van meer behoudende signatuur. Daar hecht men nog altijd sterk aan de traditie op dit punt. Die traditie blijft daar zelfs niet eens beperkt tot de zondagse samenkomsten. Ook bij het deelnemen aan bredere kerkelijke vergaderingen wordt zij door veel ambtsdragers in ere gehouden.

Zoals gezegd, in wat men dan misschien het meer modern ingestelde deel van onze kerken moet noemen, is die traditie losgelaten. Zo er ooit een voorschrift of aanwijzing voor ambtskleding heeft bestaan en naleving vond, is de praktijk nu dat ambtsdragers naar eigen keuze en smaak gekleed gaan en dat daarop geen bemerkingen worden gemaakt, tenzij grenzen van betamelijkheid (wie stelt deze overigens vast?) worden overschreden. In de regel wel netjes in het pak, maar verder vertonen dienstdoende ambtsbroeders bij binnenkomst in de samenkomst van de gemeente op veel plaatsen naar kleur en dessin een grote variëteit. Zou men met deze breeders willen praten over regels op dit punt dan kan men rekenen op de bekende argumenten: “Geen uniformiteit in de kerk, althans niet op dit punt; ’t zit hem niet in de kleren maar in wat er onder zit; ambtsdragers behoeven geen Statussymbolen; de bijbel schrijft op dit punt niets voor. In de meer behoudende gemeenten van onze kerken zal het wel een soort geestelijke identiteitskwestie zijn; een zwart of donker pak, wat moet ik er verder mee, ik pas ervoor om, zeker in de zomertijd, in het zwart over straat te gaan”. Wat het laatste betreff: ik heb een ambtsbroeder gekend die zijn donkere pak in een kast van de kerkeraadskamer had hangen en zich ter plekke vóór en nà de diensten snel verkleedde…

Wat van dit alles zij - en daarmee dan nog even terug naar het begin van deze bijdrage - de redactie is wat thema’s voor ons blad betreff echt niet uitgeput en aan dit thema zou zeker niet zijn gedacht, ware het niet dat een kerkeraad van een grote gemeente, die wij niet tot de rechtervleugel van onze kerken rekenen, het op de redactietafel had gelegd. Binnen de broederkring is een discussie op gang gekomen over de vraag of een kerkenraadsbesluit uit 1988, terzake van de kleding van dienstdoende ambtsdragers, niet zou moeten worden ingetrokken, en zo niet, hoe stringent dan op de naleving ervan zou moeten worden toegezien. Het besluit houdt in dat ambtsdragers in de samenkomsten van de gemeente gekleed zullen gaan in een zwart of donkerblauw kostuum.

Peiling

Een peiling van gevoelens onder de breeders aan de hand van enkele concrete vragen leverde het volgende resultaat op:

a. Vindt u het op zich juist, dat over deze dingen een afspraak wordt gemaakt?

Eenentwintig breeders beantwoordden deze vraag met ‘ja’, twee met ‘nee’. De laatste breeders spreken over de vanzelfsprekendheid ‘netjes’ of ‘gekleed’ naar de kerk te gaan.

b. Hoe staat u persoonlijk tegenover de afspraak, die nu geldt?

Achttien breeders staan tegenover de geldende afspraak overwegend positief, vijf min of meer negatief.

Van degenen die er positief tegenover staan, zijn er drie die aandringen op nauwere afspraken (bijv. wit overhemd) dan wel op strakkere handhaving van de bestaande afspraak. Twee anderen wijzen juist op het gevaar van een verstrakking en pleiten voor een royalere interpretatie. Eén van de breeders, die zichzelf een wat royalere praktijk toeëigent, zou het graag horen, als dat bezwaarlijk is.

Van degenen die negatief staan tegenover de geldende afspraak, spreken enkelen van een (nieuw) ‘juk’ (van slavernij), van een verplichting zonder gronden in de Schrift en van strijdigheid met het blijde karakter van de zondag en de dienst aan de Here.

c. Welke argumenten zou u kunnen aanvoeren om uzelf en uw ambtsbroeders aan deze afspraak te houden, dan wel om uzelf en uw ambtsbroeders de ruimte te laten er naar believen van af te wijken?

Genoemde argumenten om geldende afspraak te handhaven:

- het ‘kledingvoorschrift’ voor de priesters (Exod. 28) (3x genoemd);

- de niet alledaagse kleding van de Here Jezus (1x);

- de orde in het geestelijke (1 Cor. 14:33) (2x);

- eerbiedige stijl (ook als voorbeeld voor de gemeente) (Rom. 14:18v; Fil. 4:8) (7x);

- voorbeeld volgende generatie (1x);

- manifestatie eenheid kerkeraad in beleving en beleid (9x);

- geen voet geven aan geestelijke ‘keurmeesterij’ gemeente (1x);

- herkenbaarheid (4x);

- rekening houden met gevoelens gemeente (5x);

- rekening houden met gevoelens/praktijk in andere gemeenten (3x);

- waarschijnlijke moeite andere uniformiteit te vinden (1x);

- afspraak is afspraak (2x).

Genoemde argumenten voor meer vrijheid:

- in liefde tot Christus en de vrijheid van de Geest elkaar de ruimte te geven om zichzelf te zijn, voorzover niet in strijd met leer en belijdenis naar het Woord van God;

- gevaar statussymbool.

d. Stel dat enkele van uw ambtsbroeders een tegengesteld gevoelen hebben aan dat van uzelf, welke consequenties zou dat volgens u moeten hebben voor uzelf, voor die broeders en voor de kerkeraad als geheel?

En als zij een meerderheid vormen?

Sommigen gaven hier geen enkel antwoord. Anderen plaatsten hier een op zich waardevolle opmerking, die evenwel niet beschouwd kan worden als een antwoord op de gestelde vraag. Drie broeders zeggen min of meer expliciet bezwaar te hebben tegen het denken in meerder- en minderheden. Van de anderen, zeggen elf zich te zullen neerleggen bij dan wel richten naar de meerderheid. Dit ongeacht of zij persoonlijk tegen dan wel voor aanpassing van de geldende afspraak zijn.

Indien er een minderheid voor meer vrijheid zou zijn:

- dient men zich aan te passen;

- neig ik toch tot afschaffing van de bestaande afspraak (1x).

Algemene opmerkingen

- Wij dienen te leren van pijnlijke discussies over dit onderwerp in het verleden, die verbittering gaven en het ambtelijk functioneren zo gauw blijken te belemmeren.

- Wij dienen nieuwe ambtsdragers beter te informeren.

- Zolang een afspraak geldt, mag van nieuw aan te treden broeders worden verwacht, dat zij zich daarin voegen; maar een afwijkend persoonlijk gevoelen in dit opzicht mag nooit een reden zijn ontheffing te vragen danwel te verlenen.

Conclusies en voorstellen

Het moderamen van de kerkenraad in kwestie komt in een nota over dit onderwerp tot de volgende conclusies:

Om te beginnen dient vastgesteld te worden, dat uit de Schrift in dit opzicht geen concrete voorschriften kunnen worden afgelezen. Het kan dan ook niet gaan om een discussie over een principiële (in de zin van voor gemeente en/of ambtsdrager heilsnoodzakelijke) regel.

Wij dienen daarom voorzichtig te zijn met een verwijzing naar de priesterkleding uit Ex. 28. De sancties die in dit hoofdstuk worden genoemd (vs. 35 en 43), duiden erop dat het bij Israël in dezen wel degelijk om een heilsnoodzakelijke regel ging. Wij geloven en belijden, dat met de komst van de grote Hogepriester Jezus Christus de oudtestamentische tempeldienst heeft afgedaan (Hebr. 7-10; art. 25 NGB). Als wij met art. 25 tegelijk belijden, dat ‘waarheid’ en ‘inhoud’ van de priesterdienst blijvend zijn, moet dit niet op het uiterlijk ambtsgewaad betrokken worden. Wat zou ons dan immers het recht geven, ons slechts aan de uniformiteit te houden, en niet aan bijv. de kleuren? Of aan de zalving, die volgens vs. 41 met de ‘bekleding’ van het ambt gepaard ging?

Het blijvende dient te worden gezocht in het ‘algemeen priesterschap van de gelovigen’ (Titus 2;3; 1 Petr. 2:5, 9; Openb. 1:6 en 5:10). Waarheid en inhoud van deze priesterdienst worden uitnemend verwoord in vr./antw. 32 H.C. (dat ik) “mijzelf als een levend dankoffer aan Hern geef” (vergelijk Rom. 12:1). Alle gelovigen delen in dit priesterambt de ambtsdragers binnen het geheel van de gemeente wel op een eigen maar niet op een principieel andere manier. Vanuit de priesterkleding gedacht zou een kledingvoorschrift voor de hele gemeente moeten gelden. En dan bovendien voor alle dagen van de week. Dat zou ons evenwel terugbrengen in de sfeer van de wet. En dat zou een beroep op teksten die spreken over de vrijheid in Christus en van de Geest, terecht maken. Als wij in dit opzicht de verwijzing naar Schriftgedeelten als Ex. 28 achterwege laten, vervalt ook het gewicht onder het beroep op de christelijke vrijheid.

Dat wil niet zeggen, dat er over onze (ambts)kleding verder niets te zeggen vait. In de Bijbel heeft kleding op vele plaatsen een symbolische waarde. Kleding mag aan de buitenkant duidelijk maken, wat van binnen leeft (bijv. Jes. 61:3; Matt. 22:11,12; Openb. 16:14). Maar even zo vaak wordt ertegen gewaarschuwd niet op de buitenkant af te gaan (bijv. Jes. 3:16-23; Matt. 7:15; 1 Tim. 2:9). Kinderen van de Here willen hun hemelse Vader in alles behagen, ook in de keus van hun kleding. Wie in dit opzicht zoekt naar schriftuurlijke leiding, kan verwezen worden naar teksten als Rom. 14:18,19; Fil. 4:8 en Col. 3:17. Daar wordt de vrijheid van de Geest geëerbiedigd maar tegelijk een dam opgeworpen tegen vormloosheid en normloosheid. Het zit hem dus niet in de kleren en in zekere zin toch ook weer wel. Misschien verdient in deze op het individu gerichte tijd onder ons het laatste zelfs wel wat meer aandacht.

Het moderamen constateert:

1. dat er noch Schriftgegevens zijn die de nieuwtestamentische gemeente uniforme ambtskleding voorschrijven, noch die zich daartegen verzetten;

2. dat moeite met een afspraak in dit opzicht nimmer een argument kan zijn ontheffing te vragen dan wel te verlenen;

3. dat een persoonlijk gevoelen in dezen op zich nimmer mag leiden tot een beoordelen van iemands geestelijk leven;

4. dat uit verschillende Schriftgegevens wel valt af te leiden, dat onze kleding geacht mag worden een levenshouding uit te drukken, waarin de eer van God en de dienst aan de naaste prevaleert boven eigen belang en voorkeur;

5. dat van ambtsdragers verwacht mag worden, dat zij ook in dit opzicht voorbleelden van de kudde willen zijn (1 Petr. 5:3);

6. dat het overgrote deel van de broeders het terecht vindt, dat hierover een afspraak is gemaakt;

7. dat een (zij het iets kleiner maar toch) aanmerkelijk aantal van de broeders vrede heeft met de geldende afspraak;

8. dat hierbij verschillende argumenten zijn genoemd;

9. dat dit soort discussies (mede door ervaringen in het verleden) binnen kerkenraad en gemeente slechts met moeite te houden zijn binnen de perken waarbinnen ze horen;

stelt daarom voor:

a. de bestaande afspraak uit 1988 te bevestigen;

b. te bedenken dat het maken van een afspraak slechts zinvol is, als deze niet gaandeweg door een afwijkende praktijk van binnenuit wordt uitgehold;

c. niet in te gaan op suggesties, die een aanscherping beogen;

d. nieuw verkozen ambtsdragers na het aanvaarden van hun benoeming in kennis te stellen van de geldende afspraak;

e. de redactie van Ambtelijk Contact te verzoeken over deze materie een artikel te laten schrijven.

In deze eerste bijdrage hebben we u deelgenoot gemaakt van wat er binnen de kerkenraad rond deze zaak leeft.

In de volgende aflevering een poging tot commentaar op een en ander.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.